View Colofon

Het dilemma van de bruine paraplu Eerste deur rechts Niets

Translated from RO to NL by Jan Willem Bos
Written in RO by Anna Kalimar

Er was eens een keer, in de werkelijkheid, een bruine paraplu gevonden.  Het was een van die grote paraplu’s die ruimte biedt aan twee mensen, en  hij had een houten handvat. Hij verbleef in een ijssalon, in een stoffig  hoekje. Erin huisde een stel langpootspinnen. Op een avond… – het was  een zomeravond – opende de paraplu zijn ogen en zei: ‘Ik vertrek.’ Het  probleem was dat de bruine paraplu geen benen had en nergens in zijn  eentje naartoe kon. Iemand moest hem meenemen. 
De volgende ochtend opende Carl zijn winkel zoals altijd en pos teerde zich achter de toonbank, in afwachting van klanten. Het ging een  bijzondere dag worden – Carl werd 310 jaar oud. Dat was een uitstekende  leeftijd om te trouwen en kinderen te krijgen. Hij ging gelukkig worden.  Zijn paarsige hoorntjes weerkaatsten het zonlicht. Wat een mazzel geboren  te worden in een volmaakte wereld! Net toen hij in diep gepeins verzonk,  klingelde het belletje van de deur en stapte een meisje de winkel binnen. Ze  kocht een hazelnootijsje, waarna ze er weer vandoor ging. Carl slaakte een  zucht. Wat was de dag waarop ook hij volmaakt zou zijn nog ver weg! Er  ontbraken nog een hoop onderdelen – hij verheugde zich met name op het ontvangen van een hart. De harten waren gewoonlijk rood en zagen er zo  uit: 

Ze werden in je borst geschroefd, voor zover hij had begrepen. Anette kwam de winkel binnen. Ze glimlachte naar hem en keek  hem aan met haar grote, oranje ogen. Carl glimlachte ook en zei: ‘Hoi, hoe  gaat het? Lang geleden dat ik je heb gezien!’ 
‘Goed, denk ik… Moet je horen, meneer G. heeft me gestuurd om  die bruine paraplu op te halen.’ 
‘De bruine paraplu?!’ Carl was zichtbaar verrast. Wat had meneer G.  te doen met die oude paraplu? 
‘Jazeker,’ zei Anette terwijl ze naar de paraplu wees. 
‘Goed dan… neem ’m maar mee,’ zei Carl, uit het veld geslagen.  ‘Maar wat is hij ermee van plan?’ 
‘Ik heb geen flauw idee!’ antwoordde ze met een schouderophalen. Carl reikte haar de paraplu aan en zij pakte hem bij het handvat. ‘Kom nog eens langs!’ 
Anette zegde het toe. 
‘Trouwens,’ zei ze terwijl ze bleef staan. ‘Heb jij gezien dat het  nieuwe huis op de Boulevard wordt gerenoveerd?’ 
‘Ja.’ 
‘Daar ga ik volgend jaar wonen,’ zei ze met een knipoog.
Hij stond paf. 
‘Wow… en hoe moet het dan met je baan in de Shoe Area?’ ‘Daar heb ik nog niet over nagedacht. Ik geloof niet dat het ertoe  doet. Hoe dan ook duurt het nog drie jaar voordat ik de lenzen krijg.’ ‘Aha, ik ben blij dat te horen. En hoe zit het met de Zin?’ 
‘Die zoek ik nog,’ antwoordde ze lachend. 
De bruine paraplu was dolblij. Eindelijk kon hij weg uit die stoffige plek.  Misschien zou hij ook een hart krijgen. 
Anette vertrok na enkele seconden, de paraplu achter zich aan sle pend. Meneer G. zat ongeduldig in het kasteel op de heuvel op haar te  wachten. Het kasteel bestond in feite uit palen met daartussen opgehangen  gordijnen. Het was volledig verstoken van een dak. Daarom had meneer G.  die paraplu nodig. Meneer G. had een erg lange baard en een stralenkrans  boven zijn hoofd. Sommigen spraken hem aan met God. Anette werkte al  heel lang voor meneer G. Het zou zo maar meer dan honderd jaar kunnen  zijn. Nog even en dan kreeg ze haar lenzen. Daarmee zou ze in staat zijn te  zien hoe lang eenieder nog te leven had. Uiteraard kon ze hen dat niet ver tellen, maar ze kon hen wel leren hoe ze hun laatste levensjaren niet moes ten verspillen. De laatste jaren waren de belangrijkste – als je die  verkwanselde, maakte je geen kans meer op een tweede hart. En met maar  één hart was het je onmogelijk de Zin te vinden. 
Van dat alles was de bruine paraplu niet op de hoogte. Misschien  zou hij dit nooit te weten komen. Meneer G. joeg hem angst aan. Hij zou  hem openmaken wanneer het regende en waarschijnlijk zou hij dan kou vatten. Dat stond er te gebeuren, wist hij. Hij had dat gehoord van anderen  die dat ook was overkomen. Op de vuilnisbelt ermee. 
Meneer G. inspecteerde hem aan alle kanten, hij opende en sloot  hem enkele malen. Ja, hij was functioneel. En van goede kwaliteit. Hoe hij  in een ijssalon verzeild was geraakt, dat wist hij niet. Dat deed er ook niet  meer toe. Meneer G. ging alle paraplu’s in de werkelijkheid vergaren.  Vervolgens de paraplu’s in videospelletjes en foto’s met paraplu’s. Dan de  paraplu’s van de paraplu’s. Dan de paraplusmaak en -geur. Vervolgens ging  hij ze allemaal koken in een grote ketel en de Paraplu der Wijzen tot stand  brengen. En dat binnen een tijdsbestek van slechts zeven dagen. Het was  ongelooflijk! Grandioos! Regelrecht belachelijk! Maar daar trok meneer G.  zich niets van aan. Hij was gewoon dol op paraplu’s. Kende meneer G. de  Zin? Hoe zou hij die moeten kennen?! Hij zocht er niet eens meer naar. En  waar zouden de anderen die dan moeten vinden? Nou, heel eenvoudig – ze  vonden hem niet! Maar dat belemmerde hen niet ernaar te zoeken. Meneer  G. wist echter dat de Paraplu der Wijzen de grootste prestatie aller tijden  zou zijn. Jammer dat het niets betekende.

Eerste deur rechts
Het had eenvoudig moeten zijn. Je loopt door de gang, eerste deur rechts,  je trapt hem wijd open, je kijkt voldaan naar hun verbijsterde gezichten, je  ziet hoe die verbijstering verandert in afgrijzen wanneer je je pistool trekt en glimlachend de trekker overhaalt. En nogmaals overhaalt. En nogmaals.  Totdat er niemand meer overeind staat behalve jijzelf. Daarna ga je een kopje koffie drinken. Zonder problemen. En zelfs zonder suiker. Niemand  zal weten dat jij het was, want je bestaat eigenlijk niet. Je bent in het bezit  van je eigen overlijdensakte. Het is een beetje bizar ernaar te gaan zitten  kijken. Je voelt een leegte in je maag. Dezelfde leegte die je voelt wanneer je  bloemen op je eigen graf gaat leggen. In plaats daarvan doe je netjes de deur open en glimlacht. Je krijgt thee aangeboden. Je vult een formulier in.  Voordat je het goed en wel in de gaten hebt, ben je getrouwd met de kas sière en hebben jullie een zoon genaamd Hector. Uiteraard zijn jullie naar een andere stad verhuisd, en jij leeft onder de naam van een kerel die echt is  gestorven. Iemand heeft dat voor je geregeld en jij hebt hem in het holst  van nacht een tas vol geld overhandigd, ergens langs de kant van de weg in  de buurt van Nergenshuizen. ’s Nachts werk je in een bar, maar overdag  probeer je kunstledematen aan de man te brengen. Heeft u behoefte aan  een been? Een hand? Ze zijn heel duurzaam en u hoeft ze niet af te doen als  u in bad gaat. We hebben ze zelfs in verschillende kleuren. U en uw nieuwe groene hand zullen op ieder feest leven in de brouwerij brengen! Uw zoon  trekt op met een stel straatschooiers en pleegt winkeldiefstallen. Hij ver koopt wiet in smerige krochten en toen hij een keer stomdronken was,  heeft hij een snotneus een gat in zijn hoofd geslagen. Je vrouw verafschuwt  je en is van mening dat alles wat misloopt jouw schuld is, maar ze zou dat  nooit toegeven al zou je haar de duimschroeven aanzetten. Ze heeft een  baan die beter betaalt dan de jouwe en je verdenkt haar ervan dat ze met de  baas rotzooit. Je begint je bewust te worden van je eigen onstoffelijkheid.  Hoewel van buiten gezien je leven normaal lijkt, besta jij eigenlijk niet, op  een goede dag verdwijn je dus. 
De man die niet bestaat trekt zijn bruinleren jack aan en verlaat het  huis. Hij neemt noch zijn sleutels, noch zijn telefoon mee. Hij laat daaren tegen wel een briefje achter waarop staat dat hij niet meer terugkomt, zodat  ze hem niet als vermist opgeven en de politie op zijn spoor zetten. Voor het  eerst sinds lange tijd begint hij zich echt te voelen. Hij is niemand. Hij is  niemand en hij zou werkelijk iedereen kunnen zijn. Hij zit helemaal ner gens aan vast. Hij kan overal heen. In zijn gedachten overheerst het beeld  van die gang nog. Misschien heeft hij het altijd betreurd dat hij toen de  trekker niet heeft overgehaald. Misschien zou dat niets hebben uitgemaakt.  Er bestaan veel uitzichtloze situaties, en er bestaan mensen die dat het ‘lot’  noemen. Alsof iemand de pik op je heeft en ongeacht hoe je je gedraagt,  probeert je het leven zuur te maken. Daarentegen kun jij je altijd uit de  voeten maken. Misschien had je die dag alleen je koffie moeten drinken en  ver uit de buurt moeten blijven van dat gebouw.

Niets
Een voor een sluiten de poorten zich. Er is niets overgebleven. Het is zo  donker dat je geen hand voor ogen ziet. De rivier stroomt ononderbroken  naar andere plaatsen met meer eeuwigheidswaarde. De kleuren doven en  de nacht valt in het stadje Niets. Niets is een kleine plaats in een bergach tige streek. De mensen hier leven bij de dag, en hun herinneringen zijn als  een dichte en ijle mist. Ze zijn klein van stuk en niet al te spraakzaam. Ze  gaan eender gekleed, zodat je onmogelijk kunt uitmaken wie de mannen en  wie de vrouwen zijn. Ze hebben allemaal kort, zwart haar, en dragen geel kleurige gewaden. Ze voorzien in hun levensonderhoud met het verbou wen van koolraap. Zij verbouwen hem, zij eten hem. Blijkbaar weten ze zich best goed te redden, dus onderhouden ze geen contacten met de bui tenwereld. Hun kleren en andere benodigdheden vervaardigen ze uit kool raapextract. Ze kunnen echt alles maken uit koolraap, zelfs tandzijde. Het  stadje Niets heeft uitstekende tandartsen. 
Zij arriveerde daar op een ochtend diep in de herfst, toen ze rond zwierf in die contreien doordat ze de exacte timing van haar parachute sprong had gemist. Ze was een tel te vroeg gesprongen, daardoor kwam ze  echter best ver van de landingsplaats terecht, vooral omdat er wind stond. 
Aanvankelijk kwam het bestaan van een dergelijk stadje als iets on mogelijks op haar over, maar toen ze daar eenmaal een tijdje had verbleven,  kwam ze erachter dat dit veel geloofwaardiger was dan haar eerdere bestaan  in een grote metropolis. Die kleine mensjes spraken een eenvoudige taal, in  vergelijking waarmee iedere andere taal ingewikkeld leek. Het kostte je  hoogstens een dag om die taal te leren. Andere talen kenden de inwoners  van de stad Niets niet. 
Şami kon goed met die lieden overweg, want ze waren zo anders dan  gewone mensen. Ze spraken nauwelijks, toonden geen belangstelling,  hadden geen ambities. Ze leefden gewoon hun leven op een banale manier,  waarbij ze hoogstens nadachten over een waarschijnlijk ‘morgen’. Ze glim lachten niet en ze huilden niet. Şami dacht dat dit kwam doordat ze hon derd procent gelukkig waren. Of niet. Ze werd ’s ochtends wakker, waste  zich, ontbeet, vervolgens ging ze haar gastheer en -vrouw helpen op de  koolraapakker. Ze woonde in bij een gezin dat bestond uit een man en een  vrouw van rond de dertig, die geen kinderen hadden. Hoewel, als ze er even  bij stilstond, er was geen enkel gezin in de stad dat kinderen had. Hoe zou  dat komen? Hoe vermenigvuldigden ze zich dan? Şami sloot het onmoge lijke niet uit: misschien waren ze onsterfelijk! Misschien interesseerde hen  niets omdat ze de rest van de eeuwigheid konden doen waar ze zin in  hadden! Waarschijnlijk hadden ze daarom een zo eenvoudig en saai be staan. Vale en uitdrukkingsloze gezichten. 
Nadat ze het gezin geholpen had op de koolraapakker, lunchte Şami  alleen in het prieel in de tuin. Hoewel het altijd koolraap was, leek het steeds anders te smaken. De lunch werd bereid door de huishoudster.  ’s Middags ging Şami meestal wat zitten tekenen of zat ze gewoon de frisse  berglucht op te snuiven op het tijdstip dat de zon spectaculair onderging.  Ze ging heel vroeg naar bed, maar voor het slapengaan ging ze altijd even  zitten niksen, alleen om het merkwaardige licht in haar huid door te laten dringen. Het was het licht van een speciale kaars gemaakt van koolraap.  Het licht was hetzelfde, maar de schaduwen bezaten een vreemde nuance.  Hoe dan ook was voor Şami het licht van een kaars zo bijzonder dat ze geen  oog had voor de schaduw ervan. Ze sloot haar ogen onder de zachte lakens  en sliep altijd droomloos. ’s Ochtends stond ze op en begon het weer van voren af aan. 
Zo verstreken heel veel dagen. De tijd verloor gemakkelijk zijn  waarde, maar de sleur legde zich onweerstaanbaar over haar gezicht. Ook  haar gelaatsuitdrukking werd neutraal. Ze was zo alleen dat ze zelfs nie mand meer had tegenover wie ze haar eenzaamheid kon toegeven. Op een  dag begon zij ook een geel gewaad te dragen. Ze mat zich een kort kapsel  aan. Dat was gemakkelijker. Ze legde zich toe op het stoken van koolraap wijn. Haar adem had de geur van een lang geleden opgebrande kaars. 
De parachute waarmee ze geland was, had ze allang verbrand. Haar  oude kleren zaten nog in een hutkoffer. Met haar oorbellen werd al jaren  de kaarsenhouder versierd. Er was kaarsvet overheen gedropen en het leek  alsof ze erin waren verzegeld. Ze hadden hun glans verloren. 
Het was winter toen de hond in Niets arriveerde. De reis had hem  uitgeput. Hij wilde ergens uitrusten, zo snel mogelijk. Şac was niet zomaar  een hond – hij bezat het spraakvermogen en de intelligentie van menselijke  wezens. Hij had de hele wereld afgereisd en had een hoop wonderlijke en  tegelijkertijd angstaanjagende dingen gezien. Maar niets had hem voorbe reid op Niets. Waar hij ook keek zag hij louter gelatenheid en domheid. 
Verveling. Lethargie. Şac voelde zich vreemd, alsof er een kluwen  kattenvacht in zijn maag zat. Een naar gevoel! Hij stapte door een dorre  wereld. Toen zag hij Şami. Hij had direct in de gaten dat ze geen plaatselijke  bewoonster was en vroeg haar: ‘Wat doe jij hier?’ 
Zij keek hem uitdrukkingsloos aan. 
‘Wonen. Ik woon hier.’ 
‘Ah,’ leek hij te begrijpen. ‘En bevalt het je hier?’ vroeg hij. ‘Ja,’ antwoordde ze droog. 
Şac wist niet wat hij verder nog moest zeggen, dus deed hij er het  zwijgen toe. Şami maakte rechtsomkeert en ging het huis binnen. Zelfs van  een pratende hond raakte ze niet meer onder de indruk. 
Şac sloot zijn ogen en strekte zich uit op de van koolraap gemaakte  deurmat voor haar huis. Zuchtend werd hij één met de mat en verdween volledig. Niemand kon zich herinneren hem ooit te zijn tegengekomen. In  het stadje Niets wonen aardige mensen. Die ook zijn verdwenen.

More by Jan Willem Bos

Geen ogenblik Portasar

Daar is Lucas zo snelvoetig dat hij rent en de nieuwe beelden nauwelijks de  gelegenheid krijgen om de oude tijdig te vervangen. De wind waait kalm en  efficiënt, heel weinig wrijving. De boomgaarden zijn omringd door bos en in het bos heeft Lucas, dankzij het ondernemen van een wandeling, een  kanjer van een linde gevonden, met wittige bladeren aan de achterzijde, met een zeer grote holte aan de voet. Daarin bevonden zich droog zand en  beddengoed waarop je kunt slapen wanneer het regent, en een jampot.  Daar ontbreekt het Lucas nooit aan nummers, zodat hij kan optellen, ver menigvuldigen en ...
Translated from RO to NL by Jan Willem Bos
Written in RO by Cătălin Pavel

Omgekeerde opstandigheid

Zijn leven met Carmen Ottomanyi had een onverwachte aanvang geno men aan het einde van de vijfde klas van de middelbare school. De dag dat  hij had besloten de stad te verlaten, was hij op zoek gegaan naar dat lange  meisje uit de parallelklas, een zekere Fahrida (haar vader kwam uit Iran),  die zich echter Frida liet noemen. Hij wilde de stad verlaten omdat hij  ervan overtuigd was dat als je weggaat, je je beperkingen achter je laat, een  overtuiging die nergens op slaat, maar als je nooit in je leven zoiets voelt,  ben je een beklagenswaardig iemand. Hij had die Frida aangetroffen te  midde...
Translated from RO to NL by Jan Willem Bos
Written in RO by Cătălin Pavel

Een engel

‘Ssst, daar komt ze aan.’  Zonder zich te verroeren hurken de mannen in de doorloop tussen  de flatgebouwen en houden hun adem in. Voor hen komt een vrouw met  een groene regenjas voorbij. Ze heeft een tas, schoenen en handschoenen  van slangenleer. Haar hakken produceren een scherp geluid en in haar op gestoken haar zijn een paar strengen losgeraakt. In het voetgangersgebied  wemelt het van de winkelende mensen, bij wie de vrouw met haar buiten sporige luxe uit de toon valt. Niettemin fluit niemand haar na, sommigen  doen zelfs een stap opzij wanneer ze haar zien aankomen.  ‘Kom op, nu,’ flui...
Translated from RO to NL by Jan Willem Bos
Written in RO by Anna Kalimar

De Dageraadlaan: het begin

Iedereen heeft het recht, en dit is een goddelijk recht, wat ook niet anders  kan, op een laatste zin, het hoeft niet per se een lange zin te zijn, hij hoeft  ook niet te lijken op een afscheidsboodschap, maar het is wel van belang dat hij waar is, zo veel waarheid als er tenminste in een zin past, ook al is het  dan de laatste, want de waarheid heeft de neiging om grillig te zijn, wat niet  wil zeggen dat ze niet bestaat, ze bestaat wel degelijk, en moet ook gezegd  worden, al kan ze niet gezegd worden in een verhaal, want een verhaal heeft  zijn eigen waarheid, die niet hetzelfde is als de w...
Translated from RO to NL by Jan Willem Bos
Written in RO by Andrei Crăciun

Het communisme gezien door de allerkleinsten

Ik ben vier jaar oud en ben nooit hoger geweest dan de eerste verdieping. Ik  ben ervan overtuigd dat de blauwe slang van de leuning oneindig is, dat hij  hoger en hoger en hoger klimt, totdat hij door het geteerde dak van ons  flatgebouw heen breekt en onzichtbaar naar de hemel rijkt. Dat is een ge dachte die ik met niemand deel. Mijn angst warmt zich bij de vlam van deze gedachte.  De mensen dalen af van de hogere verdiepingen, aan de kant van  hemel, sommigen spreken op een fluistertoon met elkaar en ik versta niet  wat ze zeggen. Maar nooit heerst er stilzwijgen tussen hen. Nooit is er  st...
Translated from RO to NL by Jan Willem Bos
Written in RO by Andrei Crăciun

Tijd is een cirkel

Tegen de dageraad droomde hij van een moord die was begaan onder een amandelboom en van vier loterijlotjes, allemaal nieten. Het was zondag.     De jonge arts huilde in zijn slaap en werd wakker met betraande wangen en omarmd door een purperen droefheid. Hij at met lange tanden, trok rouwkleding aan en wachtte op het telefoontje waarin hem zou worden bevestigd wie in de loop van de nacht was overleden.     Zijn grootvader was ergens in het begin van de twintigste eeuw geboren, in een wereld zo ver verwijderd dat er nauwelijks foto’s van zijn bewaard.      Zijn grootvaders vader had al voor de ...
Translated from RO to NL by Jan Willem Bos
Written in RO by Andrei Crăciun

Ballingschap

Het bed was als een schip dat de wateren van de nacht doorkliefde. De twee, in elkaars armen, hadden de structuur van een duistere golf, af en toe doorbroken door een lichtstraal. Mysterieus en kalm dobberde het schip, en rondom was er niets dan de aanblik van de eindeloze uitgestrektheid van het water, zonder dat dit angstaanjagend was. Ze hadden elkaar pas kortgeleden teruggevonden.  Soms speelden ze tennis. Soms dronken ze zelfs een biertje na afloop. Dergelijke vergankelijke vriendschappen ontstonden vaak tussen de eenzame loontrekkers die naar deze stad waren overgeplaatst. Over het alge...
Translated from RO to NL by Jan Willem Bos
Written in RO by Anna Kalimar

De metro

Maandagochtend hoorde hij de metro het station binnenrijden op het moment dat hij zijn ticket in het apparaat stopte en hoewel hij niet verlaat was – en zelfs als hij dat wel was geweest, was het nog geen probleem – voelde hij toch een dwingend verlangen om die metro te halen, een verlangen dat niet zozeer iets als de lekkere trek was, als wel een soort bizarre vorm van wraaklust, en hij spurtte de trap af. Er gebeurde echter iets heel merkwaardigs. Zoals men zegt dat wanneer je doodgaat, je hele leven voor je geestesoog voorbijtrekt, zo trok, gedurende de paar tellen die T. nodig had om alle ...
Translated from RO to NL by Jan Willem Bos
Written in RO by Cătălin Pavel
More in NL

Verboden de apen te voederen

Luz stond al meer dan een halfuur in de zon te wachten. Af en toe liep ze  over de stoep heen en weer om de stijfheid in haar benen te verdrijven en  minder last te hebben van haar zware buik. Haar ogen gleden razendsnel  over het drukke autoverkeer in de laan, vooral wanneer er ergens een op  trekkende motor klonk. Maar nee, niets.  Ze besloot beschutting tegen de hitte te zoeken onder het afdak van  het gebouw. Op dat moment kwam er een kleine rode auto achter een bus  vandaan gezigzagd. Luz zag hoe Jaime vol op de rem trapte en een paar keer  toeterde, alsof hij al een hele tijd op haar sto...
Translated from ES to NL by Heleen Oomen
Written in ES by Roberto Osa

Een wildvreemde stad

Een wildvreemde stad Amsterdam was tegen het vallen van de herfst kleurig en grillig. Zon en regen wisselden elkaar af als de weesgegroetjes op een rozenkrans. Tijdens een felle hoosbui stond ik onder een brug en wachtte tot de regen stopte. Ik had een fietstochtje in de omgeving van Amsterdam gepland. Ik wilde de beroemde polders zien, de door slootjes doorkruiste diepgroene weilanden met dominante windmolens die hun wieken uitstrekken als vogelverschrikkers. Het zou mijn eerste uitje worden in een nieuwe stad. De eerste ervaring waarmee min of meer het begin werd ingeluid van de vriendschap...
Translated from CZ to NL by Annette Manni
Written in CZ by Anna Háblová

Ode aan de orkaan

Ik heb altijd genoten van het geweld in het alledaagse: bijvoorbeeld een glas dat breekt in het donker. Soms vraag ik me af of deze herinnering wel echt van mij is. Ik kan mijn blijdschap amper bedwingen als ik de scène opnieuw voor me zie: het object dat valt en uiteenbarst en een dof geluid maakt en dan het geroezemoes van stemmen midden in de nacht. Mijn moeder drukt op het lichtknopje, waardoor het mozaïek van scherven oplicht. Haar geopende hand hangt in de lucht, boven mijn hoofd. Het geluid van de klap dat in niets lijkt op het geluid van het glas op de vloer en het gevoel te begrijpen ...
Translated from ES to NL by Joep Harmsen
Written in ES by Alejandro Morellón Mariano

De leerschool

Toen ik de eerste had gebouwd, dacht ik een meesterwerk te hebben geschapen. Zoals een schilder de laatste toetsen op het inaugurele canvas van zijn carrière aanbrengt, dat hij met dezelfde vurigheid zal verstoten waarmee hij het in eerste instantie heeft omarmd. Ik heb hem naar mijn evenbeeld en gelijkenis gemaakt en toen ik voor de eerste keer leven in zijn ogen zag, was het alsof ik in de spiegel keek. Alleen de asynchrone reflectie verraadde mijn vergissing. Ik had me niet ingehouden en hem aardig wat meegegeven: kracht, behendigheid, strijdlust, een buitengewoon strategisch inzicht. En to...
Translated from PT to NL by Anne Lopes Michielsen
Written in PT by Valério Romão

De reünie

Genoeg! Ik heb mijn koffer gepakt, het pak in zijn hoes, de schoenlepel erbij, en mijn sleutel ingeleverd. Het is zes uur rijden naar huis, maar de terugweg is altijd korter. Ik draai het raam open en met mijn hoofd in de frisse lucht rijd ik steeds sneller de hoofdweg van de stad af. De lucht, koel door het avondlijke tijdstip en de snelheid, scheert langs mijn wangen en doet me denken aan de ruwheid van de sponsjes die ze gebruiken bij het afschminken. Ik heb een gevoelige huid en kan niet goed tegen de behandeling die nieuwslezers moeten ondergaan om niet als een glimmend spook op het scher...
Translated from RO to NL by Charlotte van Rooden
Written in RO by Alexandru Potcoavă

Ik wil geen hond zijn

Liefdesverdriet termineren, typ ik. Dit moet nu stoppen. Ik zie verhalen van mensen, ik wil geen verhalen, ik wil oplossingen, geen compassie. Transformatie, typ ik. Google zegt dat je transformatie in de wiskunde en in de genetica hebt. Ik kies voor de tweede en maak daarmee mijn eerste keuze. Ik ben moe van dit lichaam dat al door te veel mensen is gekust, dat misschien wel verpest is, ik ben er roekeloos mee omgegaan, te vrijblijvend, het moet weg en anders en beter. Genetische transformatie. Sapkuur blinkt in mijn scherm. Transformeer in een nieuwe versie van jezelf. Een weckpot gevuld met...
Written in NL by Alma Mathijsen