Niemand is goed in eenzaamheid
In de koude kerk, tegenover het misvormde gezicht van Christus, stond priester Szymon als een bezetene gitaar te spelen. Onder zijn oksels groeiden zweetvlekken. En naast hem stond zij – mijn eerste vriendin, die ik niet mijn vriendin noemde omdat ze dat nooit zou toestaan, en ze lachte om alles wat hij zei.
Ze gedroegen zich alsof er verder niemand was. Terwijl door het logge, paarse glas in lood van de tussen prefab-flatgebouwen gepropte buurtkerk God zelf toch naar hen keek. En ik.
Nog een kwartier tot de bijeenkomst en zij repeteerden een lied dat ik nooit eerder had gehoord. Over vallen en verscheurd worden. Ik hield ervan als God wreed was. Het meisje gunde me geen blik waardig, ze leunde alleen maar Szymons kant op. Ze droeg haar beste spijkerbroek van de markt en een groene, kinderlijke bloemetjesbloes. Ik wist niet dat ik die even later al met trillende handen zou uittrekken. Voor nu wilde ik Szymons plek innemen.
Ik stond tussen de bankjes en keek rond. Opgewonden meisjes sneden een Jezusfiguur uit stug karton, een sombere misdienaar trok een korte microfoonkabel door het middenschip. En twee van zijn vrienden schaterden het uit terwijl ze van hot naar her een papier-maché graf van Jezus sleepten, die vorig jaar, net als elk jaar overigens, voor onze zonden was gestorven. Alleen ik kon geen plek vinden. Ik keek weer naar haar. Ze stond nog steeds in het midden van de kerk naast de priester en bleef maar zingen.
De obscene biceps van Szymon, die waren ontbloot omdat hij in plaats van een priestergewaad een overhemd droeg, spanden zich aan terwijl hij de snaren aansloeg en hoge noten uit mijn eerste vriendin probeerde te persen, die ik niet mijn vriendin noemde omdat ze dat nooit zou toestaan. In zijn niet helemaal schone vingers hield hij een plectrum vast. Niks aan hem was af, maar van een afstandje leek hij heel mooi, als een apostel uit een bont geïllustreerde kinderbijbel, waar pastelkleurige engelen uit de hemel afdaalden en knappe mannen samen met Jezus dor land doorkruisten.
Op zijn tanden zag ik gele sigarettenaanslag.
Toen de bijeenkomst begon, ging ze naast me zitten. Lang en recht, ze was mooi, maar dat was niet wat me aantrok in haar. Het ging erom dat Jezus haar had en Szymon haar had en ik haar niet kon hebben. Ik zat te draaien op een oncomfortabele stoel die uit de sacristie was gehaald en bekeek de mensen in de kring. In gebed verzonken ogen werden altijd waterig, waardoor hun kleur verdunde en vervolgens oploste achter vochtige mist. Iedereen bij de Oase1 had zo’n blik, glinsterend en troebel tegelijk. De priestergewaden gingen niet zo vaak als zou moeten in de was en stonden stijf van het vuil. De jongens waren puisterig en lelijk. Ze droegen uitgelubberde kleren en overhemden in toentertijd modieuze kleuren: oranje, geel en blauw. De meisjes waren infantiel. Ze hadden trillende lippen, bevende lichamen, vlechtjes en wafeltanghaar. Er hoefde maar één meisje uit de klas zo’n tang te gebruiken – en plots hadden ze allemaal stijve, onnatuurlijke golfjes. Ze droegen wijde pijpen, die toen een flinke comeback hadden gemaakt, voor slechts één zomer. Elke deelnemer had een rol: in het koor, in het knippen van versieringen, in het dienen van de mis. Iedereen behalve ik.
De voorgangers, opgewonden dat priester Szymon er was, begonnen met een gebed. Ze prevelden woorden die ontdaan van komma’s en ademhalingen klonken als een mantra. Ze hielden onze handen zo stevig vast dat hun knokkels wit werden en ze zagen eruit alsof de hemel zich boven hen zou openen. Ik had liever een gewoon Onze Vader, maar ik had niks te vertellen. Een half jaar daarvoor had ik de status van observator gekregen, dus het was mijn taak om stil te zitten en te wiegen op het ritme van Abba, Vader2. Ik kon op z’n vroegst pas over drie jaar voorganger worden. Drie jaar leken me toen een fokking eeuwigheid, die ik zou moeten doorbrengen tussen licht zweterige, door Jezus opgezweepte minderjarige katholieken, high van de favoriete gebakjes van Johannes Paulus II en het zingen van zijn lievelingslied.
Mijn hoofdzonde was hoogmoed. Ik voelde me beter dan iedereen. En daarnaast had ik niet zoveel tijd. Dus ik probeerde op eigen houtje verkeerde meisjes te bekeren in de smalle gangen van de Majoor Hubal Middelbare school nr. XIII. Ik klampte ze aan in de pauzes, als ze zich halverwege hun sapje niet konden verdedigen en ze hun handen vol hadden aan broodjes ham en kaas, en ik vertelde ze over het lichaam van Christus en de kracht van het offer dat hij voor ons had gebracht.
Ze keken me aan met grote ogen met zware oogleden, en ik kon mijn blik niet van hun gezichten afwenden. Ik klampte ze aan op de chat als hun status veranderde in ‘beschikbaar’, en rood van opwinding schetste ik een beeld van de hel, vreselijker dan die van Dante, en ik voelde tintelingen door mijn hele lichaam.
Mama opperde dat ik me moest aanmelden bij de Oase. Ze was waarschijnlijk bezorgd dat ik geen vrienden had. Zoals alles in mijn leven was deelnemen aan de Oase-bijeenkomsten het gevolg van een van mijn ouders geërfde passiviteit en de wanhopige behoefte ergens bij te horen. Voor even gaf de Oase me de illusie van verbondenheid, maar al snel werd ik een ongewenst element. Ik ging er tenslotte alleen naartoe om naar mijn eerste vriendin te kunnen kijken, die ik niet mijn vriendin noemde omdat ze dat nooit zou toestaan.
De geënsceneerde sfeer van liefde, geuit in ongemakkelijke aanrakingen van permanent bezwete lichamen, was niks voor mij. Toch liet ik geen bijeenkomst schieten, ik probeerde op te gaan in de massa en mijn geloof te verpakken in hun expressievormen: dans, zang, gitaarspel, kampvuren in het bos, nachtelijke kruiswegen, de neerdaling van de Heilige Geest en extatische rozenkransen. Ik hoefde geen liefdesbombardementen van leuke priesters zoals Szymon. Die hadden meer effect op lange en slanke middelbareschoolmeisjes, wier bezwete vaders terugkwamen van het werk om bier te drinken bij het Journaal en dan in hun armstoel in slaap te vallen, terwijl hun moeders sisten: ‘Maak je vader niet wakker.’ De Oase bood jonge katholieken allerlei soorten vermaak, behoud van je maagdelijkheid voor het huwelijk, reconstructies van de Heilig Grafkerk, het passiespel, pelgrimstochten naar Częstochowa, zoenen met groepsleiders tijdens de pelgrimstochten naar Częstochowa, concerten op Lednica3, en voor de besten een reis naar Taizé. Niks daarvan interesseerde me. Alleen zij.
Ik had direct kunnen voorzien dat de Oase op een ramp zou uitlopen, maar toch ging ik ook naar die ene bijeenkomst. Ik stond al op het punt om ervandoor te gaan, toen Szymon naar me toe kwam en iets zei wat me tegenhield – dat niemand goed is in eenzaamheid. Ik vond de vorm van die woorden mooi en ze rolden goed door je mond– niemand is goed in eenzaamheid, zelfs God niet. Hij legde zijn hand op mijn schouder en ik schoof weg. Hij stond zo dicht naast me dat ik zijn adem rook en de geur van goedkope eau de cologne, mannen-brut.
Na het gebed en de getuigenissen was het tijd voor gezang. Mijn eerste vriendin, die ik niet mijn vriendin noemde omdat ze dat nooit zou toestaan, stond onder de preekstoel naast Szymon en begon ijle klanken te produceren:
‘Je hebt me gevonden, Blauwe Ruiter, me vertrapt, op me gestaan. Ik bezweek, verscheurd door genade, als rook, als die buigt voor de storm.’
Ze was een vreselijke zangeres, haar stem brak en trilde, dus zei iedereen en ik als eerste dat ze geweldig was. Maar dit keer was het lied belangrijker dan zij. Het lied Blauwe Ruiter ontvlamde mijn toch al verhitte ziel, er klonk een naderende catastrofe in door, die ook ik al tijden voorvoelde. Ik wilde dat ik werd verscheurd door genade en werd vertrapt. God stelde zijn uitverkorenen op de proef en ik hoorde daar ongetwijfeld bij.
Sinds die dag stortte ik al mijn levenslust en lichamelijke verlangens met nog meer passie op God, die het gezicht en het lichaam had van een jonge man aan het kruis. Ik had zo vaak gefantaseerd over vertrapping en verscheurd worden door genade dat ik mijn eerste vriendin later op het ritme van die woorden neukte, woorden die ik voor altijd iets erotisch zou vinden hebben. Er sprak seks uit de trillende lippen en de wazige ogen van de Oase-meisjes, uit hun liederen, uit hun dansen en uit hun spelletjes.
Elke eerste vrijdag van de maand vroeg mijn eerste vriendin me met waterige ogen: ‘Ga biechten, biecht je zonde op, die ik ben.’ Ik zwichtte op die vrijdagen voor haar, voor die banale zinnen uit katholieke romannetjes die ze met blosjes op haar wangen las, maar ik beleed niet wat ik moest belijden. Ik knielde bij de biechtstoel neer voor haar. Haar lichaam, haar achttienjarige lichaam, het was zo open, zo het mijne, dat ik het niet kon verliezen. Ik had geen idee dat er nog andere lichamen bestonden, die niet van mij zouden eisen dat ik neerknielde waar mijn adem en die van de biechtvader zich vermengden tot het moment van absolutie. Na het verlaten van de kerk kauwde ik kauwgum. Na elke priester een andere smaak.
Mijn eerste vriendin, die ik niet mijn vriendin noemde omdat ze dat nooit zou toestaan, was niet ‘zo’. ‘Ik ben niet zo,’ fluisterde ze elke keer als ik haar aanraakte.
Ik wist nog niet dat er meer meisjes waren. Dat er in het heelal een bijna eindeloze hoeveelheid lichamen was. Dat je alleen maar je schaamte hoefde te overwinnen – en ze waren van jou. Allemaal. Of veel. Eentje liet zich alleen zoenen in donkere hoekjes in een club, tegen een muur gedrukt, vreselijk opgewonden. Een andere wilde met mij mee naar huis. Een volgende trok ik onhandig haar slipje uit zonder te weten wat ik verder moest doen. Weer een andere kwam heftig klaar onder mij en ik dacht dat ik mezelf in veiligheid moest brengen, moest vluchten, een spoor van verwoesting achterlatend. Bij elk van hen voelde ik me de eerste mens, als Neil Armstrong op de maan, elke aanraking was de eerste. Schijnbaar is niemand goed in eenzaamheid.
1. ‘Oase van de Levende Kerk’ is een in 1969 opgerichte Poolse katholieke jongerenbeweging die als doel had om het religieuze leven te verdiepen.
2. Titel van een religieus lied dat in 1991 voor de Wereldjongerendagen in Częstochowa werd gecomponeerd en sindsdien een van de populairste religieuze liederen in Polen is.
3. Tegenwoordig Lednica 2000 genoemd, is een jaarlijkse bijeenkomst voor katholieke jongeren in Polen, georganiseerd vanaf 1997 nabij Gniezno en het Lednicameer.