1889
De beul staat voor de galg, waarvan de balken met rijp bedekt zijn. De sneeuw blijft aan zijn zwarte bolhoed kleven. Naast hem staat zijn oudste zoon, ook in het zwart met levendige ogen, trillende handen, vastberaden om indruk te maken. Hij is achttien jaar, op zijn kin zitten een paar opgedroogde druppels bloed van het scheren en er wordt gezegd dat dit pas zijn tweede executie is. Zijn eerste was vorig jaar, toen zijn vader last kreeg van hartklachten en het gevoel in zijn handen had verloren; zodoende zat er niets anders op dan dat zijn zoon hem zou vervangen en die voerde de executie met zo’n vaste hand uit dat de kranten hem als de logische opvolger hadden bestempeld. De andere helper is een jonge geneeskundestudent die het werk toevallig had gekregen, toen hij de beul in de lokale kroeg had ontmoet. Hij had gezegd dat hij niet bang was voor lijken – tijdens zijn studie had hij er toch al een aantal gezien – en het idee van gemakkelijk geld verdienen trok hem aan. Nu staat hij echter op het schavot te trillen als een rietje, weggedoken in zijn donkerblauwe overjas, omdat hij niks warmers en ook niks donkerders had.
Rondom het schavot staat een halve kring soldaten; zij aan zij, hun snorren sidderen van de kou. Pal achter hen dringen de toeschouwers al samen; ook ik sta tussen hen geklemd en de muren van de binnenplaats van de gevangenis drukken ons allemaal op elkaar; vanuit de tralieramen kijken al die landlopers, dieven, engeltjesmaaksters en moordenaressen, bevend van opgeluchting, dat ze vandaag nog niet aan de beurt zijn, maar desondanks kunnen ze hun ogen niet afhouden van het dodelijke spektakel. De sneeuwvlokjes, klein en scherp als glaspoeder, dwarrelen vanuit de hemel naar beneden en we bibberen allemaal door de vrieskou, maar we houden het vol. De meeste toeschouwers hebben hun handschoenen uitgedaan en wikkelden een rozenkrans om hun handen; enkele van hen hebben heiligenprentjes omhoog geheven, richting de hemel. Anderen krabbelen wat in hun notitieboekjes die ze tegen hun polsen of op de schouder van de toeschouwer voor zich steunen. Ze strekken allemaal hun nek uit in een poging om de pas in elkaar getimmerde galg in zijn geheel te kunnen zien en een blik te werpen op de geopende leren koffer die bij de voeten van de beul ligt. Ik ga ook op mijn tenen staan, ook al is er nog niks te zien is, en met mijn blote hand klem ik mijn keel.
Op dat moment gaan de trommels slaan.
Terwijl de poorten opengaan, klinkt er geknars.
Onder begeleiding van de directeur en de gevangenispredikant loopt Krista de binnenplaats op. Ze draagt lichtgekleurde kleding met een losgeknoopte kraag; de pezen in haar nek staan gespannen. Ze is ingesnoerd in een leren dwangbuis die haar armen strak om haar lichaam klemt. De toeschouwers gaan voor haar opzij als de zee voor Mozes; de trommels roffelen, de soldaten staan in de houding. Met een vastberaden pas loopt Krista naar de galg. De geestelijke brengt het crucifix dichterbij naar Krista’s mond om deze te kussen. Tegelijkertijd met de beweging van haar lippen, heffen enkele bewonderaars in het publiek hun heiligenprentjes op. De zoon van de beul knielt op één knie, grijpt Krista vast onder haar rok en begint haar benen vast te binden. Iemand vlak bij mij lacht eventjes. Dat moet hoger, jongen. Het enige antwoord dat hij krijgt is een doodse stilte. Ik ga op mijn tenen staan. Krista heeft schoenen zonder sokken aan en haar blauwachtige voeten glinsteren wit op onder de touwen. Terwijl de zoon van de beul de touwen met een bijna verontschuldigende glimlach aantrekt, probeert de geneeskundestudent, dapper kijkend, de sterkte van de gesmeerde lussen boven haar hoofd uit. De geestelijke haalt het kruisbeeld van Krista’s mond af en maakt met zijn vinger een kruisje op haar voorhoofd. Vervolgens slepen de helpers haar naar het valluik. Ze steken haar hoofd in de strop. Zodra de strop haar strot raakt, verzwaart Krista’s ademhaling.
Het besef komt binnen; de realisatie dat er geen uitweg is. Ze zit gevangen, de strop wordt samengetrokken, het ademhalen gaat moeizaam, haar armen zitten strak in de dwangbuis geklemd, de pezen in haar nek staan op springen; haar geest heeft zich er misschien mee verzoend, maar haar lichaam verzet zich. Haar lippen bewegen. Ze wil wat zeggen. Haar stem is echter gekneveld en het tromgeroffel is te luid, door haar eigen inspanning vliegt het speeksel uit haar mond. De trommels roffelen.
Ik kan haar lippen lezen en ze zegt telkens dezelfde woorden.
‘Ik heb Haar gezien!’
‘Ik ben onschuldig!’
Ik stuif naar voren en wurm me tussen twee mannen in jassen, enkel om door twee soldaten gegrepen te worden, en de luide trommels doen de kreet in mijn mond verstommen. Ik probeer in de handpalm te bijten die mijn gezicht vast heeft, door een zwarte leren handschoen heen te bijten, maar het lukt me niet, net als dat het me niet lukt om me los te maken uit de armen die me omklemmen, ik zet me schrap op de bevroren grond en stribbel tegen met alle kracht die ik in me heb, maar het lukt niet; hun twee lichamen houden me speels in bedwang, brengen mijn knieën aan het wankelen en duwen me op de grond. De galg verdwijnt uit zicht en voor mijn ogen zie ik alleen een zwarte muur van laarzen en broekspijpen. Wanneer ze me met geweld weer overeind helpen, is dat precies op tijd om Krista’s levende gezicht voor de laatste keer te zien. Onze ogen kruisen elkaar voor een seconde. Haar longen vullen zich voor de laatste keer met lucht. Ik hoor al niet meer wat ze wil zeggen, alleen het knarsende hout van het valluik dat opengaat.
En dan trekt de strop zich strak onder het gewicht van haar vallende lichaam.
Je kunt een gesmoorde schreeuw en een knak horen en dan worden we overspoeld door stilte.
De strop die te kort is, schokt. Krista’s benen, stevig aan elkaar vastgebonden, rekken zich uit, buigen en zoeken de vaste grond.
De beul en zijn zoon wisselen verontruste blikken uit – het touw is verkeerd opgemeten, het wordt een onwaardige dood. De geneeskundestudent snelt naar het touw – waarschijnlijk wil hij het doorsnijden – maar de gevangenisdirecteur houdt hem tegen. Een van de toeschouwers slaakt een kreun en valt flauw. Krista’s lichaam spartelt verder; haar oogbollen zijn zo gedraaid dat je alleen nog oogwit ziet, haar armen proberen zich uit de riemen te bevrijden. Ik kan het niet aanzien, maar tegelijkertijd weet ik dat ik geen seconde mag missen.
De doodsstrijd duurt ruim een uur en ik knipper niet één keer, mijn adem stokt. Het duurt een eeuwigheid, maar uiteindelijk geeft haar lichaam de strijd op en haar ziel vliegt richting de hemel.
Twee mannen lopen langs me heen en dragen de journalist die tijdens de executie is flauwgevallen.
De dokter loopt richting Krista en tornt haar kleren aan de voorkant open om te controleren of ze nog ademt. En dan klinkt de doodsklok. De geestelijke tilt het kruis op. De mannen ontbloten hun hoofd. De soldaten laten me los en ik val als een hoop vodden voor hun voeten op de grond.
De zoon van de beul wendt zich van het lichaam af, strompelt de trap af en geeft over. De geneeskundestudent heeft een zakdoek voor zijn mond en probeert zich een weg te banen van de galg naar de poort, maar de toeschouwers gaan niet voor hem opzij. De journalisten grijpen hem bij zijn mouwen en dus schreeuwt hij en zwaait wild met zijn armen zodat ze hem de ruimte geven. In deze schreeuw zit alle pijn van de wereld, ik krijg echter geen woord uit mijn keel. Even lijkt het erop of ook ik mijn laatste adem heb uitgeblazen. Ik voel hoe de smeltende sneeuw doordringt in mijn onderjurk, maar ik kan niet opstaan. En dan zie ik het.
In plaats van dat ze direct richting de uitgang gaan, lopen ze langs de galg waar Krista’s lichaam nog steeds hangt. Ik zie niet gelijk wat ze doen, maar dan merk ik het wel. Ze halen hun zakmessen tevoorschijn en snijden houtspaanders van de galg af. Vervolgens stoppen ze deze in hun zakken of tussen de bladzijden van hun gebedsboekjes. Ik begrijp niet wat dit betekent. Het komt op mij over als heiligschennis, alsof de een na de ander een haarlok afknipt. Maar ik heb geen kracht om er iets van te zeggen. Totdat de binnenplaats leeg is en ze Krista losmaken en naar de kist brengen, kan ik niet eens overeind komen. Ik hoop dat ze eruitziet alsof ze slaapt. De doodskramp is echter van haar gezicht te lezen, haar ogen staan wagenwijd open, haar nek is naar links gebroken. Ik strek mijn trillende hand uit en raak haar haren aan, haar halfopen mond. Ik zie voortdurend haar vallende lichaam voor me. Niets van wat ik diep in mijn hart hoopte, is uitgekomen. De hemel is niet geopend, er is geen witte duif weggevlogen. Er heeft geen wonder plaatsgevonden. Ze stierf als een mens van vlees en bloed. Ze was niet wonderbaarlijk, niet heilig, gewoon een meisje die de drieëntwintig niet heeft gehaald. De deksel van de kist klapt dicht, hij is zwart geverfd met een wit kruis erop. De bewakers tillen de kist op en brengen hem weg. En ik begeleid haar zo lang mijn benen me kunnen dragen en met mijn vingers houd ik het gesloten deksel vast.
Ik heb Haar gezien. Werkelijk, Krista?
Ik ben onschuldig. En jij, dochter van mij?
1881
Het begon in de lente.
In de herberg was het ondraaglijk; ik had een blouse aan met de mouwen opgestroopt tot mijn oksels, koude, natgemaakte vodden om mijn nek, de ramen wagenwijd open. Bij iedereen plakte het haar tegen de nek en we mopperden dat juist vandaag de kapper niet kwam; normaal gesproken gaf ik hem toestemming om aan een van de tafels te knippen met als voorwaarde dat iedere klant tenminste iets zou bestellen. Ik hield van de herberg waar ik was opgegroeid. Het rook er naar hout, bier en geraspte zeep die samen met de geknipte haren tussen de kieren van de planken bleven zitten. De muren waren wit bepleisterd en bedekt met heiligenprentjes waar ik zomers gedroogde bloemen achter de lijsten stak en ’s winters dennentakjes. De hand van een vrouw, zoals mijn man zou zeggen. Ik besteedde dezelfde aandacht aan de tafelkleden, die de acht houten tafels bedekten die zich in het lokaal bevonden. Ze waren ooit wit, maar door het voortdurende wassen en gebruik waren ze vergeeld. Ik boog me echter wel altijd over ieder gaatje, ieder gescheurd stukje kant, iedere saus- of biervlek. De tegelkachel was smaragdgroen, de toog met een tap zo goed gepoetst dat je hem als spiegel zou kunnen gebruiken; daarachter waren twee rijen glazen met daarboven twee portretten, de een van de keizer en de ander van de keizerin te paard. Vanaf de tap kwam je in de keuken, van de keuken in de huiskamer of op de binnenplaats waar vroeger de stal was – nu zijn er alleen nog een houtstapel en kippen. Ik was toen vijfendertig jaar en al vijf jaar weduwe. Na de dood van mijn man leefden en werkten we met z’n drieën in de herberg: ik, mijn eerste en enige dochter en Anežka, een wees en onze bediende. Mijn dochters naam werd verschillend geschreven: Kristina, Kristýna, Kristína, maar iedereen noemde haar altijd Krista. Op die noodlottige dag stuurde ik haar met een geblutste voorraadbus en opgeschortte rok het bos in om bosbessen te plukken.
Het meisje liep het bos in, zoals iedere dag, schreven ze.
Maar op haar zestiende was ze al geen meisje meer. Ze had haar school met goede cijfers afgerond, een slimmere en vindingrijkere jongedame kon je niet vinden, maar ze ging niet graag naar school; ze was zwakzinnig, haar gezicht was nog kinderlijk, maar haar lichaam volwassen, onkuis; ze had donker haar – mooi, lang en weelderig gekruld als een keizerin, als een dame; volle wenkbrauwen, nog vollere wimpers; onder haar neus een licht snorretje en langzamerhand was ze langer dan ik – potig. Op haar vijfde zette ik haar al op een krukje in de keuken en gaf haar een scherp mes in handen om eten te snijden, gewillig; op haar achtste kreeg ze een bijl in handen, zodat ze op de binnenplaats spaanders kon hakken voor de kachel, bruut; op haar tiende kon ze met een vaste hand de nek van een kip breken, die laten leegbloeden en plukken, maar ook een deegroller ter hand nemen en daarmee een vis op zijn kop slaan, hem onder de kieuwdeksels pakken en de ingewanden er uitrukken. Bloeddorstig. Er is veel over haar geschreven en er zal nog meer geschreven worden. Ze trad elke dag met een enthousiasme tegemoet waar iedereen jaloers op kon zijn. Net als ik vond ze het verschrikkelijk dat we moesten ploeteren in de herberg die onder onze hoede stond. En dat eigenlijk alleen Stehlík en zijn houthakkers langskomen; die grepen haar als kind al bij de strik van haar schort vast en lachten als het haar niet lukte om zich los te rukken.
Die dag zat Stehlík binnen aan het bier. Hij kon bij mij gratis drinken en daarnaast betaalde ik hem elke eerste van de maand een deel van mijn schuld af, zodat hij zich het mannetje kon voelen. Hoe meer hij dronk, hoe meer hij me wilde. Ik wist dat hij zich een keer zo zou bedrinken dat hij zich met geweld aan mij zou vergrijpen. Ik voelde angst, omdat ik in de greep zat van een man voor wie ik nooit respect heb gehad. Ik moest voorzichtig zijn. Ik glimlachte de hele tijd naar hem; soms boog ik voorover en raakte hem lichtjes aan, soms maakte ik mijn knot los, soms bevochtigde ik mijn lippen; ik liet toe dat hij tegen mijn knie of armen wreef, en nam dan op soepele wijze onmiddellijk weer afstand. Stehlík was overigens de enige die me in al die jaren ten huwelijk heeft gevraagd. Weliswaar onder invloed, maar wel oprecht. Zoiets als: ‘Lojzička, heb je er ooit over nagedacht om met mij te trouwen?’
En die dag dat Krista in haar eentje naar het bos ging, zat ik weer eens te overwegen of ik zijn aanbod zou accepteren.
Ondanks alles wat er was gebeurd, ondanks de falende zaak en de slechte reputatie, was ik nog steeds een jonge weduwe. Uiteindelijk trouwt iedereen. En ik ben altijd knapper geweest dan anderen. Behalve mijn jonge, eenzame lichaam dwong ook mijn kasboek mij tot een huwelijk. Die dag bracht ik Stehlík al zijn vierde glas bier. Over mijn ruggengraat stroomde een zweetdruppel, onder mijn rokken spanden mijn spieren zich. Stehlík had een hemd aan met opgestroopte mouwen en las de krant. Hij sloeg zijn ogen op naar mij. Ik zag hoe blauw zijn irissen waren en hoe bloeddoorlopen zijn oogwit was. Ik zette de pul voor hem neer, precies op het moment dat Krista het vertrek binnenstormde. Ze zag er vreselijk uit. Haar gezicht was wit en haar handen vies van de bosbessen; paars op haar vingertoppen en rood op haar handpalmen. Ze had vergelijkbare vlekken op haar kleren, op haar knieën. Ik strekte mijn arm naar haar uit, maar op dat moment draaiden haar oogbollen naar boven tot je alleen oogwit zag en zakte ze op de grond alsof ze was neergeveld. Ze werd pas wakker toen ik haar aanraakte. Haar gezicht stond dromerig, haar oogleden trilden.
Stehlík boog zich naar voren vanaf zijn tafeltje en vroeg of hij een dokter moest halen. Anežka kwam de keuken uit rennen, viel op haar knieën naast Krista en probeerde haar bij te brengen met koud water dat van de punt van haar doorweekte schort druppelde.
‘Krista? Kristina, wat is er gebeurd? Wat is er met je? Heeft iemand iets gedaan?’
Krista sloot haar ogen en begon te beven. Het zweet brak haar uit. Ze begon verschrikkelijk te jammeren. Ik pakte haar bij haar schouders beet en begon aan haar te schudden en uiteindelijk restte me niets anders dan haar twee klappen te geven; een op iedere wang zoals ik altijd deed wanneer ze niet luisterde. Zodra de klappen waren gevallen, zakte haar hoofd op de parketvloer en leek het alsof ze dood was. Anežka raakte voorzichtig haar haar aan. Krista opende haar ogen en sprak de woorden die jarenlang door alle kranten in het land werden herhaald.
‘Ik heb Haar gezien.’
Ze boog zich naar haar toe. ‘Wat heb je gezien, Krista?’
‘Het woord van God,’ fluisterde ze.