Hoofdstuk een, We mogen de aarde niet verlaten
De rest van de avond heb ik samen met Paul en zijn vrienden geprobeerd een raadsel op te lossen.‘Wanneer is Londen de stad geworden die we nu allemaal kennen?’ vroeg ieder van ons zich af.
De meesten van ons zijn hierheen gekomen om een onbereikbare droom te verwezenlijken, om te proberen het onwrikbare lot tenminste een beetje te veranderen. Maar één voor één wist de stad ons uit de waan van onze rotsvaste overtuiging te halen. We waren het met elkaar eens dat we hier geen ademruimte hadden; de arbeidsmarkt groeit met een onhoudbare snelheid en in het kielzog strompelt de recessie er achteraan. En het wordt nog erger.
De man die rechts van Paul zat, was enkele jaren geleden plotseling teruggekeerd naar Londen, vol zonovergoten hoop. Hij sprak over The Weather Project, een installatie van de Deens-IJslandse kunstenaar Olafur Eliasson.
In Turbine Hall van het Tate Modern, dat pas enkele jaren eerder was geopend, besloot Eliasson een kunstmatige, maar toch brandende bron van aanhoudende warmte op te hangen. Eliasson die sinds zijn studietijd gefascineerd is door licht, had een enorme zon gemaakt, aangedreven door honderden lichten en gehuld in een zoete mist: een mengsel van suiker en water. Bezoekers konden onder de zonnige illusie liggen en zichzelf zien in de spiegels die het plafond van de hal bedekten.
Tijdens de voorbereidingen van de tentoonstelling deelde de kunstenaar een korte vragenlijst uit aan de medewerkers van het museum en hun antwoorden werden opgenomen in de bijbehorende catalogus. Is er een natuurverschijnsel geweest dat uw levensloop ingrijpend heeft beïnvloed? luidde een van de vragen.
De man rechts van Paul vertelde dat hij hier destijds op uitwisseling was en de guurheid van de winters in Engeland herinnerde hem eraan hoe erg hij het zonnig Californië miste. Soms voelde hij zich zo ellendig dat hij alleen uit bed strompelde om onder de kunstmatige reuzenster te gaan liggen en de warmte ervan onder zijn stevig gesloten oogleden te voelen. Hij was vervolgens in Londen gebleven; de tijdelijke zon speelde zeker geen geringe rol in zijn beslissing.
In vijf maanden tijd hebben twee miljoen bezoekers Eliassons installatie bezocht. Volgens veel mensen was The Weather Project de enige tentoonstelling waarbij je het gevoel kreeg dat de enorme hal opeens te klein was. Ik herinner me dat nog heel goed. Ik kwam via de zij-ingang de hal binnen, dus ik had geen idee wat me te wachten stond. Als eerste zag ik honderden en honderden gezichten die zich tot de rode hemel richtten. De schakering ervan deed denken aan die paar seconden voordat de verblindende gloed overgaat in een enorme explosie. De gezichten baadden in een gouden glans, hier en daar wees iemand naar boven en gebaarde met zijn handen naar iets enorms. Ook al was er niets echt aan de zonnestralen, toch denk ik dat we allemaal getuigen waren van een klein wonder. Raadsels bestaan tenslotte alleen omdat we ervoor kiezen gebeurtenissen te zien voorbij de grenzen van onze wereld, nietwaar? Wat voor de een vreemd is, kan voor de ander doodnormaal zijn.
Ik stond daar en voelde hoe de wereld om me heen veranderde – al overdrijf ik natuurlijk een beetje. Sommige mensen brachten er blijkbaar hele dagen door, bij die Zon. Ze wilden er niet eens aan denken dat er ooit een einde zou komen. Anderen hadden het gevoel dat ze al hun geheimen moesten opbiechten, de ogenschijnlijke dreigende dingen kwijt moesten nu er nog tijd voor was. In de Turbine hall vertrouwde een man mij toe dat hij al jaren met zijn verdwenen vader praatte. En om niet over die gesprekken te hoeven praten, had hij tegen zijn vriendin gezegd dat hij zijn vader nooit had gekend.
Toen er in Londen vervolgens een Missing Persons kantoor werd geopend, moest ik meteen terugdenken aan Turbine hall. Misschien had Eliassons Zon ons verbonden, omdat wij er – in tegenstelling tot die aan de hemel – daadwerkelijk gevaarlijk dichtbij konden zijn. Het overschaduwde de natuur en gaf mensen het gevoel dat ze zich heel dicht bij het bovennatuurlijke bevonden.
Ik zat met Alyona binnen handbereik van de meridiaan. Zijn invloed strekte zich over ons uit als een beschermende hand en creëerde een plek die stevig in de tijd verankerd was. Maar ook Bogart en Bergman verscholen zich voor de geschiedenis in de film Casablanca. Wat er ook gebeurt, de herinnering aan de liefde blijft. ‘We’ll always have Paris.’ Wat ons te wachten staat, is een toekomst die door de tijd wordt omringd. Die zich uitstrekt naar alle windstreken, door blijft gaan totdat het een grens bereikt waar de invloedssfeer van de meridiaan ophoudt, waar macht al helemaal niets meer kan. Tijdzones malen alles fijn wat er in hun handen komt, ze verlengen de ochtenden en verkorten de middagen, en nemen zo veel happen uit de avonden als ze maar willen. Ze werpen een schaduw op de ene kant van het halfrond, terwijl ze die van de andere kant afpakken. Maar zolang we vaste grond onder onze voeten hadden, gold niets van het genoemde. Noch boven, noch beneden.
‘We mogen de aarde niet verlaten,’ fluisterde ik tegen twee harten, verborgen op de plek waar de tijd begint en eindigt. Alyona gaf me een kus en zei dat we hier zouden wortelen. Ze zei dat we ons aan elkaar zouden binden. Het is een van de mooiste zinnen die ik me herinner.
Hoofdstuk een, III. een ritueel voor ingewijden
Een mens, vaak gaat het over een vrouw, wordt voor de tweede keer geboren op het moment dat hij besluit om geen object van een verstikkende blik te zijn. Daarmee besluit je om de kijker te worden. Om onderdeel te zijn van een ongeschreven overeenkomst, een ontmoeting van twee paar ogen, van consensuele erotiek.
In de literatuur is er al veel geschreven over mannelijke blikken waaraan je niet kunt ontsnappen. Ze werpen die van achteren op vrouwen en belichamen onbeantwoordheid. De waarnemer dringt op voyeuristische wijze het privédomein binnen. Eén blik kan hele levens oproepen, of het nu gaat om levens waarin beide betrokkenen rechtstreeks aan hebben bijgedragen, of om verborgen, verzonnen levens. Ze strekken zich uit over de hele horizon van de verbeelding, tot je bijna vergeet dat het om een relatie gaat waarin hij helemaal alleen is.
Als ik Alyona, die ik die avond in Soho ontmoette, ga beschrijven, zal ik geen schoonheid schetsen die enkel dient om de plot of de betekenis van het verhaal te begrijpen. Als ik terugkeer naar bar Swift in Old Compton Street, keer ik terug naar een onderzoek van een verhaal dat door herhaling is bevestigd. Omdat de betekenis van Alyona zich ontwikkelde – en dat eigenlijk nog steeds doet – door het herhalen van gebaren en een onbetrouwbaar geheugen. Ik wil dat Alyona door mijn ogen gezien wordt. Degenen die het overleven, zijn immers degenen die het kunnen vertellen. Verhalen bestaan vooral in de handen van de vertellers. Alyona’s charme ligt in haar niet vanzelfsprekende lichaamshouding; een effect waar ze zich altijd al van bewust is geweest. De lichte kanteling van haar hoofd waarmee ze empathie toont. Gevolgd door: ‘Wat je zegt, raakt me.’ Een vrouw die zich bewust is van zichzelf.
Een man zou kunnen schrijven dat hij naar binnenloopt en terwijl hij tegen de deur aanleunt, Alyona’s eenzame silhouet in de hoek van de kamer ziet. In Swift, een bar waarvan de naam verwijst naar een ruimte met beperkte tijd en een voortdurende stroom gasten, is zijn silhouet het eerste dat binnenkomt. Alyona ziet een naderende schaduw, draait zich in die richting om en zet daarmee een reeks gebeurtenissen in gang die uitmonden in haar tragische dood. De man gaat zwijgend zitten: beiden worden omringd door een schemerig interieur dat half in de decadentie van de art-deco is blijven hangen en kenmerkend is voor films noirs.
Een mannelijke blik zou Alyona waarschijnlijk niet hebben kunnen onderscheiden van het gevaar dat zij zich had moeten voorstellen. Ik heb het gevoel dat ik het pas echt begin te begrijpen sinds ik terug ben. Ik kan nu duidelijk benoemen wat voorheen slechts vage, verontrustende rimpels waren.
Ik heb het gevoel dat ik in de gaten word gehouden. En dat gevoel heb ik zelfs als ik alleen ben. Vrouwen kunnen dat gevoel vaak niet van zich afschudden; al hun pogingen helpen helemaal niets. Vrouwenlichamen worden gezien als een bedreiging en daaropvolgend een uitnodiging tot bestraffing voor alles wat ze in onze samenleving vertegenwoordigen. Ze staan voortdurend onder toezicht van instellingen, mensen en de taal. Het is alsof ze allemaal wachten op het moment waarop het lichaam niet meer aan de verwachtingen voldoet: het begint weg te kwijnen en te verwelken. Een lichaam dat vertraagt, is net zo gevaarlijk als een lichaam dat verandert, dat zich verzet tegen taal, tegen mensen en tegen instellingen. We hebben hele samenlevingen opgebouwd op de lichamen van vrouwen.
Een bar heeft met zijn universele decor de gewoonte om nuances naar de achtergrond te schuiven en er geen rekening mee te houden. Maar ik moest Alyona, vond ik, juist daar ontmoeten; in geen enkele andere omgeving zou deze ontmoeting zijn potentieel hebben bereikt. Bars hebben hun eigen geschiedenis. Zo begon de onze.
Ik heb Alyona een tijdje voorzichtig geobserveerd. Ze zat te lezen. Toen ik die avond naar haar keek, gebeurde er al iets in mij. Enkele dagen na onze ontmoeting stuitte ik op een artikel over een mysterieuze hartslag afkomstig uit een kosmische gaswolk. Op het eerste gezicht lijkt er niets bijzonders aan de wolk. Maar op het tweede gezicht wel. Zijn binnenste klopt volgens het ritme van het naburige zwarte gat. Onder gammastraling lijken beide objecten op onverklaarbare wijze met elkaar verbonden te zijn; ze vormen een verbinding, dwars door de lichtjaren heen. Hoe het mogelijk is dat een zwart gat energie levert aan het binnenste van een wolk, kan tot nu toe niemand verklaren. Het is logisch dat ik die gebeurtenissen in mijn hoofd met elkaar in verband breng. Ik ontmoette Alyona en er gebeurde iets in mij. Een echo van een kosmische gebeurtenis.
Alyona keek op van haar boek en keek mijn kant op. Ik voelde een blik op me gericht, zoals zij die waarschijnlijk een paar minuten daarvoor op haar lichaam had gevoeld. Toen onze blikken elkaar kruisten, zag ik een lichte glimlach op haar gezicht. Geen van ons keek ook maar één keer weg. Haar glimlach werd breder en ze trok geamuseerd haar neus op. Ze deed haar haar achter haar oor en keek onzeker naar haar boek. Toen haar blik terugkeerde naar mij, gebaarde ze naar de lege plek naast haar. Ze liet het niet na om vragend één wenkbrauw op te trekken
Hoofdstuk zes, III. Een verhaal dat ik mezelf inbeeld
Ik zie bij John de behoefte om zijn pijn ergens kwijt te kunnen, simpelweg weg te stoppen. Ik heb zelf iets vergelijkbaars gedaan in Los Angeles. ‘Uiteindelijk zul je toch zelf door dingen heen moeten, een andere manier is er niet. Of ik er nu bij ben of niet. Niemand vraagt je wat je niet wilt voelen. Het gaat erom wanneer. Als je nu door alles heen gaat, komt je wereld weer op zijn plek, geloof me maar. In het tegenovergestelde geval vernietig je meer, misschien wel alles.’ Ik houd even mijn mond. ‘Doe je ogen open,’ fluister ik.
John doet zijn ogen nu echt open; hij vertrouwt de situatie noch de richting die deze zou moeten inslaan.
Zijn hartslag vertraagt wat. John fleurt op, de gespannen kramp vermindert. ‘Ik heb jarenlang mijn toevlucht gezocht bij deze zin en niets kan me nu nog raken, dus het is waarschijnlijk tijd om hem door te geven.’
Ik ga de druk op het hart weer opvoeren, deze keer op het mijne. De slag wordt een paar keer overgeslagen, alsof het hart wist dat ik het iets afnam. ‘Je zegt dat je eigen leven je niet langer aan een verhaal doet denken. Probeer het eens helemaal om te draaien; op zijn kop te zetten. Zeg tegen jezelf dat het slechts een verhaal is dat je jezelf inbeeldt. En geen woord meer.’
‘Ik moet zeggen dat het een verhaal is dat ik mezelf inbeeld?’ vraagt John vermoeid en het is te zien dat hem totaal niet aanspreekt.
‘Exact.’
‘Het is slechts een verhaal dat ik me inbeeldt? En wat nu?’
Johns ongeloof verandert in kinderlijke interesse: ik zie het aan zijn gezicht. Mijn hart maakt even een vrolijk sprongetje. ‘Nu moet je die zin voor jezelf herhalen, gerust zo’n honderd keer tot je hem gelooft.’
‘Het is slechts een verhaal dat ik me inbeeld,’ zegt John: tussen het verhaal en de rest van de zin pauzeert hij. Ik sta op en loop naar de lichtschakelaar. Tijdens die korte handeling hoor ik hem die zin nog een paar keer zeggen, steeds iets vastberadener dan ervoor.
‘Beter?’ vraag ik
‘Veel beter,’ antwoordt John stomverbaasd en er verschijnt een sprankje licht in zijn donkere ogen. Er is op dat moment iets in hem veranderd, iets is er anders. Het lijkt wel – hoewel dat natuurlijk onmogelijk is – alsof zijn gezicht, beïnvloed door de zin, verzwegen geheimen begint te onthullen. Sporen van verdriet, vreugde en verlangen. Plotseling verschijnen er rimpels op zijn gezicht; het zijn er niet veel, maar ze zijn er wel. John Smith heeft opeens een gezicht getekend door zijn eigen leven. Er gebeurt ongetwijfeld iets vergelijkbaars binnenin. John wordt overmand door sterke emoties en neemt na jaren het woord. Hij trilt een beetje. Ik hoor hem oppervlakkig ademhalen. Ik voel rust bij hem, de stilte voor de storm. Er heerst een complete duisternis in het appartement. Ik pak zijn hand en laat hem naast me op de grond zitten.
Hij zwijgt nog een paar minuten en vraagt me dan onverwachts waar ik die zin met dat verhaal vandaan heb. Het voelt een beetje gek om te zeggen dat de zin mij heeft gevonden. Zinnen kunnen dat immers niet. Daarom antwoord ik: ‘Ik weet het niet eens meer, hij is al een eeuwigheid bij me.’ Ik loop naar het raam en trek de gordijnen een beetje open; de duisternis is onaangenaam alomtegenwoordig en opslorpend. De stralen van het maanlicht vallen op mij. Ik zie de sterren helder aan de hemel schijnen.
John zit me me waarschijnlijk aan te staren; hij vraagt of ik weet waarom hij zich voor sterren is gaan interesseren. Ik ga weer naast hem zitten en in plaats van iets te zeggen, knik ik alleen maar. ‘Er schuilt een bepaalde, niet te benoemen kwaliteit in. Misschien ook wel omdat we eigenlijk naar iets kijken dat buiten onze tijd ligt. We bekijken het achteraf,’ zegt hij. Het was vreemd om dit te horen, terwijl we elkaar nauwelijks konden zien. Het was toen misschien rond middernacht, maar het kon gerust ook veel later zijn. ‘Het doet me altijd veel plezier om terug te kijken op mijn familie, op mijn hele volwassen leven. Maar sinds ik ben begonnen met lesgeven, word ik achtervolgd door nostalgie. Het klinkt misschien stom, ongeloofwaardig. Ik kijk terug om mijn familie te betekenis te geven. Met de sterren werkt het precies hetzelfde. Ik word achtervolgd door de nostalgie van wat ik niet heb meegemaakt. ‘Maar nu wil ik even stoppen,’ zegt hij vastberaden, terwijl zijn ogen beginnen te glinsteren.
‘Wat bedoel je daarmee?’, vraag ik, al begrijp ik het maar al te goed. Ik voelde me precies zo, tweeënhalf jaar geleden met Alyona in Venetië.