Ze kregen Tosiek te pakken in het dal, op een uur van de oversteekplek. Hij was aan de rand van het Priesterbos in een jagersval getrapt. Zodra hij hen zag, begon hij te spartelen en te worstelen met de klem. Overal bloedvlekken, zijn voet rijp voor amputatie. Hij lag te rollen en reutelde, probeerde de metalen kaken los te krijgen, en lag dan weer te stuiptrekken. Ze voelden een rust op hen neerdalen. Majda glimlachte, het was geschied, eindelijk was daar de onafwendbare ontmoeting. Alles als vanouds. Als vroeger. Als ooit. Een smekende blik, moeizaam tussen klapperende tanden door geperste woorden.
‘Laat me gaan!’ kraste Tosiek, ‘In Godsnaam, laat me gaan!’
Ze bekeken hem lang en zwijgend. Hij kwam raar overeind zoals alleen een gek dat kan, hij veegde met zijn mouwen over de grond, stond op en struikelde meteen weer. Blijkbaar zat dat stuk ijzer vast. Hij trok het een eind mee, een lange, diepe groef achterlatend, alsof hij het bos wilde eggen. Hij kreeg de kaken niet open – misschien door zijn zwakte, of door een kapot mechaniek. Tosiek gaf het gevecht met de klem op en vocht nu met hen, zich bewust van zijn laatste kans. Hij piepte als een kind, jammerde, dreinde. Hij veegde een dun laagje sneeuw van onder en voor hem vandaan, dacht als een dier te kunnen wegvluchten, weg te kruipen als een beest. Jij arm, dom dorpsjoch, onze wegen hebben elkaar op het verkeerde moment gekruist. Nu is alles tevergeefs.
‘Toe, alsjeblieft!’ kreunde Tosiek, ‘Laat me leven, ik smeek jullie…’
Zijn stem brak, zweet gutste over zijn gezicht. Hij kroop en trok de klem achter zich aan, God mag weten waarheen. Ze volgden hem langzaam, verloren hem niet uit het oog. Een wild dier uit de streek, Tosiek, het toonbeeld van een dorpsgek, die griende als een wijf. Met modder en sneeuw op zijn gezicht, met zand in zijn haar. De aarde zal je verslinden, jongen, ze zal iedereen verslinden, maar jou misschien net wat meer, want onmenselijk, want niet in een grenen kist en niet onder een kruis, maar in de diepste afgrond, zoals alleen dieren en soldaten worden verslonden, en jij, kind van de natuur, zal terugkeren naar je ware moeder, die je zal verzwelgen, die je botten zal verbrijzelen en zal opslokken wat ze heeft vermalen, zoals het in den beginne was. Je lot verander je niet.
Majda greep hem bij zijn kraag en sleurde hem dieper het bos in. De jongen stribbelde tegen en reutelde als een drenkeling. Een sneu been in de klem, gevoelloos, knieën die over de grond schuurden, een kromgebogen, schriel lichaam. Alleen de wind raasde over zijn rug, sloeg zijn voddige jas alle kanten op. Het joch spartelde heftig tot Majda’s geduld opraakte en hij Tosiek bruut tegen een beukenstronk duwde. Tosiek kreunde en leunde tegen de stronk alsof hij twijfelde of vechten nut had. Maar zijn lichaam verzette zich nog en zijn gezonde been bleef maar trappen, al kreeg het Tosiek niet meer overeind.
‘Je had moeten zeggen hoe het zat, idioot,’ siste Majda tussen zijn tanden door. ‘We zouden Pierończyk vroeg of laat toch wel te pakken krijgen maar nu heb je jezelf in de nesten gewerkt.’
Tosiek snikte en snotterde, spuwde alleen maar onbegrijpelijke wartaal uit.
‘Wat zeg je toch allemaal, vervloekt gespuis!’
‘Ik weet niks,’ fluisterde Tosiek. Zijn woorden vloeiden samen. ‘Ikweetniks, kweeniks, nnniks, nnnihiks, kweeniks.’
‘Zeg uilskuiken, hoe oud ben jij dat je oorlogje wilde spelen?’ ging Majda door.
‘Zestien. Ik weet niks, nnniks, hemaanniks, niksnie, niks…’
Zolang de opdracht simpel was, had eigenlijk niemand moeite met Tosieks leeftijd of domheid. Hij stond vaak op de uitkijk, want nu eens was er een beraad van boeren, dan weer illegale slacht, dan weer handel met roofwaar. Hij verknalde het nooit, dus was hij gewild, want wie anders zou er in de kou en de regen op de uitkijk willen staan? Tosiek was snel, alert, schoot van dorp naar dorp als een zwerfhond en werd dan ook zo behandeld: soms gaven ze hem restjes vlees, soms een flinke trap. Maar die hele kwestie met Pierończyk kon en wilde Majda niet bevatten. Samenzweren met een spion viel volgens hem onder de wetten van de oorlog.
‘Bleke Mańka heeft wel iets gezegd, maar ik luisterde niet en heb het niet onthouden,’ flapte Tosiek er plots uit.
Majda’s ogen versmalden. Hij wierp zich op Tosiek en bleef hem maar afranselen als een kind.
‘Ik weet het niet! Ik weet niet meer wat ze zei! Echt niet!’
‘Val toch dood, jij hoerenjong! Dat je mag wegrotten!’ brulde Majda, en na de klappen en meppen kwamen de vuistslagen, steeds meer vuistslagen, hartstochtelijke, forse, zulke vurige, dat het Strzelecki duidelijk werd wat Majda zo had gestoken, wat hem in zijn hart had geraakt.
Zat er dan toch ergens een kruimel of druppel in hem, iets wat hij had verborgen in zijn ziel, iets minuscuuls en eeuwigs, een greintje sentimentaliteit? Kon iemand die tot de rand gevuld was met wildheid niet ook plek hebben voor iets goeds? Slechts een keer had Majda er in een gesprekje ‘Maniucha’ uitgeflapt, zo noemde hij haar toen, maar ik zweer bij God dat niemand het ooit zo over haar had. Heftig en vurig als altijd veranderde hij snel van onderwerp en borg zo vlug hij kon dat ene woord op in de maalstroom van volgende woorden, hij begroef het onder volgende gesprekslagen, alsof hij het uit het geheugen van de luisteraar wilde wissen, of misschien zelfs uit dat van hemzelf. Czesiek Majda was altijd in voor ruzie, zodra hij bloed rook leek hij door te draaien, hij was iemand die geloofde dat een beslissing snel genomen moest worden en hij nam nooit de tijd die te overdenken, al zou hij daar juist baat bij hebben. Strzelecki huiverde, toen hij aan zichzelf dacht. In een reflex greep hij Tosiek bij de kraag van zijn jas en hij trok hem over de grond, verder, tussen de bomen door naar de open plek die achter de boomstammen oplichtte. Laat dat boerenlijden nu maar eindigen, kennelijk was het Tosieks lot te sterven, laat het dan maar zo zijn, niet voor Mańka, niet voor alle stupiditeit, maar voor zijn zwijgen, want Tosiek had hun dan misschien geen trouw gezworen, maar een vonnis was een vonnis en een spion beschermen was ondenkbaar.
Majda volgde ze op de voet. Ze keken elkaar niet aan, maar dachten allebei hetzelfde. Zonde om een kogel aan die jongen te verspillen. Waarom je handen er te vuil aan maken. Doodslaan en verdergaan. Tosiek trapte met zijn gezonde been, huilde en klauwde in de sneeuw. Hij greep zwak takken vast, stenen, boomstammen, maar kon niks in zijn handen houden en niks kon hem tegenhouden, niks kon zijn leven verlengen met een paar ellendige minuten.
‘Laat me gaan, ik smeek jullie, laat me gaan!’
Die jammerkreet deed Strzelecki verstijven en even dacht hij dat het een teken was dat hij de jongen moest sparen om geen vloek over zichzelf en Majda af te roepen, maar zijn bloed kookte en Tosiek ging maar door, het kookte en borrelde in hem, dus hij verstevigde zijn greep en gooide Tosiek op de grond, en die ging maar door, met die woorden, hij jammerde, de sul, hij snikte en zwaaide met zijn armen.
‘Laat me gaan, laat me gaan!’
Strzelecki greep hem bij zijn keel. De zachte aanraking van een steen in zijn hand. Het gekraak van botten. Hij miste de kaak. Tosiek kreeg stuiptrekkingen, kronkelde als bij een uitdrijving, snikte, groef in de aarde alsof hij de aarde in wilde vluchten, erin wilde terugkeren. Je zult zo terugkeren, domkop, nog even. Niks, geen gevoelens, alleen een vlam die uit zijn borst opsteeg, het moest snel, die sukkel moest boeten voor al die dagen, voor die ellendige jaren, voor Wid en voor de hardnekkige gedachte altijd ondergeschikt te zijn, er altijd buiten te vallen, als kind al, met zijn moeder aan de bedelstaf, op de pof, en als jongere zonder vak, met enkel wat hij slinks bij elkaar had weten te bemachtigen, en zo ook als volwassene, want wie dacht dat je met lef een plek kon veroveren, in deze streek kon je nooit goed te land komen, boven komen drijven, hogerop klimmen. Je kon alleen meedrijven op de stroom van de rivier en bidden dat die je niet tegen de rotsen zou smakken. Dus laat dat domme joch hen maar om zijn leven smeken, laat hem maar bij schurken smeken, misschien waren ze juist daarom het bandietenleven ingeslagen, misleid door het schijnbare gemak ervan, misschien wilden ze wel dat iemand hun eens om iets zou vragen. En dat het om hun leven ging, was bijzaak, al smeekten mensen om hun leven wel het smartelijkst, het eerlijkst, ze gaven alles wat ze hadden, hadden gehad en zouden hebben, wat het dierbaarste was, zo zoet leek dat ellendige leven hun opeens, zo belangrijk, terwijl iedereen toch wist – zowel zij als hun beulen – dat het de grootste leugen was waarmee de mensheid zich voedde, want niemand zou een traan laten om zo’n onbeduidende dood en over een paar maanden zou niemand zich meer iets herinneren, zou het niemand interesseren dat de een of de ander in stof was veranderd, dat de wind hem had weggeblazen, maar op dat allerlaatste moment was werkelijk iedereen ervan overtuigd dat zijn leven, juist het zijne iets voorstelde, zelfs al was het dom en vol walgelijke daden, zelfs al was het armzalig, en diep van binnen moest iedereen toegeven dat elk leven armzalig was, ongeacht rijkdom, familie en onderscheidingen – elk leven was even armzalig en nietig. En dus smulden ze van het gebedel, de gebeden, het bezwerende beroepen op familiebanden, afkomst, herinneringen en heilige zaken, van het panische zoeken naar een band met hun beul, van het beroep op hun geweten. En dan ontnamen ze hen die illusie. Zo zag hij het graag. Ze ontnamen mensen de enige leugen waarin ze echt geloofden. Dat hun leven iets voorstelde. De dood was de waarheid.
Tosiek schoot heen en weer, probeerde klappen te ontwijken. Zo kropen ze samen voort tot aan de open vlakte. Hij graaide nog een keer in de lucht in de hoop een tak te pakken te krijgen of een rondslingerend houtblok. Hij balde zijn lege vuisten, schurkte zijn rug tegen een akkerrand en draaide zijn hoofd zoals de ram die ze illegaal hadden afgemaakt, precies zoals die ram. Majda sprong met een steen op hem af. Een klap. Op zijn borst. Op zijn buik. Gekraak van een kaak. Gejammer ging over in gejank als uit de onderwereld, alsof Tosiek al met één been afdaalde in de diepte van de hel. Met zijn andere been schopte hij Strzelecki plots zo hard in zijn buik, dat die achteroversloeg en op zijn jas viel. Hij hief zijn hoofd en verstijfde. Hij keek naar dat onbegrijpelijke, dat onzichtbare, wat hij noch met zijn blik noch met zijn verstand kon bevatten. Tosiek werd een rochelende, in de grond gravende vleesbal, onmenselijk, ondierlijk, een vreemde bloederige massa waar hier en daar klitten en klauwen uitstaken, en hij rukte aan de sneeuw onder hem en aan de graszoden van vorig jaar, hij rukte aan de bevroren grond en zijn klauwen werden zwart en barstten, alsof de aarde hem niet tot zich wilde nemen. Zijn dwalende ogen zochten hulp – bij Tosiek, bij Majda, waar dan ook, want als God bestond, wat hem nooit eerder echt had beziggehouden, was dat daar dan een mens? Die bloeddoorlopen ogen en dat gejank, en die zwart geworden huid, was dat nou echt een mens? Zou hijzelf, als hij zich in de positie van die stumper bevond, ook in een vormeloze, rochelende massa veranderen? Ze hadden een paar levens op hun geweten, maar nooit op deze manier, nooit zo. Dus wat bezielde hen en waarom hief hij zijn hand op tegen zo’n sukkel? Majda, onder het bloed, met waanzin in zijn blik, greep een gekloofd stuk hout. Haalde uit. En stak. Een bloedstraal spoot op zijn borst, op zijn gezicht, het trappelen stopte, maar hij trok het hout eruit en stak weer en weer, tot de splinters ervan afspatten. Een hart vol rijp geweld, zonder redding, roekeloos. Strzelecki werd bevangen door vrees. Zijn keel kneep samen door een geruisloos gesnik. Dus zo zijn we. Zo zijn we altijd geweest. Twee tamme beesten. Die ogenschijnlijk als gewone mensen herbergen bezochten, zaken deden, wodka dronken, maar vanbinnen pek, zwart, lijkenadem, een litanie van alle levens die ze naar eigen goeddunk hadden afgenomen. Een kogel was waardigheid. De keel doorsnijden was waardigheid. Dit was iets wat hij nooit eerder van zo dichtbij had mogen aanschouwen. Pure beestachtigheid. Puur heilig kwaad. Hij sprong overeind, greep Majda bij zijn middel en smeet hem op de grond. Even rolden ze in elkaars armen, een gedeelde reutelende ademhaling, gedeeld zweet.
‘Genoeg, Czesiek,’ murmelde hij met een vreemde tederheid als tegen een kind. ‘Het is genoeg.’
Hun spieren, nog strak van de inspanning, schokten spastisch. Langzaam doofde de woede. Uiteindelijk verslapte hun greep. Ze vielen op de grond. Boven hen de hemel. God, wees mij zondaar genadig.