Toeristen
Ik heb nooit hoeven vluchten. Behalve misschien die ene zomer van eenennegentig, toen pap en ik naar ons vakantiehuisje in Murska Sobota vluchtten. Alleen was hij toen degene die vluchtte, met mij wisten ze gewoon niet wat ze moesten aanvangen, want de crèche was ‘s zomers dicht, en mam en Katarina moesten werken. We vluchtten weg om te schuilen voor de rotzooi die al gaande was en zodat hij even op adem kon komen voor de rotzooi die nog zou komen. In onze wijk werd je namelijk door je buren met een geweer bedreigd als je achternaam een streepje miste, dus dit leek de veiligste optie. Pap voelde zich ook echt veiliger in Prekmurje. Zelf had ik niet het minste benul van wat er aan de hand was. Ik voelde alleen – met al mijn zintuigen tegelijk, duizend keer zo sterk – dat het om iets vreselijks ging. Iets waar niemand me iets over wilde vertellen, laat staan uitleggen. Iets wat ik daarna nog dertig jaar lang heb proberen te begrijpen en te ontrafelen.
Voor mijn pa was het alsof hij van de ene dag op de andere vluchteling werd in een zonet nog verenigd land. Een land dat hij als het zijne beschouwde. ’T beste ooit! Voor geen goud ter wereld zou ’k ’t inruilen. Voor géén goud! Hij was in de eerste plaats Joegoslaaf en pas daarna Serviër. Tot Joegoslavië uiteen begon te vallen en hij ineens alleen nog maar Serf was – of werd – want Sloveen kon hij onmogelijk zijn, zo werd hem duidelijk gemaakt, al had hij langer in Slovenië gewoond dan in Servië en al hield hij nog zo van Kranjska klobasa en zuurkool.
Toen Joegoslavië uiteenviel, scheerde de oorlog ook langs Slovenië. Voor de meesten was hij na die tien dagen van juni en juli 1990 voorbij, maar niet voor mijn pa en nog vijfentwintigduizend zeshonderdeenenzeventig anderen en hun gezin. Nog jarenlang zagen de Sloveense steden eruit als doorsneesteden van een voormalig socialistisch land in een periode van economische groei. Steden die langzaam opbloeiden en een opleving van privékapitaal en een ogenschijnlijk eindeloze keuzevrijheid beleefden. Voor mijn gezin en duizenden andere gezinnen duurde de oorlogstoestand echter voort. En dat in een land waar geen oorlog meer was. In een land dat onder de voormalige deelrepublieken in de ogen van Europa het beste jongetje van de klas was. Dat eigenlijk altijd al wist dat het the chosen one was. Dat het méér verdiende, want ook zijn burgers verdienden meer dan in de andere republieken en waren niet langer van zins die ellende en armoede van Zagorje tot Pelagonië op te vangen. De uitverkorene die als eerste van alle Balkanlanden zou toetreden tot de enige beschaving die er echt toe deed, en zijn smerige verleden achter zich zou laten. Als een kleinburger die koste wat het kost wil verbergen waar hij vandaan komt, en in zijn zelfgenoegzaamheid geen moer geeft om wat daar, waar hij werkelijk vandaan komt, gebeurt. Al vloeien er nog duizenden hectoliters bloed. Laat ze de klere krijgen en elkaar maar afmaken. Ons probleem niet meer. En dus tracht hij elk spoor van zijn verleden, dat zijn nieuwe status onwaardig is, uit te wissen. Zelfs zijn moeder verloochent hij als het moet. Hij scheert zich glad en steekt zich strak in het pak, poetst zijn schoenen en trekt zijn gezicht in de plooi om zo veel mogelijk op de volwaardige leden van de EU te lijken, en onderdrukt daarbij elke schijn van het imposter syndrome. Laat al die immigranten en hun kinderen zich daar maar mee bezighouden. En dat deden we.
In hoeverre je het gevoel hebt dat je je niet opdringt, dat je er mag zijn en je iets van huiselijkheid voelt wanneer je ergens op bezoek bent, hangt vooral af van de gastheer of gastvrouw. Die moet ervoor zorgen dat de gast zich op zijn gemak voelt en graag nog een keertje terugkomt. Iets wat menig uitbater in Ljubljana vandaag niet al te goed lijkt te beseffen. Zo genoten gasten bij ons thuis altijd een bijzondere eer. Er werd diksap gekocht, niet van dat aanmaakspul. Op tafel kwamen koekjes te staan waar ik pas echt van mocht smullen als de gasten weg waren. Niemand mocht met honger naar huis gaan. Ze hoefden zelfs hun schoenen niet uit te doen, zo veel eer viel hun te beurt. Kortom, op alle mogelijke manieren werd ervoor gezorgd dat een gast zich eigenlijk beter voelde dan thuis. Er wordt je meer toegestaan en vergeven dan een huisgenoot. Zoiets geldt volgens mij ook voor je thuisgevoel wanneer je je als vreemdeling, al is het van de ene dag op de andere, in een nieuw land bevindt. Ik ben hier dan wel geboren, maar zelfs ik voel me soms nog steeds een vreemdeling. Daar zorgen de gastheren en -vrouwen voor. Soms is het genoeg dat iemand čefur1 zegt, of dat de verkoopster in het plaatselijke tuincentrum je advies geeft over hoe je de tomatenplantjes in de tuin afdekt en je op het hart drukt het plastic mooi strak te trekken, zodat het wat vorm heeft en het er niet zo op z’n Bosnisch bij hangt. ‘Maakt niet uit,’ zeg ik dan, ‘wij komen uit Bosnië.’ En zo ben ik weer niet echt van hier.
Je thuis voelen in een nieuw land hangt onder meer af van je afkomst en sociale status. Ook in Slovenië. Zo wordt een toerist uit Frankrijk anders ontvangen dan een vluchteling uit bijvoorbeeld Afghanistan. Waarin schuilt nu toch dat verschil tussen een vluchteling en een toerist? Ze komen allebei uit een ander land, beheersen de taal vaak niet van het land waar ze naartoe zijn gekomen en kennen ook niet de gewoonten en gebruiken. Toch zijn ze beiden bereid die te leren, de een uit nieuwsgierigheid, de ander uit noodzaak. Het belangrijkste verschil is dat de een door de lokale bevolking met open armen wordt ontvangen, want een toerist zal hen bewonderen om hun openheid en vriendelijkheid, wat een fraai land is Slovenië toch, helemaal anders dan gedacht, en bovendien heeft die hun iets, en hopelijk veel, te bieden. De ander wordt veelal angstvallig bekeken, omdat de mensen vrezen dat de nieuwkomers hun iets, en misschien wel heel veel, zullen afnemen. En daarbij alles ook nog vies zullen maken. Tegenover beide groepen zijn wij als Slovenen doorgaans terughoudend en behoedzaam. Het gaat in beide gevallen namelijk om vreemdelingen, en voor Slovenen kan dat historisch gezien maar één ding betekenen. Toch geloven we aan toeristen meer te kunnen verdienen, terwijl de blik van de meesten, als het om vluchtelingen gaat, helaas niet ver genoeg reikt om te beseffen dat ze zoiets ook van vluchtelingen kunnen verwachten. Dat ook zij kunnen werken en een bijdrage kunnen leveren aan een maatschappij die niet in hun opleiding heeft hoeven investeren. Of dat ze op zijn minst het werk kunnen doen waarvoor zelfs de minst bedeelde autochtonen hun neus ophalen.
Bij ons thuis kwamen weliswaar geen toeristen uit Frankrijk op bezoek, maar we hebben wel vluchtelingen uit ons voormalige gezamenlijke land ontvangen. Naast het gezin van Edvin met zijn robotbeen raakten we bevriend met een gezin dat tijdens de oorlog in Kroatië naar Slovenië was gekomen. Vader, moeder en twee zonen, Hrvoje en Ante. Mam zegt dat ze niet bij ons hebben geslapen. Pa houdt vol van wel, al is het maar voor even. Zulke uiteenlopende herinneringen zorgen vandaag de dag nog steeds voor gekibbel na de zondagslunch, als Katarina, Luka en ik het liefst gewoon in alle rust willen toekijken hoe Jamie op 24Kitchen op Bourgondische wijze zijn lamsbout bereidt. Wel zijn ze het erover eens dat ze meermaals bij ons over de vloer kwamen en dat we samen een gezellige tijd hadden. In het hotel waar ze volgens beider herinnering beslist verbleven, in ieder geval voor een tijdje, kregen ze als vluchtelingen maar een beperkt aantal maaltijden per dag. En dus verdeelden ze het onderling zo dat de vader met de ene zoon ontbeet en de moeder met de andere zoon soupeerde. Mam zorgde ervoor dat de vluchtelingenmoeder tijdelijk als schoonmaakster in het hotel kon werken. Zodat ze wat geld kon verdienen terwijl ze wachtten tot ze naar hun familie in Zwitserland konden doorreizen. Maar de vluchtelingenmoeder weigerde en zei dat zij heus geen plees zou gaan schrobben, ’k sterf nog liever van de honger.
Mijn moeder vond dat toen ongehoord en was zelfs wat verontwaardigd: oho, mevrouwtje voelt zich te goed om schoonmaakster te zijn. Mam was verkoopster. En omdat mam er zo over dacht, dacht ik er toen ook zo over. Pas toen ik er als volwassene aan terugdacht, ging ik er anders naar kijken. Ik bedacht hoe het moest zijn als je plots alles moet achterlaten: je woonplaats, je werk, je vrienden, misschien zelfs je ouders, de enorme boom in het park, die al in mei de beste schaduw van de stad bood en waaronder je met de vele boodschappentassen in je handen ging zitten om even uit te rusten, dat ene café waar je op zondag met je beste vriendin op de koffie ging, omdat ze alleen daar Franck serveerden ... Ik bedacht hoe het moest zijn als de oorlog je alles afneemt, van videocassettes met opnames van de verjaardagsfeestjes van je kinderen tot de promotie die je met het nieuwe jaar te wachten stond, en de vakantie in augustus aan de Makarska Rivièra. Als je alleen nog een paar slipjes, die ene uitgerekte beha en wat verbleekte familiefoto's hebt, denk je waarschijnlijk: we zijn alles kwijt, laten we tenminste onze waardigheid behouden. Hoewel ook die er waarschijnlijk aan moest geloven. Ik heb werkelijk geen idee, maar ik stel me voor dat je jezelf moet groothouden en doen alsof er nog iets over is. Iets wat ze je niet kunnen afnemen. Dat je ergens de grens trekt, tot hier en niet verder, dat je vecht om toch een deel van jezelf te behouden. Voor de een is dat schone kleren dragen, voor de ander blijven lezen, voor sommigen betekent het ervoor zorgen dat de kinderen nooit honger lijden, en voor anderen dus dat ze geen wc’s gaan poetsen. Anders voelt het alsof ze je werkelijk álles hebben afgenomen en dat jij daar, in dat vreemde land, niet langer bestaat.
Voor mij betekende onze tijd met dit vluchtelingengezin vooral dat ik samen met hun twee zoons voor ons flatgebouw krijgertje kon spelen. Ik was blij dat ik er ineens twee nieuwe vrienden bij had, die zomaar uit het niets waren gekomen. Thuis hadden ze me verteld dat het vluchtelingen waren, dat was alles. Vluchtelingen of izbeglice, zoals wij in onze taal zeggen.
Op een middag in het vroege najaar, het was al bijna avond, zaten de jongens en ik elkaar achterna voor ons flatgebouw, toen ze plots gingen meedoen met de jongens die een bal in een geïmproviseerd doel trapten. Dat vond ik maar stom. Wie ging er nu met mij spelen?
‘Hrvoje, Ante, jullie zijn ‘m, nou!’
Geen reactie.
‘Hrvoje! Jij bent ‘m, jij bent ‘m! Pak mij dan, pak mij dan,’ riep ik, en Hrvoje begon echt achter me aan te rennen.
Ik genoot van de zoete spanning dat je wordt achternagezeten maar je niets ergs kan overkomen. En ik wilde dat het zo door zou gaan. Dus moest ik hem ergens mee ophitsen, hem nog wat extra opjutten. Ik begon wat te roepen, iets waarvan ik dacht dat het hem vast zou opstoken om op mij te blijven jagen: ‘Vlu-ch-te-lin-gen, vlu-ch-te-lin-gen, jullie zijn vlu-ch-te-lin-gen!’
Wat een monsterlijke kinderlijke wreedheid. Ik besefte totaal niet dat ik hun daarmee toeriep dat ze hier niet thuishoorden en dat ze hier geen enkel recht hadden. Dat ik hun precies dat te verstaan gaf wat wij algauw zelf te horen zouden krijgen. Van mensen die ons ineens als vreemdelingen zouden zien. Ook al zijn we hier geboren. Hrvoje zette de achtervolging nog sneller en driftiger in, en ik gilde steeds luider: ‘Vluchtelingen, vluchtelingen!’
Tot Hrvoje plots bleef staan en met een volkomen rustige stem zei: ‘Wij zijn geen vluchtelingen, wij zijn toeristen.’
1. ‘Čefur’ is een Sloveense socioculturele term en een oorspronkelijk scheldwoord. Het verwijst naar mensen in Slovenië die afkomstig zijn uit andere voormalige Joegoslavische republieken (zoals Bosnië, Servië, Kroatië, Montenegro of Noord-Macedonië), of naar hun nakomelingen.