Wanneer ik eindelijk naar buiten ga, doet een fel oranje licht pijn aan mijn ogen, wat vreemd is, want er is geen zon te zien, maar die moet daar ergens zijn. Rook heeft de stad in zijn greep. Er loopt niemand over de stoep. Door de Jan Pawełlaan rijdt een auto, onbegrijpelijk langzaam, want hij zou plankgas kunnen geven, de wegen zijn leeg en alle verkeerslichten knipperen permanent oranje. Ik volg de auto met mijn blik en heb de indruk dat de bestuurder zich omdraait, maar hij is al te ver en ik kan hem niet goed zien. Hij verdwijnt. Het is heel stil. Ik kijk omhoog, knijp mijn ogen tot spleetjes.
Vanuit dit perspectief lijkt de rooksliert in de lucht nog dikker, er zijn geen onregelmatigheden te zien, geen zwakke punten waar je doorheen kan breken. Alleen de randen brokkelen af, uit de opengesneden buiken dwarrelt as. In de verte zijn grijze vlekken onder de rook verschenen. Dat zijn in spitse stapels samengeklonterde pyrocumuluswolken, met in hun kern kluwen bliksemschichten die kracht verzamelen. Als ze stortbuien zouden sturen, zouden die de brand kunnen blussen en ons kunnen redden. Ze zijn zo groot dat er water genoeg zou zijn voor heel Warschau en dan zouden de kelders ook nog overstromen en de metrostations, elk gat, ik zou op een vlot naar huis terugkeren. Maar niks wijst erop dat de wolken genadig zullen zijn. Ze zien er wreed uit.
De hitte is niet afgenomen, maar drukkender geworden. Ik voel me een vlieg die in een vette soep is gevallen en aan alle kanten plakt, terwijl ik bevrijd van de ballast van de trouwjurk met al zijn ruches van alleen al op de stoep staan zou moeten kunnen opstijgen. Ik beweeg me langzaam voort, met klepperende hielen, de echo galmt door het ravijn van glas en asfalt. Het is windstil en toch komt er in golven een brandlucht voorbij, die verdwijnt en steeds onverwachts weer terugkeert, soms prikt hij in mijn ogen, maar de meeste tijd niet. Iemand snijdt me de weg af, bruut als een abrupte stroomstoring, hij rent de stoep over en de weg, de weg, weg, en verder, hij verdwijnt tussen de gebouwen, waar de geluiden verstommen. Ik loop almaar door en stop pas voor de Mirowskahal. Daar vindt een soort performance plaats.
Naast een vuilnisbak staat iemand naast iemand anders in een zak op wielen. De zak is bruin, dichtgebonden met een touwtje en hij deint. Ik weet dat er een persoon in zit, want wat beweegt, heeft de vorm van menselijke lichaamsdelen, op verschillende plekken tekent zich een hand af, al die handen proberen de zak op te rekken. Het heeft iets van een mimevoorstelling onder de dekens, een in wezen zinloze actie, die persoon zal het wel benauwd hebben. Ik meen ook de vorm van knieën en schouders te herkennen, ik weet in elk geval met volle zekerheid waar het hoofd zit, een gezicht dat zich tegen de stof drukt, oogkassen, een neus, een open mond die iets probeert te zeggen of alleen maar de zak naar binnen zuigt. Ik stop op veilige afstand, want misschien is er wel sprake van geweld, al schreeuwt er niemand.
Nog verbazingwekkender dan de persoon in de zak blijkt die andere ernaast te zijn, want dat is iemand die ik zeer goed ken, meer een persoonlijkheid dan een persoon. Ik bekijk diegene van onder naar boven, vanaf de zwarte hak tegen de stoeprand: lange benen en armen, een beetje als Claudia Schiffer, maar dan meer een heroïne type, een bloes met een subtiele luipaardprint en een woeste, polychlorideblonde haardos. Meneer Lipstick – is de artiestennaam; we kennen elkaar van de webcams, soms geven we samen een show, Meneer Lipstick en Violet Love, die is heel populair, en verder drinken we soms een kopje koffie samen – Meneer Lipstick staat in hoogst eigen persoon op de stoep, met één hand op een uitgestoken heup en in de andere een sigaret, alles loom, alsof het een zonnige zondag is. Meneer Lipstick, die ook altijd met glinsterende blush geaccentueerde jukbeenderen heeft, is op elk moment een pose en frame in een film die niemand opneemt. Met een been houdt Meneer Lipstick nonchalant het rek overeind waaraan de zak is bevestigd, dat rek lijkt uit zo’n boodschappenkarretje van oude vrouwen te zijn gehaald, en de zak deint mee met de persoon vanbinnen, gek dat hij niet omvalt.
Ik zwaai naar Meneer Lipstick. Die draait zich naar me toe, strekt de lange nek en schermt de ogen af tegen de zon ondanks de zonnebril op de neus en dat ik helemaal niet ver weg sta. Uiteindelijk word ik herkend en een wenkende hand maant me te komen. We groeten elkaar hartelijk met luchtkussen naast elkaars oren, ik kus ook een beetje de sigarettenrook.
‘Hoe kom jij zo naar de klote?’ vraagt Lipstick met een soort sceptische, maar zorgzame blik in de ogen.
Ik ben een open boek voor Lipstick, die laat zich niet voor de gek houden. Ik had graag het hele verhaal gedeeld als ik vandaag mijn vertellimiet niet al had bereikt, de passende woorden weigeren dienst. En daarnaast voel ik me nog steeds ongemakkelijk. Het komt nog wel, beloof ik. Mijn mimiek suggereert dat het een geweldig verhaal vol emoties is, het wachten waard.
‘Wat is dat?’ vraag ik, naar de zak wijzend.
Meneer Lipstick haalt de schouders op.
‘Een cliënt,’ antwoordt Lipstick gelaten, de zak vastklemmend met de schoen.
Naast webcams werkt Meneer Lipstick ook in het veld, de laatste tijd voornamelijk in dominantie. Lipstick heeft graag contact met mensen, omschrijft zichzelf als extravert, kan dus niet alleen achter een beeldscherm zitten en pleit bovendien voor diversifiëring van inkomensstromen, want je weet maar nooit. Je weet maar nooit. Die raad van Lipstick neem ik ter harte, in het zachtste plekje van mijn hart. Bij de koffie buigen we ons vaak over wezenlijke levensproblemen. Meneer Lipstick heeft talent voor zaken, ik niet, dus krijg ik hulp om geen fouten te maken, zeker niet tweemaal dezelfde.
De hak wordt nu op willekeurige plekken in de zak geprikt, wat een luid gejank veroorzaakt. Ik vraag of ze daarnaast nog een ander communicatiesysteem hebben. In de zak blijkt een touwtje te zitten om aan te trekken. De touwtjestrek-taal kent een beperkt aantal begrippen (water, lucht en aarde, oftewel een harde stop), waardoor die makkelijk te leren is. Dat moet ook wel, want het is moeilijk om een taal te gebruiken vanuit een dichtgesnoerde ruimte, alsof je in een samengeknepen maag zit. Het touwtje is oranje zodat het goed te zien is. Bij zulke beperkingen hoeft de persoon in de zak maar bijzonder weinig beslissingen te nemen, hoe meer ik me in zijn positie verplaats, hoe rustiger ik me voel.
Meneer Lipstick dooft de sigaret tegen de vuilnisbak, knoopt dan een zwart ademmasker van de riem los en zet dat op. Aan het masker zitten verschillende buisjes, opzetstukken en kieuwen, wat er heel serieus uitziet, al vermoed ik dat de helft daarvan gewoon voor de sier is en het masker ooit voor een fetisj-sessie is gebruikt. Lipstick ziet eruit als een personage uit Mortal Kombat en ademt luid vanwege de vele filters. Uit de handtas haalt Lipstick een parfumflesje tevoorschijn en bespuit zichzelf royaal. We worden omgeven door de geur van vanille op vanille ingesmeerd met vanille, zelfs de zak moet ervan kuchen. Meneer Lipstick vraagt of ik ook wat wil, maar ik vind het genoeg om in de wolk te staan, er landen spetters vanillevreugde op mijn armen.
Er komt een politiewagen met een geluidsinstallatie aan, waaruit een bericht klinkt over verminderde luchtkwaliteit. Als hij dichterbij komt, laat hij de sirene hortend loeien, wat ons waarschijnlijk moet aansporen om toevlucht te zoeken in een afgesloten ruimte. Meneer Lipstick steekt een middelvinger op. Dat is een meer algemene boodschap voor de politie, want als ze weer doorrijden, buigt Lipstick zich bezorgd naar me toe en kijkt me van dichtbij in mijn ogen, op zoek naar tekenen van vergiftiging.
‘Meid, hoe kun je ademen?’ De stem die uit het masker komt, had vanonder een putdeksel kunnen komen, hij heeft een ondergrondse galm. Meneer Lipstick schudt het hoofd, afkeurend zo te zien.
Ik ruik niks bijzonders, zelfs de brandlucht is vervlogen, ergens hogerop zal het wel waaien, een andere richting op dan de onze. Demonstratief haal ik een paar keer diep adem. Daar zal ik vast last van krijgen, maar pas later. Er bestaat inderdaad een kleine kans dat mijn zus en ik in onze jeugd werden onderworpen aan rituelen waarbij gif van wilde dieren werd gebruikt om bij ons immuniteit op te bouwen tegen toxische stoffen – onze moeder zou daartoe in staat zijn geweest – maar zoiets kan ik me niet herinneren, dus ik maak me geen illusies.
‘Hier, bescherm ten minste je ogen. Je krijgt geen tweede paar.’ Lipstick doet de bril af en zet die op mijn neus.
De paars-roze glazen in het oranje licht zorgen ervoor dat het lijkt of mijn hoofd is ondergedompeld in een enorme zalm. Ik zie erg wazig, de brillenglazen van Meneer Lipstick zijn zo gekrast dat ze het effect geven van een sneeuwende tv. Als beschermingsmateriaal in beginsel ongemak veroorzaakt, voel ik me perfect beschermd.
Meneer Lipstick fronst tegen de zon en zegt stellig: ‘We zouden een schadevergoeding moeten krijgen van de regering.’ Lipstick heeft altijd een sterk gevoel voor wat hoort, voor wat fatsoenlijk is en wat niet.
Volgens Lipstick zijn er ooggetuigen, maar laat die voorlopig anoniem blijven. Ik open mijn mond, en doe hem weer dicht. De enorme gedaante van Lipstick golft tegen de lucht, de blonde haarpunten krullen op, lijken vingers die me wenken. Ik weet dat Lipstick geen ooggetuige kan zijn, omdat die tien uur per dag slaapt en tegen elven opstaat, en wie iets niet met eigen ogen heeft gezien, kan zich heel gemakkelijk vergissen.
‘Dat is duidelijk lekkende olie die iemand opzettelijk heeft aangestoken. In Pruszków vlogen er vanochtend zwarte duiven.’
Ik krijg een foto te zien die een groep vogelaars vanochtend vroeg heeft gedeeld. Met vogels erop. Nogal roetige, inderdaad. Iemand belde de milieupolitie en toen kwamen er mensen in plastic overalls en een antiterreureenheid. Ze stelden meteen een grote tankwagen veilig die op z’n kop lag, de weg is onbegaanbaar en is een kilometer in beide richtingen afgezet. Ze hebben de verrekijker van een ornitholoog in beslag genomen zonder een ontvangstbewijs af te gegeven. Fotograferen is verboden. Al deze informatie komt van alternatieve bronnen die Meneer Lipstick checkt, om niet op schijn en propaganda te hoeven vertrouwen.
Voor mijn voeten ligt een fantasierijke aardbeienklodder, iemand heeft zijn ijsje laten vallen, enorm sneu, alsof vreugde in zijn puurste vorm op de grond is beland en erin is getrokken, zo opgedroogd valt er niks meer te redden. Ik trap erop. De zool van mijn nieuwe slippers heeft een golvend patroon. Ik stempel aardbeiengolven op de stoep.
‘Je reageert niet op mijn berichten.’
‘Ik ben mijn telefoon kwijtgeraakt,’ leg ik uit.
Daarnaast zie ik er ook uit als iemand die sinds de ochtend al veel te verduren heeft gehad, dus wordt bij Lipstick de oudermodus geactiveerd en krijg ik de vraag waar ik die ben kwijtgeraakt en of ik hulp kan gebruiken. Ik voel iets van ongemak, een druk op de plek waar schuldgevoel zit. Ik had Lipstick niet ingewijd in mijn plannen, ik wilde mijn triomf helemaal voor mezelf houden, wat achteraf gezien dom is gebleken, alles is voor niks geweest en dan wek ik nu ook nog medelijden op. Ik heb een touwtje nodig waaraan ik kan trekken.
‘In het gras,’ zeg ik, want de optie om uitgebreid te kunnen antwoorden is uitgeschakeld bij me.
Ik ben vrij licht en de stoep begint te deinen, mijn benen willen niet stijf genoeg worden om onder deze omstandigheden het evenwicht te kunnen bewaren. Ik ben bang dat ik zo omval en ik kan niet eens voorzien welke kant op. Blijkbaar is dat zichtbaar, want Meneer Lipstick heeft het op tijd door, grijpt mijn elleboog en ondersteunt me. De straat draait nog eenmaal langzaam om me heen en valt dan weer op zijn plek.
‘Ik werd duizelig,’ zeg ik. Ik hap naar adem.
‘Zo vreemd is dat niet, je hebt dat gif geïnhaleerd.’
Ik concentreer me om mijn blik op één ding te richten, om te kalmeren. Het wordt de zak, die niet meer beweegt. Hij is omgevallen, slap geworden, er zouden nu net zo goed aardappels in kunnen zitten. Ik laat mijn tong over mijn tanden gaan. Meneer Lipstick zegt dat alles in orde is en ze mij hier niet alleen zullen achterlaten.
‘We zijn met de auto. We kunnen je ergens afzetten.’
(Het is een regenachtige dag, lente misschien. Ik prik wat in mijn kwarktaart en heb al een beter humeur, hoewel er de laatste tijd een hele reeks nare dingen is gebeurd: mijn zus laat weer niets van zich horen, een gast heeft films van me afgetroggeld en niet betaald, de keukenkraan is kapot. Meneer Lipstick stelt een uitje naar een kranenwinkel voor en montage, en geeft me ook een lippenstift cadeau, maak je niet druk, hij was in de aanbieding. We eten heel wat van die kwarktaart.
En dan wilde hij ook nog dat ik voor hem op een taart ging zitten, schiet me te binnen. Waarom komen ze nou altijd bij mij met van die wensen? Heb jij dat ook?
Lipstick verstijft met de espresso vlak bij de mond, waar dat rare kopje in zijn geheel in zou passen. We zitten bij het raam, een groot raam, om de zoveel tijd loopt er een totaal doorweekt persoon zonder paraplu voorbij. Vergeleken daarmee zitten we nog beter.
Misschien kleeft er inmiddels een label aan je. En na al die wortels, dildo’s van ijs en ensceneringen met gelei, wat stelt een taart dan nog voor?
Ik begin de kwarktaart nu achterdochtig te bekijken.
Een taart gaat me te ver.
Uiteraard, het gaat velen te ver. Maar voor je op deze planeet een zielsverwant vindt die bereid is voor jou op een taart te gaan zitten, moet je dat eerst aan veel mensen vragen. Weet je nog dat je video’s van National Geographic op jezelf projecteerde? Dat was mooi, maar bijna niemand werd er geil van.
Dat was een misser. Ik maakte er een filmpje van en maar één iemand kocht het. Eén op de hele wereld. Ik weet niet eens of die er blij mee was.
Interessant.
Mocht Lipstick hier al iets van vinden, dan kom ik er nu toch niet achter, die komt er op een avond of over een week wel op terug. Zo gaat dat vaak en dan moet ik het verband zien te vinden tussen toevallig aangesneden thema’s, zoals: onbetrouwbare klanten; gaan zitten op een taart; waar je suiker het beste mee kunt vervangen; de seksuele armoede van mannen en waarom die bestaat. Ik doe het niet expres, zegt Lipstick, maar die dingen zitten in verschillende laatjes in mijn hoofd en soms gaan er vrij veel tegelijk open en heb ik er geen controle over.
Lipstick neemt wat van mijn kwarktaart en beweert dat mensen graag betalen om te worden begrepen.
Ik ben niet zo vredelievend. Ik wijs erop dat mensen ook graag manipuleren, bedriegen en gratis content eisen.
Meneer Lipstick zucht. Slurpt van de koude koffie, zo zwart als een priesterkleed.
Ik heb een cliënt die graag opgesloten wil worden in een krappe ruimte, pas dan voelt hij bevrediging. Ik sluit hem op in een kast. In een slaapzak. Laatst hadden we het over een zak, dat hij dichtgesnoerd zou willen worden in een zak en zo door de stad wilde worden rondgereden. Misschien is zoiets op maat te bestellen. Alleen hoe krijg ik hem in die zak de straat op zonder ophef te veroorzaken?)