Ik hoor het uit de monden van de mannen, vanaf hun boten. Vanaf dat schip dat op mij afkomt. Ik ben niet het welwillende land dat degenen die naderen in mij zien: een milde zomer, tonnen hout, goud en vlees, een opslagplaats van huiden. Ik ben van niemand. Ik heb geen eigenaar. Geen naam. Ik ben geen woestijn. Geen witte hel. Geen levenloos landschap. Ik ben niet de mythen of de legendes, noch de verhalen rond het vuur. Ik ben niet de wezens of de goden die ze verzinnen om mij te verklaren. De dieren die mij bewonen hebben geen ziel. Ik heb geen bewustzijn of wil; ik besta. Ik ben geen eenzame ijsberg hier en daar, geen sluimerende zee, geen stilte, geen niets.
Ik ben een vruchtbaar lichaam in beweging, een ijskoude oceaan, kolkend in de winter; het ijs dat groeit en krimpt en zich tot kristallen samenpakt wanneer het vanuit het water de lucht raakt. Ik ben een ijsbeer die op de loer ligt bij het ademgat van een zeehond, een sneeuwuil die overdag op jacht is, een zeebodem waar walrussnorren doorheen ploegen, hun prooi achterna, een regen van gekraak, de fosforescerende noorderlichthemel. Soms ben ik storm en soms kariboe, sneeuw die wordt meegevoerd door de wind, dobberend ijs, een zwerm stormvogels op een ijsberg die schommelt en kopje-onder gaat tussen honderden andere. Ik ben het gevlekte wit. In mij verstrengelen zich de blauwtinten van de gletsjers wanneer sneeuw wordt samengeperst, smelt en naar het water wordt meegevoerd. Ik ben de mist die zich vastklampt aan de toppen van het ijs. Mijn licht is een overvloed die alle kanten opgaat en horizon en schaduw doet vervagen. De bodem verdwijnt uit mijn uitgestrekte lichaam want de middernachtzon vreet mijn grond op, en wie mij voor het eerst betreedt moet opnieuw leren lopen. Ik ben ook de afwezigheid van tijd, een opeenvolging van eeuwenlange winters. Oud, zwart ijs omringd door nieuw ijs: een omhelzing van sneeuw.
Ik ben een land van prachtige lijken, overspoeld met mensen en botten. Ik ben een berenwelpje verscheurd door een grote mannetjesbeer, een uitgehongerde, zachte vos, een mammoet. Ik ben de afgeslachte zeehonden en rendieren, rood op wit, een narwal met een verminkte snuit. In mijn zeeën kapseizen enorme boten door de geselende wind en surfen walvissen op de golven. Ik ben het dichte, ijskoude, donkere water. De dood die onder het pakijs wacht. De honger van de mensen. Het zout dat hun lippen doet barsten. Ik ben de vastgelopen schepen. De koude regen en het geschreeuw van het ijs. Een bed van piepkleine bloemen dat de slakken opvangt als ze ontwaken. Een stern die ’s zomers in de modder ligt te rotten. Het gegrom, het gekwetter, trappelende hoeven en kletterende geweien. Het brullende water bij een walvisgeboorte, de kliffen. Ik ben het oog van een os dat muskus afscheidt. De vrouw in de boot die op mij afkomt. Ik ben de nerveuze honden op het water. De slapende wolf die zich verschuilt in hun tanden. Ik ben een kudde kariboes die het water van hun vacht schudden na een rivieroversteek en de nachtelijke zon die van de dauw een diamantveld maakt. Op mij verrijzen bergen, monsterlijke kliffen, en vormen zich zwarte lagunes met doorschijnende oevers. Ik ben het goud diep in de aarde. Ik ben het goud dat in de rivier schittert tijdens de eeuwige nacht. Een onverwoestbaar verlangen.
***
God bestaat niet. Hij stierf in de hut toen hij Vic zag met een bek vol bloed. Alleen de dood leeft nog. De kou. De eeuwige nacht. Zij, Ada, overgeleverd aan het onbeheersbare. Ze hoeft niet naar Knight te kijken om te weten dat de kat zijn lichaam heeft aangevreten. Alles moet begonnen zijn met een lik aan een van de zweren op zijn benen, een lik waarop de volgende wel moest volgen, en de volgende. Totdat de twee voorste klauwen de ledemaat vastgrepen en de hoektanden zich doelgericht in het vlees boorden, het zo ver openscheurden dat de hele kop van een klein dier erin paste. Ze twijfelt alleen of de ontdekkingsreiziger al dood was toen Vic hem begon op te eten, of dat hij stierf van de shock toen hij zag dat hij door een huiskat werd verslonden.
Tot wie of wat bad Knight toen zijn tijd gekomen was? Tot wie of wat zal zij bidden? Het vuur is bijna gedoofd, alleen de randen van de houtblokken gloeien nog: een stapeltje rode lijnen in het holst van de nacht. Het is bitterkoud, maar ze is zo verbijsterd en moedeloos dat ze nog geen vinger kan bewegen om de sintels weer aan te wakkeren. Buiten raast de wind genadeloos. Zo hard heeft het niet meer gewaaid sinds de beer de opslagtent verwoestte. Ondanks de duisternis weet ze dat Vic zich vlak bij haar voeten heeft genesteld, op zoek naar een warm plekje om te slapen. Ze beseft ook dat de kat er niet voor zal terugdeinzen om haar op te eten als dat nodig is, maar daarvoor moet ze eerst ziek genoeg worden of zich gewonnen geven.
Er welt een ongekende woede in haar op. Toen ze geboren werd, had haar moeder geweigerd een beschermgeest aan te roepen om over haar te waken, en door die geleende religie die haar zo fanatiek was opgelegd, had ook zij besloten zich niet tot een geest te wenden voor haar zoon. Misschien is Bennett daarom zo ziek, omdat hij geen atka heeft. De Iñupiat geloven dat kinderen worden geboren met hun eigen ziel, kwetsbaar als die van een muis, en dat ze er nog een nodig hebben, een sterkere en wijzere nappan die hen kan beschermen tegen gevaar. Na de geboorte van de placenta, wanneer moeder en kind twee afzonderlijke wezens in de wereld worden, dient de moeder de woorden te reciteren die de geest van de overledene moet horen om zich bewust te worden van zijn rol als beschermer van een nieuw leven. De incantatie wordt twee keer gezongen: eerst om de geest te wekken, dan om hem uit het graf te halen.
Haar vurige woede maakt plaats voor verdriet en een gevoel van machteloosheid wanneer ze beseft dat ze niet voor Bennett heeft gezongen; dat hij niet de naam draagt van een oude ziel uit de nederzetting die hem had kunnen beschermen; dat als ze die geest zou hebben aangeroepen – zorg voor mijn kind, oude geest, zorg voor mijn kind, oude geest – ze misschien nooit van elkaar zouden zijn gescheiden. Maar op het moment van de doop, toen haar kleintje schreeuwend en spartelend boven het vont hing met zijn amandelvormige ogen, dat steile, zwarte haar en die bruinige huid die zo eigen aan hem was, oeroud en onmogelijk lichter te krijgen, hoopte ze alleen maar dat zijn naam hem moed en aanzien zou geven in de wereld van de blanken.
Voor het eerst sinds haar aankomst op Wrangel bedenkt ze dat het heel goed mogelijk is dat in Nome niets meer lijkt op wat ze achterliet. Dat Bennett dood is. Dan besluit ze niet meer tussen de huiden vandaan te komen, zich over te geven aan de dood. Het is makkelijk. Ze kan gewoon blijven liggen wachten tot de rode lijnen van de sintels doven, tot de kou van buiten zich meester maakt van de hut. Daarna hoeft ze alleen nog de ijzige tong te verdragen die alle hoeken van haar lichaam aftast, tot het ijs haar voorgoed in slaap brengt.
Haar verdriet houdt haar stil terwijl ze toekijkt hoe het vuur opbrandt. De gloeiende contouren van de houtblokken zijn grotendeels verdwenen. Erbinnenin flikkeren nog kleine rode harten die, als ze genoeg worden aangewakkerd, het hout weer doen opvlammen. Vic slaapt diep; dat weet ze omdat ze het gewicht van haar uitgeputte lijfje op haar kuiten voelt. Ondanks haar warme kleren en de huiden is dit een van de weinige plekken die nog warm aanvoelen. Welk deel zal de kat als eerste opeten? In gedachten gaat ze al haar tenen af. Haar kleine teen lijkt aan beide voeten verdwenen, net als haar vierde en middelste teen. Aan één voet voelt ze nog het puntje van de nagel van haar tweede teen dat in de binnenkant van haar grote teen prikt. De rest bestaat niet meer: geen voetzool, geen hiel, geen wreef, geen enkel. Haar knieën tintelen, en het bovenste deel van haar dijen ook. Het verbaast haar dat het niet hetzelfde gevoel is als toen de kou aan de voet van de bergen in haar blote huid beet. Het ijs liet toen een pijnlijke afdruk achter die schroeide als een brandwond, maar nu voelt het bevriezen alsof haar lichaam langzaam in slaap valt. Onder haar heup zit nog een restje warmte, precies waar het bot de grond raakt. In haar billen niets meer. Ook niet in de huid van haar buik, al voelt ze nog steeds haar opgezwollen maag kloppen en iets wat oplaait en verlangt naar de potten met vlees, inmiddels onzichtbaar in het donker. Onder de foto van Bennett trilt haar borstbeen, en haar borsten, ooit een bron van melk, worden langzaam opgeslokt door de kou. De ijzige slaap kruipt langs haar ulu-mes omhoog naar haar hals, stroomt door haar mond naar binnen en naar buiten en sluit met zachte hand haar ogen.
Achter haar oogleden explodeert een cluster witte lichtjes. Haar weefsel sterft af. Haar hart klopt steeds langzamer en haar bloed legt steeds kortere afstanden af, omdat haar aderen zich vernauwen en de doorgang blokkeren als een klifwand. Er is geen pijn. Alleen beelden en gewaarwordingen achter een sluier van slaap. Eerst van een warme, zoutige vloeistof die langs haar vagina en dijen stroomt, daarna van haar vervormde buik, puntig door een wee. Ze zit op handen en knieën op de vloer van de iglo waar ze Bennett ter wereld bracht. Alleen. Net als haar heupen gaat het vuur in het midden van de ruimte wild tekeer, terwijl de rook opstijgt en verdwijnt door het gat in het gewelf dat dienstdoet als schoorsteen. In het halfduister en de warmte van de ijshut zet haar lichaam uit, wat gepaard gaat met een woeste pijn en een zoete geur, als van vers vlees. Vlekken op de sneeuwvloer. Ontlasting, bloed, speeksel.
Diep uit haar keel klinkt een beestachtig geschreeuw. Haar ogen draaien weg. Een klank blijft in de lucht hangen, iets wat lijkt op het diepe gezang van een walvis. Bij het passeren scheuren pezen los. Botten wijken uiteen. In haar rectum voelt ze de druk van het leven dat zich een weg baant naar de geboorte. Opnieuw flitsen er lichtjes achter haar oogleden. Haar lichaam splijt in tweeën terwijl haar stem weerklinkt: ik ga dood, ik wil dood.
Het voelt alsof ze sterft, maar daar is haar hand bij haar kruis, klaar om steun te bieden. Ze raakt de kroon van zacht vel aan, dicht behaard en bedekt met vocht dat haar vagina doet branden als gloeiende kolen. Een ring van vuur. Almachtig perst haar baarmoeder de kreet der kreten uit. Haar hand ontvangt haar enige kind. Vlees van haar vlees. Lauw. Rood. Wiegend in haar armen. Het kind huilend aan haar borst. Sussend gezang. Sussend gezang. Bloedvlekken op haar buik. Haar tepel in zijn mond, bijna zwart. Eeuwenoude warmte omhult haar en overstemt honger, eenzaamheid en de nacht. Een baarmoederlijke blik trekt aan haar; ze mag nog niet ontsnappen naar de andere kant van de tijd.
Dan springen haar ogen plotseling wijd open, puilen ze uit hun kassen, en ze hapt naar adem als een forel op het droge. Ze moet zich bewegen om uit haar dodelijke roes te ontwaken, maar haar kleine lichaam slaapt van de kou, behalve één hand die nog de grond raakt en dat ene puntje bij haar heup. Ze voelt zelfs het gewicht van Vic niet meer. Ze weet niet of de kat nog leeft of al dood is.
***
Nog voor de zon ondergaat, bereikt ze de oever van de Skeleton-rivier. Ze ziet geen goud in het water, maar een dikke forel vecht tegen de vishaak. Hij trekt eraan alsof in elke spartel de mogelijkheid van een overwinning besloten ligt. Zelfs zo dicht bij de dood beseft de forel niet dat hij misschien van iemand anders is dan van de rivier. Dat heeft zij van het Grote Noorden geleerd: het gevoel van toebehoren. Vóór Wrangel had ze zich nooit kunnen voorstellen dat ze deel zou gaan uitmaken van het pakijs en de kliffen, van de cycli van licht en water, van sneeuw en wind, van vuur, van de terugkeer van de vogels, van het leven en de dood van zeehonden en vossen, van Nanuq. Als ze denkt aan terugkeren naar Nome, lijkt het leven ineens ondraaglijk. Ze wil bij het ijs van haar volk blijven. Was de kleine Bennett nu maar bij haar, deel van dit geheel. Samen zouden ze heersen over de zon en de nacht, nog twee schepsels van de kou, van het ijs en van de lucht. Ze begrijpt nu dat de droom over de Arctische vrouw nauw samenhangt met de legende van de maanvrouw die ze Knight op zijn sterfbed vertelde, en dat het geen voorteken was, maar een venster op hoe haar leven eruit zou zien als ze voorgoed op Wrangel zou blijven.