1
Mijn afscheid van Barcelona is volgens mijn buskaartje gepland om twaalf over negen. Exact op dat tijdstip. Niet om vijf over negen, niet om drie over negen. Precies om twaalf over negen. Toen alles instortte. Al wisten jullie nog nergens van.
Het is een minuut voor twaalf over negen en de chauffeur met de walrussnor heeft de motor gestart. Hij geeft me geen uitstel om afscheid te nemen van deze stad met haar minderwaardigheidscomplex, waar ik op mijn moeilijkste momenten terechtkon; van deze gastvrije stad die me nu geen minuut langer duldt. Misschien weet Barcelona wel dat Mateo Barros, doorsnee architect, gefrustreerd schrijver, vandaag na twintig jaar terugkeert naar Madrid.
De geur van diesel sijpelt almaar sterker tussen de stoelen door en de ronkende motor doet me denken aan de schoolbus die stopte voor het Mater, de school vlak bij het huis van mijn vader. Ik zit bij het raam en zou graag het gordijntje dichtdoen, maar de kale man naast me lijkt naar buiten te willen kijken. Ik heb geen behoefte aan een laatste weerzien met de carrers, vias en avingudas. Laat de architectuur die me hierheen bracht maar voor wat ze is.
Ik zit er ook niet op te wachten dat de man me emotioneel ziet worden als een van jullie twee plotseling op een straathoek verschijnt, acht jaar jonger, en hand in hand met mij het Coliseum uitloopt nadat we Harry Potter hebben gekeken. Of als jullie van de glijbaan suizen terwijl ik beneden met open armen klaarsta om jullie op te vangen zodat er geen zand in jullie sandalen komt. Ik zie jullie voor de chimpansees in de dierentuin staan, hoe jullie met je handjes op het glas slaan om hun aandacht te trekken. In het Tibidabo, samen met mij in het reuzenrad. Een chocolade-ijsje eten in de haven. Stripboeken zoeken in Galaxia. Met het nieuwste Messi-shirt in jullie handen juichend El Corte Inglés op de Plaça de Catalunya uitlopen.
Ik weet dat jullie me niet meer zo hard nodig hebben.
Elke dag hebben jullie me minder nodig.
Ik heb jullie elke dag meer nodig.
We waren van elkaar afhankelijk als communicerende vaten: nu heb ik jullie bijna op een toxische manier nodig, zoals jij vroeger, Pau, toen je als kleintje in tranen uitbarstte als ik drie minuten uit zicht was om het afval buiten te zetten.
Te vroeg komt de bus tot stilstand. We zijn nog maar net vertrokken van het station van Sants. File. Aan de andere kant van het raam, in de regen, het sportcentrum van Santa Eulalia.
Dat krijg je ervan.
Daar speelde jij je eerste handbalwedstrijd, Marc. Op een van die zondagochtenden om negen uur waar ik zo’n hekel aan had. Als ik daarna je gezicht zag, met een glimlach bijna breder dan je rug, wist ik meteen dat ik niet voor niets zo vroeg was opgestaan.
Misschien was het eleganter geweest om met de hogesnelheidstrein van Barcelona naar Madrid te reizen, in plaats van vijf uur langer in een kloosterstille wagon te zitten waarin het verboden is te bellen. Maar wat ik nu in overvloed heb is tijd en stilte, en wat ik mis is geld. Dat weten jullie als geen ander: jullie hebben de weekends met mij moeten doorbrengen in mijn appartement op de vijfde verdieping zonder lift in La Barceloneta – dat ik me nu niet eens meer kan veroorloven – waar we om de dronken Engelsen heen slalomden die op de trappen lagen te slapen.
Door de luidsprekers klinkt de haperende stem van de buschauffeur. Hij lijkt het gloriemoment te willen kapen dat tot nu toe alleen voor piloten was weggelegd. Hij heet Tino en hij zal ons tijdens deze reis vergezellen, zegt hij. Tino meldt dat het tot Zaragoza zal regenen. Ik geloof hem niet; het regent vast tot in Madrid. Nog dagenlang. Wekenlang. Maandenlang.
Tino was de naam van mijn rijinstructeur in de barrio de la Concepción. Mijn wijk, die van opa, waar ik nu heen ga. Ik vind het heerlijk om ‘barrio de la Concepción’ uit te spreken, net als ‘avenida de la Ilustración’. Het is zo ritmisch. Eleganter dan de straatnamen hier. Eerlijk gezegd heb ik me de afgelopen twintig jaar nooit Catalaans gevoeld. Niet eens een beetje. Hoe Catalaans jullie ook zijn geboren of hoe Catalaans jullie jezelf ook noemen. De taal en de stad spreken me wel aan, anders had ik nooit ingestemd met de namen Marc en Pau. Maar ik vind ‘barrio de la Concepción’ gewoon leuker dan ‘l’Eixample’. Het klinkt provincialer, vrolijker, minder afstandelijk. Catalaans klinkt afstandelijk, behalve in liedjes.
Ik denk niet dat opa Juan me met open armen zal ontvangen. Mijn oren beginnen al te gloeien bij de gedachte dat ik hem moet vertellen dat ik de huur niet eens meer kan betalen. Dat ik na meerdere sollicitatiegesprekken bij architectenbureaus in Madrid weer terug bij af ben. Ik durf niet te zeggen dat ik eigenlijk maar één ding wil: beginnen aan de roman die me al zo lang in zijn greep houdt. Ik wil geloven dat die bom van twintig jaar geleden niet al onze communicerende vaten heeft doen ontploffen.
Het regent.
Achter de ramen regent en regent het.
Zoals Antonio Machado schreef.
Zoals Joan Manuel Serrat zong.
2
Virgen del Castañar, Virgen del Portillo, Virgen de la Fuencisla. Die middag liep Malen in de Barrio de la Concepción de ene na de andere oogverblindende maagd tegen het lijf. Ze volgden elkaar bijna net zo snel op als de oude vrouwen achter de gordijnen van de benedenwoningen aan de straatkant.
Virgen del Fresnedo, Virgen de la Providencia. Waar bleef die stomme Virgen de la Monjía? Telenovela. Haakwerk. Koffiegeur. Een vrouw met krulspelden die aan een tafeltje met kleed zat te lezen. Het geluid van een natte kus op de wang van een kleinzoon die van school kwam. De stem van Gemma Nierga die tussen de tralies door glipte van het zwarte raam van een gebouw dat aan een gevangenis deed denken. Niemand zou zeggen dat er net een nieuwe eeuw was aangebroken, al stond de euro op vrijwel alle kassabonnen van de winkels in de buurt.
Terwijl ze aan de sleutels in de zak van haar spijkerbroek frunnikte, stelde ze zich voor dat ze een van de sorginas was waarover haar oude amama Teresa had verteld: heksen van driehonderd jaar geleden die over magische krachten beschikten. Ze liet ze door haar vingers glijden, alsof ze daarmee een akelarre in een afgelegen grot kon oproepen om samen haar portaal te vinden. Of misschien raakte ze het metaal zo vaak aan om de kou van het Parabellum-pistool te vergeten, die door het holster drong en langs haar linkerzijde omhoog kroop.
‘Je hoeft het niet te gebruiken, rustig maar.’ Het voelde hard aan. ‘Maar je moet het wel meenemen. Er zal je niets gebeuren,’ had Eneko een paar dagen geleden bij hun afscheid in de haven van Santurtzi gezegd. Het wapen begon haar parten te spelen. ‘Het is alleen om je te beschermen.’ Hoewel ze meerdere keren had gecontroleerd of de veiligheidspal ingeschakeld was, keerde dezelfde angst telkens terug: wat als ze struikelde en toch vergeten was het te vergrendelen? Zou het pistool dan vanzelf afgaan? Zou een verdwaalde kogel haar hart doorboren?
Malen keek om zich heen, alert op elk teken, net als wanneer ze verstoppertje speelde. ‘Gewoon goed opletten, dat is alles.’ Eneko had haar daar gekust, voor de bootjes die tegen de steiger klotsten. Bij de herinnering aan zijn stoppelbaard die over haar zachte huid schuurde, trok iets als een lichte elektrische schok van haar mondhoek naar het tweede ringetje, dat om haar oor klemde. ‘Je staat niet geregistreerd.’ Ze kon zijn zware ademhaling nog horen, die bieradem waarmee hij haar opzoog en leeg achterliet.
‘Ze vinden je heus niet, Malen,’ hield ze zichzelf bij elke stap voor. Ieder moment zou ze op een van de blauwe straatnaambordjes op de hoek calle virgen de la monjía kunnen lezen en zich iets meer thuis voelen in de barrio de la Concepción. De gele gebouwen van vijf verdiepingen leken tenslotte precies op het huizenblok van haar ouders. Het enige verschil zat in de straatnamen. En in het licht.
Het licht was echt heel anders. Het wit van de geparkeerde auto’s blikkerde. Had ze nu maar een zonnebril, dan hoefde ze haar groene ogen niet zo samen te knijpen. Ze zouden nog gelijk krijgen over die verrekte Madrileense hemel.
Al gaf zij de voorkeur aan het grijs van Barakaldo.
Een fluitsignaal achter haar.
Ze wist niet of ze stil moest blijven staan of weg moest rennen, zoals een everzwijn dat afwacht tot zijn instinct hem de weg wijst door het struikgewas wanneer de blaffende jachthonden naderen.
Ze vervolgde haar weg alsof ze het niet had gehoord. ‘Wel je kontje genoeg te eten geven hoor!’ Een metselaar met een afzakkende blauwe broek en een troffel in de hand stond vanaf een stelling kwijlend naar haar te staren.
Ze keek hem vol afkeer aan, maar al snel verscheen er een glimlach op haar lippen toen naast hem een bordje oplichtte: calle virgen de la monjía.
3
Jullie opa Juan doet niet open als ik aanbel. Hij zal wel weg zijn. De sleutels die ik bij me heb doen het vast niet, want mijn vader is de zijne al meer dan eens kwijtgeraakt. Iedereen zegt altijd dat de sleutelhanger lelijk en ordinair is, maar ik heb ‘m van hem gekregen: een schild van Real Madrid op een witte achtergrond, omringd door acht Europacups. Ze doen me denken aan de engelen van José de Ribera rond de Onbevlekte Ontvangenis. Hij is wel kitscherig, maar altijd als ik hem vasthou, tovert hij een glimlach op mijn gezicht. Mijn vader moet hem van een klant hebben gekregen kort nadat we in 2000 de achtste Europacup wonnen. Die van Parijs. Het is bijna niet te geloven dat er al zoveel jaren zijn verstreken. Onderaan staat ‘Niemand heeft er meer’, en dat zegt alles: we proberen voortdurend obsessief te bewijzen dat we de besten zijn. Ik zal er nooit aan wennen dat ik jullie niet aan mijn kant heb kunnen krijgen; jullie waren meer van Barça.
Het Christusbeeld torent met opgeheven hand onheilspellend boven het kijkgaatje uit en lijkt me te willen waarschuwen dat het slot veranderd is, maar de deur geeft mee onder de sleutels en gaat open. Misschien heeft mijn vader het cilindermechanisme niet vervangen voor het geval de verloren zoon ooit naar huis zou terugkeren.
Wanneer ik door de deuropening stap, komt de geur van bleekmiddel me tegemoet als de Duitse herder die ik nooit mocht hebben. Zijn huishoudster (ik geloof dat ze Olenka heet) moet die dag nog hebben schoongemaakt. Opa heeft haar vast gevraagd de ochtend vrij te houden zodra hij de datum van mijn treinkaartje wist, zodat hij me dit onberispelijke beeld van orde en netheid kon voorschotelen. Wat houdt hij de schijn graag hoog! Veertig euro uitstekend besteed. Alles spic en span.
Ik trek mijn schoenen uit, voorzichtig om geen vlekken te maken op het glanzende parket, en zet ze naast mijn koffer in de hal, bij de paraplubak in de vorm van een gouden laars, waar jullie altijd je voet in probeerden te steken als we op bezoek kwamen. Het is vreemd hoeveel groter het huis lijkt. Nu we gedwongen worden kleinere wooneenheden te ontwerpen om meer te kunnen verkopen per verdieping, is het een mentale verademing om een oud appartement binnen te stappen.
In de woonkamer hangen dezelfde foto’s als altijd, gevangen in zilveren lijsten: het huwelijk van mijn ouders in de kerk van de Calle Alcalá; jullie opa die me leert fietsen in het Parque del Oeste; Marc, jij in de kleren van je eerste communie; Pau, jij met een cowboyhoed en een pistool in elke hand; en in een ovale lijst zie ik mezelf in een gestreepte tuinbroek, vastgeklampt aan het wiegje.
Er hangen geen foto’s van mama meer. Mijn vader moet ze na onze scheiding in een of andere lade hebben opgeborgen, waarbij hij misschien iets prevelde als: ‘Sorry, Laia, maar het is niet langer gepast om je hier te hebben.’ Wat ik wel zie, is een nieuwe foto op de houten plank: eentje van mijn moeder. Genomen op het terras van het huis, waarschijnlijk door opa; die glimlach schonk ze alleen aan hem. Het is een foto van haar bovenlichaam en ze draagt een luchtige jurk met rode bloemen en groene bladeren die naadloos overgaat in de geraniums op de achtergrond. Ik zat toen in de derde klas van de middelbare school.
De liftdeur gaat open. In de gang blaft een hond. Vast van een van de buren. Maar dan rammelen er sleutels in het slot. Het is mijn vader. Opa.
‘Mateo?’ hoor ik hem onzeker vragen, gevolgd door een hoop schel geblaf en poten die wanhopig over het parket glijden.
‘Ja, ik ben er al!’ roep ik vanuit de woonkamer, met een stem die diep uit mijn buik komt, maar in mijn keel een beetje overslaat.
Even schiet door mijn hoofd dat ik in de verkeerde flat ben wanneer een witte labradorpup de woonkamer binnenrent. Hij trekt enthousiast aan een rode riem die achter de deur verdwijnt. Ik hurk om hem te aaien, alsof we elkaar al kennen. Hij likt mijn arm terwijl ik met mijn hand over zijn kop strijk. Hij is prachtig.
‘Dit is Zuri,’ zegt opa glimlachend.
‘Hè? Ik geloof mijn ogen niet!’
Ik kan nauwelijks bevatten dat mijn droom – een hond in mijn armen in dit huis – op zo’n onverwachte manier uitkomt. Mijn terugkeer begint met een schitterende verrassing.
‘Nou, toch is het zo! Het is nooit te laat om een hond te nemen, toch? Ik las dat het goed is voor ouderen die alleen wonen, en ik ben helemaal in mijn nopjes.’
‘Waarom heb je niets gezegd?’
‘Ik heb er wel aan gedacht, hoor, maar omdat je al gezegd had dat je zou komen…’