Niemand wil dood. Zelfs mensen die zelfmoord plegen niet. Als dat wel zo was, zouden hun afscheidsbrieven niet zo verdrietig zijn. Voor zover ze die al schrijven, want soms kiest diegene voor een eenvoudig gebaar. Andere keren juist voor het uitblijven van een gebaar. Een telefoon die niet wordt opgenomen, een droge tandenborstel, een doordrukstrip met een pil te veel, een bord dat is blijven staan, een wang zonder afscheidskus. Tot die groep behoorde zijn vader.
Ernest weet dat hij nooit iets zal vinden, maar doet liever alsof hij samen met zijn moeder zoekt, helpt mee tot ze zelf inziet dat ze het mis heeft, tot ze ophoudt met herhalen dat het hier ergens moet zijn, dat er iets moet zijn, een briefje, een woord, een tekening. Hij steekt zijn hand in elke zak van elke jas en broek, laat de geur van oud schoensmeer ontsnappen uit schoenendozen, haalt zijn handen open aan de rozenstruiken en krijgt uitslag van de azalea’s, die eigenlijk pas een teken van leven zouden mogen geven wanneer ze de kou in hun wortels voelen, maar die uitdagend bloeien in een winter die maar niet komen wil. Hij controleert de onderstreepte zinnen in boeken, de marges van kranten, tijdschriften, de kalender die halverwege de maand stil is blijven staan, de reclame uit de brievenbus en de onafgemaakte kruiswoordraadsels waar zijn moeder altijd zo ijverig aan begint. Hij is ervan overtuigd dat hij geen enkel kaartje, briefje of woord zal vinden, maar vertrouwt erop dat het ritueel vanzelf zal uitdoven en zet zijn zogenaamde zoektocht voort, om haar niet alleen te laten nu ze hem eindelijk nodig heeft.
‘Wat doe je nou? Niet weggooien, heb je wel goed gekeken?’
‘Ja, mam, elke pagina.’
‘Wacht, laat mij maar.’
Meestal wordt leegte ervaren als iets pijnlijks en ligt de nadruk op wat er niet meer is. Zelden wordt er echter gesproken over het gat waaruit je dromen kunt redden waar nu toch, onverwacht, een plekje voor is. Niet zozeer uit respect voor de overledene, maar uit angst voor de confrontatie met het uitblijven van pijn, met het schuldgevoel dat hoort bij het erkennen van wat deze dood oplevert. Dat schuldgevoel waardoor je van eten walgt als je honger hebt en waardoor Ernest zich niet durft voor te stellen hoe zijn leven eruit zal zien na de twee of drie nachten die hij nog in het huis van zijn moeder zal doorbrengen. Het huis van zijn moeder. Hoewel hij het voor het eerst zo noemt, vindt hij het klinken alsof hij dat altijd al heeft gedaan. Twee of drie nachten, daarna keert hij terug naar Elise en Ian, zijn echte familie, die hij zelf heeft gesticht en gekozen. Terug naar zijn eigen huis, zonder het gewicht van zijn vader. Zonder papa, zegt hij bij zichzelf. Wat voelt dat licht. Maar eerst moet hij nog een paar nachten wachten, drie of zo.
Zoveel als zijn moeder nodig heeft. Na zich zijn hele leven te hebben afgevraagd hoe de wereld zou zijn zonder zijn vader, zal hij er eindelijk achter komen. Twee extra nachten stellen niets voor. Elise zal het begrijpen. Zij voelt zich ook lichter. Dat merkt hij wanneer ze bellen. Sinds de eerste nacht in het uitvaartcentrum, alweer een week geleden, heeft ze hem er voortdurend aan herinnerd dat hij op haar steun kan rekenen, dat hij niet ongerust hoeft te zijn, dat hij zo lang bij zijn moeder kan blijven als nodig is, dat zij voor Ian zal zorgen. En ongerust is hij niet, natuurlijk niet. Maar hij huilt ook niet. Had hij die behoefte maar, zoals elke zoon die zijn vader verliest. Het is niet dat hij opgetogen is, zo ongevoelig is hij niet, maar hij probeert zich wel in te beelden hoe zijn leven eruit zal zien zonder zijn vader na de komende twee, misschien drie, nachten. Het gat dat is achtergebleven kan hij nu opvullen met meer Elise en meer Ian, al weet hij nog niet hoe. ‘En maak je maar geen zorgen om Ian, met hem gaat het goed,’ zegt Elise. ‘Waarom hamer je er zo op dat ik me geen zorgen hoef te maken?’ zou hij haar willen antwoorden. Natuurlijk gaat het goed met Ian. Hij is vier. Hij is eraan gewend de dingen te accepteren zonder ze te begrijpen. Hij kan alles normaliseren: een scheiding, een oorlog, dat er water uit de kraan komt, dat de sterren niet vallen, zelfs dat zijn opa van het dak springt zonder een briefje achter te laten. Niet één woord.
Hij vraagt zich af hoe lang de zoektocht nog zal duren, op welk moment zijn moeders volharding zal opraken, wanneer de genadeslag zal vallen voor die papieren, folders, tijdschriften en kruiswoordraadsels. Over een uur begint de herdenkingsdienst; dan zal hij wel moeten stoppen met doen alsof hij zoekt en beginnen met doen alsof hij verloren heeft. Nog maar een uur te gaan en zijn moeder is zich niet aan het klaarmaken, maar staat in de hal, in gedachten verzonken bij de voordeur. Ze doet hem open. Doet hem dicht en weer open. Trekt hem dicht en zegt stellig: ‘Hij heeft me geen kus gegeven.’ Hij heeft hen nooit affectie zien tonen, behalve voor een foto. Sterker nog, hij zou zweren dat ze alleen in het openbaar kusten als ze oud en nieuw vierden, en waarschijnlijk alleen omdat het dan zo vanzelfsprekend is, alsof je een wens doet, alsof je kust om een eerdere kus uit te wissen – een kus waarbij ze wél hun ogen sloten.
‘Jullie kusten elkaar nooit.’
‘Wat weet jij daar nou van? Hij gaf me altijd een kus als ik wegging.’
Hij stelt zich voor hoe zijn vader haar op de drempel dag in dag uit een luchtkusje toewerpt. Dat is geen kus, denkt hij terwijl hij een lepel decafé in een kopje koude melk schept.
‘Waarom heeft hij me niet gekust?’
Het heeft geen zin om haar ervan te overtuigen dat hij haar nooit kuste. ‘Laat het los, mama. Hij was ziek, dat is alles. Laten we aan de hapjes beginnen.’
‘Ik heb geen mis nodig om me te herinneren dat hij een week geleden nog leefde.’
‘Het was jouw idee.’
‘Waarom luister je dan ook naar mij? Je weet heel goed dat ik niet in dat soort dingen geloof.’
‘Het is al laat. We moeten gaan.’
‘Ga jij maar voor ons beiden. Ik voel me niet goed. Bovendien komen jullie straks nog langs, ik wacht hier wel. Ze zullen het vast begrijpen: ik ben de weduwe.’
Dan blijft ze maar, wat maakt het uit, ze heeft gelijk: weduwen wordt alles vergeven, en weduwen van zelfmoordenaars al helemaal. Hij zal haar vertegenwoordigen in de kerk, zoals het een goede eerstgeborene betaamt. Ergens begrijpt hij haar ontreddering wel. Het is moeilijk te aanvaarden dat hij haar niets heeft nagelaten, zelfs geen gedachte, dat ze genoegen moet nemen met een luchtkusje minder. Hij begrijpt dat ze tijd nodig heeft om het te verwerken. Zelf probeert hij dat al bijna veertig jaar. Zijn moeder werd tenminste pas op het allerlaatste moment op de hoogte gebracht van zijn vaders plannen, en op zo’n subtiele manier dat ze haar pas een week na het sluiten van de kist duidelijk werden. Bij Ernest daarentegen nam hij nooit de moeite om iets te verbergen, die had meteen begrepen dat zijn onbeantwoorde omhelzing en wezenloze blik niets meer waren dan leegte die nog meer leegte aankondigde.
Zeven jaar was hij toen. Ze woonden in Duitsland en zijn oma van moederskant kwam een handje helpen. Ze stapte uit op het perron van Worms met twee kookpotten, drie koekenpannen en zonder een woord Duits. Terwijl zijn vader zogenaamd op zoek was naar werk en zijn moeder ploegendiensten draaide in de yoghurtfabriek, bekommerde zijn oma zich om hem, zijn broer Horacio en het huishouden, en hield ze haar mond wanneer iemand in een vreemde taal tegen haar tekeerging. Als ze de trap afliep, kraakten de treden alsof ze er bij elke stap doorheen zou zakken. Hoe vaak hadden hij en zijn broer zich niet op de grond laten vallen terwijl ze ‘Aardbeving!’ schreeuwden? Nog voor het gedreun van de laatste trede was weggestorven, zetten ze het op een lopen om aan haar klappen te ontsnappen, maar die dag haalde ze hen in en sloeg hen voor alle keren dat ze hen niet te pakken had gekregen.
Ernest stapte de kamer van zijn vader binnen met een stukje tand in zijn hand. Dit keer was hij al meer dan een week niet uit bed gekomen, behalve om naar het toilet te gaan. Het was logisch dat zijn vader zo moe was, want als hij niet in bed lag, zat hij nooit stil: altijd vol plannen, altijd buren helpen, altijd zaken regelen. Zijn moeder zei dat hij op de dagen dat hij op de been was zoveel energie verbruikte dat hij dat moest compenseren met periodes van rust, en dat het daarom zo belangrijk was om hem niet te storen en hem te laten slapen. Maar een tand was een goede reden en woog op tegen het risico op een uitbrander. Geruisloos sloop hij naar het bed. Zijn vader leek op zijn rug te slapen met zijn ogen open, en even twijfelde hij of hij hem überhaupt wakker moest maken. Hij zag eruit als een reus die door een onverwachte steen was getroffen. ‘Pap,’ fluisterde hij, ‘pap.’ Zonder zijn gezichtsuitdrukking te veranderen bewoog zijn vader langzaam, heel langzaam, zijn hoofd, dat wel van lood leek. Hij had net zulke wallen onder zijn ogen als altijd, net zulke donkere kringen, maar er begon zich een half zwarte, half grijze baard af te tekenen, alsof iemand er hapjes uit nam. ‘Kan je me helpen, pap?’ Zijn vader staarde aandachtig naar het gat in zijn gebit en liet zijn blik zakken naar de handpalm waarin de tand lag. ‘Kan je me helpen?’ Hij moet echt uitgeput zijn, dacht hij toen hij zag dat zijn vader niet reageerde. Uiteindelijk, na een stilte die de voorbode leek van een apocalyptische straf, pakte zijn vader de tand met twee vingers op, alsof hij er nog nooit één buiten een mond had gezien. ‘Een hoektand. Daar valt niets aan te doen, jongen. Niets behalve een nieuwe hoektand,’ zei hij krachteloos, en hij voegde er nog zachter aan toe: ‘Maar het zal nooit meer hetzelfde zijn.’ En hij liet de tand op de grond vallen alsof hij al lange tijd een zware last droeg. Ernest ging meteen op de grond liggen om hem te zoeken, maar de oude houten planken hadden te veel kieren en de tand kon overal klemzitten. ‘Laat je vader met rust!’ riep zijn oma, die net binnenkwam met Horacio in haar kielzog, en voor de eerste en enige keer in haar leven gaf ze hun een muntje: ‘Ga maar naar het dorp, jongens, naar zo’n zondagsfilm, en laat mij even met rust.’ Ze verdween door de kelderdeur met twee emmers water en een borstel onder haar arm. Zodra ze uit het zicht was verdwenen, aarzelden ze geen seconde en zetten koers richting de bioscoop, aan de andere kant van Worms.
Bij het passeren van de Joodse begraafplaats, met de imposante kathedraal op de achtergrond, deden de grafstenen Ernest denken aan een veld vol tanden, waar de melktanden beginnen te wiebelen en de nieuwe door gebrek aan ruimte scheefgroeien. Op dat moment had hij er nog geen idee van, maar vanaf die dag zouden deze twee beelden, begraafplaatsen en tanden, altijd met elkaar verbonden blijven. Horacio was de hele weg aan het kletsen, en dat was niet zo gek, want maandag zou hij ook kunnen opscheppen dat hij naar de bioscoop was geweest en verhalen kunnen vertellen over schietpartijen te paard, ruimteschepen of vliegende superhelden. Toen ze de ijskar onder de rossige schaduw van de kathedraal zagen staan, wist Horacio hem echter snel te overtuigen om de bioscoop te verruilen voor een ijshoorntje. Ze stopten het wisselgeld weg om er nog eentje te kunnen kopen voor het eind van de zomer, wat op elk moment van elke willekeurige ochtend kon zijn, en wandelden terug naar huis. Ze liepen langzaam, genietend van de kou bij elke lik: citroen, chocolade, citroen en chocolade, citroen met krokant koekje, chocolade met zacht koekje, citroen, chocolade, citroen en chocolade. Tegen de tijd dat ze bij de voordeur waren, was alleen nog de punt van het hoorntje over. Daar kwamen ze niet meer aan toe.
Toen ze de deur openduwden, zwaaide pal voor hen het lichaam van hun vader heen en weer. In een geruite pyjama. Een blauwe. Open aan de bovenkant. Daaronder een wit, bezweet katoenen hemd. Zijn rode gezicht. Rood, wit en blauw. De zwarte puntjes van zijn baard. Open ogen. Open handen. Open mond. Spuug. ‘Oma! Oma!’ De kelder stonk naar scherpe ammoniak. Naar vocht. ‘Oma! Snel!’ ‘Jaag me niet zo op, ssst, wat is er?’ ‘Het is papa.’ Oma liet de borstel vallen waarmee ze de vloer aan het schrobben was. Ze kwam met grote passen naar boven en stortte zich op hun vader, die steeds minder wit en rood en steeds blauwer werd. Ze hadden haar wel eens varkens zien optillen die een stuk zwaarder waren, maar het leek alsof ze elk moment kon bezwijken en hem zou laten vallen. ‘Wat staan jullie daar te staren? Snel, maak het touw los!’ Horacio barstte in tranen uit. ‘Kom nou, waar wachten jullie op?!’ Ernest rende de trap op naar de eerste verdieping alsof hij iemand hem naar boven duwde; daar aangekomen bleek hij niet in staat de knoop van het touw te ontwarren. Sterker nog: hoe meer hij het probeerde, hoe strakker het zich om de reling wikkelde. Hoe hard hij ook trok en hoe fel zijn handen ook brandden, met het gewicht van zijn vader aan het andere eind zou hij het nooit loskrijgen. ‘Het lukt niet! Het lukt niet!’ schreeuwde hij. ‘Haal de snoeischaar! Nu!’ Hij rende naar het gereedschapshok in de achtertuin. ‘Schiet nou op!’ De schaar lag er niet. ‘Kijk in de keuken!’ Hij kwam terug met de snoeischaar die hij zijn oma en moeder zo vaak had zien gebruiken om kippen in stukken te snijden als de bijl bot was. Gelukkig, ‘Haast je!’, had hij ook een handzaag meegenomen, want met de snoeischaar, ‘Opschieten!’, kwam hij alleen door de buitenste draden. Hij zaagde en zaagde, ‘Sneller!’, totdat het touw in tweeën brak en oma het lichaam van hun vader op de versleten houten vloer kon laten zakken. […]