I
De buurman is aardig totdat hij begint te brullen.
Rennen is makkelijk totdat je buiten adem raakt.
Botten zijn sterk totdat je ze breekt.
Ziekenhuizen zijn gebouwen totdat je ze binnengaat.
Het lichaam functioneert goed totdat het het begeeft.
Kwallen leven eeuwig totdat iemand ze vangt.
Ik sta voor de verfwinkel, rook een sigaret en vraag me af of dit het jaar is waarin ik zal sterven. Ik bestudeer de markt aan de overkant van de straat. De verkopers zijn al begonnen met het inpakken van de waren van hun kraampjes. Aan de rand van de markt zit een viswinkel. Een groot aquarium met vissen die van links naar rechts, van links naar rechts zwemmen, wachtend tot iemand ze uitkiest. Wanneer iemand ze uitkiest, neemt hij ze mee naar huis, doet ze in bad en slaat hun kop in met een hamer. Zo deed mijn vader dat tenminste en mijn moeder gilde. Ik ben ervan overtuigd dat één vis mij aankijkt en haar mond opent, alsof ze zegt: om – om – om.
Ik bestudeer een man die op de viswinkel afloopt en door het glas naar de vissen staart. Ze zijn allemaal hetzelfde. Met zijn vinger wijst hij willekeurig een vis aan. Een hand aan de andere kant van het glas duikt de school in en haalt er een vis uit die spartelt en naar adem hapt. De medewerker van de viswinkel vraagt de man: “Is dat ’m?” De man kijkt niet eens naar de vis, knikt alleen en pakt het geld. Op dat moment is het beslist: van uitgerekend die vis wordt vandaag de kop verbrijzeld.
Terwijl ik kijk hoe de man de zak met de uitgekozen vis aanneemt, vraag ik me af: waarom juist die?
Misschien bevond die zich op het verkeerde moment te dicht bij het glas, of misschien zei die om anders dan de andere vissen of maakte die een te plotselinge beweging, waarmee die de aandacht op zichzelf vestigde; misschien keek die de man op de verkeerde manier aan of juist op de goede manier, of was die beter dan de andere vissen, of bleef die te ver achter bij de andere, of misschien was er gewoon een lege ruimte om de vis heen op het moment dat de man ernaar keek, of zou er morgen iemand komen die de kop verkeerd zou inslaan, waardoor die met helse pijn ook nog het bakken levend zou moeten ondergaan. Misschien. En misschien bestaat er helemaal geen reden waarom juist die vis in die zak is beland. Waarom juist die uit alle vissen is gekozen. Misschien is het gewoon zo. Toeval.
Dat zou het domste zijn.
Plotseling druk ik mijn sigaret uit tegen de muur van de verfwinkel.
De eigenaar komt naar buiten, een man van middelbare leeftijd met een buik als een zwangere vrouw, benen als een skelet en een grimas als een hyena. Een sympathieke man.
“Kom op, meiske, hoe lang kun je over eentje doen! Jonge longen, dat kan sneller!” grijnst hij en knijpt me in mijn wang. Hij is altijd nerveus en gehaast. En in de drie dagen dat ik hier werk, heb ik niemand gezien die trager is dan hij. Hij haalt sigaretten uit zijn zak en ik ga de verfwinkel binnen. Een krappe zaak, volgestouwd met emmers verf, op de muren waarvan enkele panelen met verschillende kleurenpaletten zijn bevestigd. Naast de tafel waarop de kassa staat, liggen verschillende verfbenodigdheden. Ik heb nog steeds niet onthouden hoe al die spullen heten. Ik ga naar de “werkplaats”. Zo is me verteld dat die ruimte heet. Een kleine kamer, een tafeltje, twee stoelen, een fauteuil. Aan de muur hangen een paar foto’s van een klooster, iconen en een foto van een naakte vrouw naast een Ferrari. In de hoek van de kamer staat een computer waarop altijd filmpjes worden afgespeeld van mensen die op “grappige manieren” vallen. Dat staat onder de video. Ik werp een blik op de emmer verf die op tafel staat. De eerste kleur die ik zelf heb gemengd. Die was bruin als stront.
Het is nog lang geen negen uur. Dan zit mijn dienst erop. Ik ga bij de computer zitten en kijk hoe mensen op grappige manieren vallen. Een man springt van een springplank in een zwembad, valt ernaast, recht op zijn rug. Een jongen loopt over een balk, glijdt uit, een stang boort zich in zijn kruis. Een vrouw neemt een aanloop in de woonkamer, springt, stoot haar hoofd tegen de deurpost en valt op de grond. Niets vind ik grappig. Ik spoel een paar keer terug en kijk opnieuw. Nog steeds vind ik niets grappig. Ik kijk hoeveel mensen de video hebben bekeken. Drieëntachtigduizend. Ik weet het niet. Misschien ben ik wel dom. De baas komt de werkplaats binnen en glimlacht wanneer hij ziet dat ik naar het filmpje kijk.
“Heb je die dikke bij het zwembad gezien? Godverdomme, ik heb in mijn broek gepist van het lachen. Wat voor idioten er bestaan, mijn god!”
Ik glimlach naar hem. Ik vind hem echt sympathiek. Wanneer hij vloekt, lijkt het alsof er iets seksueels in hem zit. Op de een of andere manier vloekt hij zo, agressief en toch nonchalant. Zou ik met hem naar bed gaan? Dat vraag ik me in de laatste tijd over veel mensen af, en daarna schaam ik me. Hij kijkt op de klok.
“Kom op, meiske, wegwezen! Wie koopt er nou nog verf om half negen ’s avonds?”
Ik doe mijn schort uit dat ik van thuis heb meegenomen. Dat vond de baas erg belangrijk tijdens het sollicitatiegesprek. Dat ik mijn eigen schort heb, hij kan niet voor alles zorgen. Zowel salaris als een schort. Hij kijkt naar het schort en knipoogt tevreden.
“Uitstekend schort, hé… kun je er voor mij ook zo een regelen?”
Het schort is roze, met bloemetjes. Ik bedenk dat een schort het enige kledingstuk is dat zijn buik zou kunnen bedekken.
Wanneer ik de straat op ga, is het alsof iets me raakt. Ik voel een golf van zomer. Het is negen uur ’s avonds en het is nog altijd aan het schemeren. Geluiden van verre stemmen, geraas en gelach. Ik draag korte mouwen en heb het warm. Om de twee jaar word ik overvallen door een roes en begin ik door de straat te lopen. Dan denk ik dat ik van het leven houd en de wind duwt me van achteren, mijn shirt plakt tegen mijn bezwete rug en de wind droogt me, ik kijk naar voorbijgangers in wie ik mijn eigen geluk projecteer, ongeacht hun gezichtsuitdrukking. Dit jaar kan ik me niet zo voelen, omdat ik een paar dagen geleden negentien ben geworden.
Dat is onder andere de reden waarom ik sinds vanochtend de hele tijd denk aan de schaafwond die ik vóór het werk heb opgelopen. Ik sprong over een roestig hek om de weg naar de verfwinkel af te snijden. Nu vraag ik me de hele dag af of ze mijn been zullen moeten amputeren of niet. Ik ben klaar met werken, het is zomer, en het irriteert me dat mijn handen zweten van de hitte, wat me verhindert om de huid op mijn dij goed strak te trekken om nog eens te controleren of de schaafwond alleen oppervlakkig is of dat ze is gaan bloeden. De schemering bemoeilijkt mijn, al geoefende, inspectie nog meer. Ik loop naar een etalage met schoenen en het neonlicht beschijnt mijn dij. Ik druk op de wond, nog steeds geen bloed. Ik denk erover om terug te gaan naar dat hek, hoewel het in een heel andere richting ligt. Ik zeg tegen mezelf: wees niet gek. Ik loop door, maar de angst vreet aan al mijn andere gedachten. Ik besluit toch terug te gaan.
Ik leg een paar kilometer af en kom uit bij het hek. Ik kijk naar het gaas waaraan ik me geschaafd heb en het lijkt niet echt verroest te zijn, alleen in het midden een paar roestplekken, zoals op sommige treinsporen. Heel plaatselijke roest. Ik kom tot de realisatie dat ik toch geen tetanus heb opgelopen, dus ga ik naar het tankstation om bier te kopen.
Nu ben ik rustig en onder invloed van de zomer. Ik ben te aardig tegen de chagrijnige vrouw die me leeg aankijkt terwijl ze het bier voor me afrekent. Ook van haar houd ik. Vrouw van het tankstation, ik hou van je, omdat het zomer is en ik mijn eerste zomerse biertje bij jou koop.
Ik ga op een bankje zitten dat uitkijkt over de rivier. Soms, als ik hier zit, heb ik zoveel wensen dat ik voel dat mijn lichaam beeft. Nu kijk ik alleen hoe auto’s over de weg rijden en verdwijnen. Ik bedenk me dat mijn enige redding een ritje met een van die auto’s is. Nu sta ik aan de kant en kijk enkel naar ze, en de redding bevindt zich, denk ik, daarbinnen. Voor mij zou de verlichte straat zich uitstrekken en de verkeerslichten zouden uitvloeien tot vlekken en vegen en ik zou voelen hoe de verwachting zich samenbalt in mijn buik. In die auto zou ik weten waar ik heen ga en het zou, en het zou, en het zou…
Het is pas tien uur. Ik heb de hele dag nog niets gegeten en het bier begint al naar mijn hoofd te stijgen. Of dat nu komt omdat ik dronken ben of me gewoon verveel, bel ik Viktor. Hij neemt gelijk op en zegt dat ik naar hem toe moet komen. Raar, maar geweldig.
Ik stap de tram in. Alweer roest op de zitplaatsen; ik besluit toch te blijven staan. Ik kom aan bij de voorlaatste halte en klim helemaal tot aan de top van de berg. Viktor is kort en vindt van zichzelf dat hij lelijk is. Een keer, terwijl we aan het zoenen waren, liep er pus uit zijn puistje, zijn ogen vulden zich met tranen, en ik werd toen pas echt verliefd. De moeder van Viktor is rijk. Ze is eigenaar van een keten apotheken. Viktor zegt dat hij haar het ergste toewenst, maar eigenlijk wil hij gewoon dat ze vaker thuis is. Zijn vader heb ik nooit ontmoet, maar dat is ook niet nodig. Ik weet dat hij hem sloeg. Hij greep Viktor bij zijn haar en sleepte hem over de vloer; als hij begon te huilen, werd het nog erger.
Ik was lang bezeten door de gedachte aan die scène. Ik beeldde me zijn vader in, op de enige manier waarop ik hem ken, van de familiefoto die ik in een oud fotoalbum heb gezien: Viktors moeder was toen nog jong en Viktor zelf nog maar een baby. In mijn gedachten smeet ik zijn vader door een ruimte met ruwe muren, ik trok zijn hoofd over de gipsuitstulpingen totdat er stukjes van zijn schedel aan bleven kleven.
Toen zijn moeder mij daarover vertelde, was ze dronken. Ze is vaak dronken, en ook Viktor is dat steeds vaker. Terwijl ze ruziën, kleuren hun gezichten hetzelfde paarsachtig rood, hun stem trilt op dezelfde manier, ze zeggen op dezelfde toon dezelfde dingen, maar ze kunnen elkaar onmogelijk begrijpen.
Als ik aankom bij de voordeur, is die van het slot. Zodra ik binnen ben, word ik opgewacht door Viktors kat. Hij heeft er een hekel aan dat zijn kat zoveel van mij houdt; hij wordt boos op haar als ze naar me toe komt als we ruzie hebben. Hij had er een hekel aan dat zijn moeder me zo aardig vindt en zo lief tegen me praat als ze koffie aanbiedt. Viktor heeft er een hekel aan als wie dan ook van me houdt, omdat hij bang is dat ik er dan achter kom dat ik hem niet nodig heb.
Viktor en ik zijn een jaar geleden uit elkaar gegaan. Sindsdien hebben we af en toe seks, iedere keer lijkt het alsof we weer bij elkaar zullen komen, maar dan herinnert Viktor zich hoeveel pijn ik hem kan doen en keren we terug naar het begin.
In de gang is het harde geluid van de televisie te horen. Zijn moeder is thuis. Ik besluit haar geen gedag te zeggen, maar direct naar Viktors kamer te gaan.
Ik adem diep in terwijl ik voor zijn deur sta. Mijn buik krimpt altijd ineen bij de gedachte dat ik hem ga zien. Het is het gevoel waarvan ik me voorstel dat ik het in die auto zou hebben. Verwachtingsvol open ik de deur, maar er is niemand in de kamer. Ik ervaar een koortsachtige teleurstelling. Meteen weet ik: hij is helemaal niet thuis.
Een ogenblik sta ik bevroren in de deuropening en dan ga ik de kamer binnen, laat me op het bed vallen, leun tegen de muur en kijk de kamer rond. Terwijl ik met mijn blik over de volgeplakte muren van zijn kamer ga, wil ik weten hoe lang hij nog van plan is me te straffen. Mijn blik blijft hangen bij een concertkaartje dat op de muur is geplakt. Daar zijn we samen heen geweest. Ik pak zijn mondharmonica op die naast het bed ligt, blaas erin. Er klinkt een treurig geluid dat me woedend maakt. Ik doe het raam open en gooi de mondharmonica diep de binnenplaats op. Ik hoop dat hij zal verroesten voordat hij hem vindt.
Ik ga op het bed liggen en kijk naar het plafond. Het beddengoed ruikt naar de wasverzachter die Viktors moeder altijd gebruikt. De geur doet me denken aan een zachte roze bloem waarvan de blaadjes worden losgerukt. Ik bedek mijn gezicht met het laken. Door de versleten stof schemert het licht van de hanglamp, die ik op een bijenkorf vind lijken. Wat zou ik tegen hem zeggen als hij nu de kamer binnenkwam? Hoe zou ik me gedragen?
Ik hoor een deur die zacht opengaat en het geluid van afgesleten schoenzolen. Viktor komt de kamer binnen; ik zie zijn warrige haar door de gaatjes in de stof. Ik haal het laken van mijn gezicht. Hij is niet verbaasd dat ik er ben.
“Het college duurde langer,” zegt hij.
“Ja hoor,” zeg ik.
Viktor lacht. Hij gaat naast me op het bed zitten. Onze blikken staan op het punt elkaar te kruisen wanneer de kat de deur opendoet. Ze spint en draait met haar staart rond Viktors benen. Viktor kijkt me aan om te controleren of ik jaloers ben. Ik pers mijn lippen samen en draai me op mijn zij om mijn reactie te verbergen. Ik schaam me ervoor, maar natuurlijk ben ik jaloers. Als het een kater was geweest, zou ik dat misschien niet zijn, maar zo ben ik dat wel. Ik ben jaloers en afgunstig. Per ongeluk kijk ik hem vanuit mijn ooghoek aan en geef hem daarmee het teken dat hij gewonnen heeft. Zodra hij mijn zwakte voelt, groeit zijn aanwezigheid opeens, vult de kamer en begint me te benauwen. De kamer wordt kleverig, ik raak de muur aan en mijn hand blijft plakken aan de gele harsachtige vloeistof die langs de muur naar beneden loopt. Ik kijk naar de hanglamp die op een bijenkorf lijkt, opeens begint het gele licht erin te knipperen. Ik kijk naar Viktor die met een geniepige glimlach de kat aait. Nu zit ze op zijn korte broek en knijpt ze haar pootjes samen en spreidt ze weer op de huid net boven zijn knie. Ik ben niet langer jaloers, maar nu is het te laat, alles wat ik doe zal worden geïnterpreteerd als een teken van zwakte. Ik probeer mijn hand uit de plakkerige massa te trekken, en Viktor voelt zich steeds groter en machtiger. Plotseling is er een angstaanjagend, doordringend geluid te horen dat lijkt op twee gedempte trommels. Ik kijk richting de hanglamp. Bliksemsnel doorboort een zwerm bijen de dunne kap van de lamp en komt op mij af. Ik zie al hoe ze mijn hele lichaam bedekken en in mijn oren, neus en mond kruipen. Hoe ze me verslinden en hoe ondraaglijk warm het is en ik steeds plakkeriger word en ik stik in de chaotische zoemgeluiden en de zachte bijenlijven. Ik sluit mijn ogen en bereid me voor op hun aanval, maar op het laatste moment veranderen ze van richting. Ik kijk door mijn wimpers. De bijen bedekken alle muren en beginnen ons in te sluiten. Ze bouwen gele plakkerige lagen overal op de muur. Langzaam verdwijnen alle concertkaartjes en posters, in plaats daarvan ontstaan er gaatjes en binnen de kortste keren ziet de hele muur eruit als de honingraat die mijn moeder me in bed gaf om op te zuigen voordat ik naar school ging. Nu is mijn arm tot de elleboog verzonken in de muur, ik kijk naar Viktor en zijn kat en besef dat we altijd al in een bijenkorf hebben gezeten.
Ik wil iets tegen hem zeggen om dit alles te doorbreken, om hem te vertellen dat ik niet langer jaloers wil zijn en dat ik wil dat we samen die verdomde kat aaien, maar een bij prikt in mijn tong en ik besef dat het misschien maar beter is dat hij niet is komen opdagen, ik sta op van het bed en verlaat de kamer.