Tot aan de volgende zomer barstte Luke van geluk omdat hij iets had gedaan dat zo belangrijk was. Hij had een plant gered die vrijwel zeker bestemd was die besneeuwde winter het kale hoofd van oom Toma te verwarmen. De boom groeide, ontwikkelde zich en Luke hoopte dat hij er binnenkort een paar kersen van zou kunnen plukken. Hij had gelezen dat een kersenboom pas in het vierde jaar vruchten geeft, wat voor hem onvoorstelbaar lang was. Maar de jaren leken als in een sneltrein aan zijn ogen voorbij te vliegen.
Niemand had zijn geheime boom ontdekt, maar die groeide niet zoals hij had gelezen dat het zou moeten. Hij was kleiner, zijn stam dunner dan verwacht en de kroon niet zo groot als in de boeken. Hij dacht dat dit kwam doordat hij een moeilijke start had gehad. De wereld had deze boom verstoten, uitgespuugd als een onvruchtbare pit in de greppel langs de weg, vergeten en nietig. Die lente zag hij na de bloemen hoe groenachtige, lichte vruchten zich verlegen tussen de bladeren verscholen. Ze werden steeds roder en roder en in de zomer donkerder. Na zo lang kon hij haast niet wachten zijn eigen, duidelijk vreemde soort kers te proberen, die niet leek op die in de tijdschriften noch op die in oom Toma’s wijngaard.
Flo was bij hem toen hij de eerste vrucht van de boom plukte. De kroon reikte bijna tot de top van het kleine kippenhok. Alles wees erop dat zijn geheim mogelijk binnenkort trots onthuld zou worden. Hij plukte het donkerrode bolletje van het steeltje en stopte het in zijn mond. De smaak was een mengeling van zoet en zuur. Tot dan toe had hij in zijn leven al kratten vol kersen op, maar zo een had hij er nog nooit geproefd. Er knaagde iets achter in zijn hoofd. Opeens dreunde er, om de een of andere reden, een zin van oom Toma van een paar jaar geleden door zijn hoofd: “Trouwens, er zaten ook een paar morellen tussen.”
“Mama, mama, mama!” weerklonk Lukes stem over het uitgestrekte erf. Hij rende terwijl Flo zigzaggend voor hem uit snelde en laag en hortend blafte. Om hen heen omhulde de warme zomerdag alles met zijn volle schittering.
Het huis binnenrennend via de hal riep hij: “Mama, wil je me alsjeblieft vertellen wat dit is?” Hij kwam tot stilstand en haalde diep en onrustig adem. In zijn hand hield hij een paar rode vruchten. Hij stelde nog eens dezelfde vraag aan het lege huis. Rennend stormde hij de keuken in, maar die was leeg. Flo snelde de trap op om de bovenverdieping te controleren, maar al gauw begrepen ze dat er niemand thuis was. De koelkast, schoot het hem te binnen. Maar daar hingen alleen oudere briefjes; in een beweging raapte hij ze bijeen en gooide ze in de prullenbak. “Waar is iedereen?” vroeg hij aan Flo, maar zij keek hem enkel aan, de kop scheef, zich waarschijnlijk hetzelfde afvragend.
Hij ging het huis uit maar wist niet waar hij heen moest. Ze zouden er allemaal moeten zijn, behalve vader misschien als hij wat werk te doen had op het land. Vandaag is de onofficiële eerste dag van het zwemseizoen in de kanalen, maar het kwam zelden voor dat mensen er in die eerste dagen naartoe gingen; normaal wachtten ze tot het nog wat warmer werd. Volgens een welbekend verhaal was er een man die tijdens die prille zomerdagen – en dat jaar was het eind mei al snikheet – op de terugweg van de akker in een kanaal sprong omdat hij de hitte niet langer kon verdragen. Na twee dagen vonden mensen zijn tractor naast het kanaal, eenzaam en met wijd openstaande deur, al gauw haalden vissers zijn lichaam los dat vastzat in het riet. Het water had hem, samen met zijn hart dat stilviel op het moment dat het het water raakte, stroomafwaarts gevoerd, helemaal tot aan het meer. Naar verluidt was die dag, ter ere van hem, uitgeroepen tot de eerste dag van het zwemseizoen, ook al had Luke nog nooit iemand in die periode het water in zien gaan.
Het schooljaar was afgelopen, dus had hij geen idee waar zijn broer en zus konden uithangen. Hij dwaalde altijd over de paadjes van zijn eigen wereld, maar hij was zich bewust van hun aanwezigheid in huis en op het erf. Mama was, als ze niet in haar naaiatelier in het dorp was, altijd iets aan het doen in huis en haar vrije tijd bracht ze graag door tussen de bloemen in haar tuintje. Plots voelde Luke zich ongemakkelijk en verward. Alsof de leegte van het grote landgoed opeens op zijn schouders drukte.
“Flo, ik heb geen idee waar iedereen is,” zei hij terwijl hij in de verte keek, op zoek naar een menselijke gestalte. De hond jammerde diep uit haar keel en ging naast hem zitten.
Ze wachtten een tijdje op het erf. Luke probeerde met Flo te spelen, hij gooide een stok en haar lappenbal, maar dat duurde niet lang; ze waren allebei ongerust omdat er niemand was. In vaders werkplaats bekeek hij kort zijn beste houten zwaard en probeerde te bedenken wat hij er nog aan kon verbeteren, omdat perfectie altijd nog wat werk vraagt, en dan nog een beetje, zonder dat er ooit een einde aan komt. De hele tijd wierp hij blikken over zijn schouder naar de poort en luisterde of hij iemand uit de verte hoorde aankomen. Hij werd te ongeduldig. Er waren al een paar uur verstreken, maar van niemand was er een spoor te bekennen. Het was niet verstandig om op een van de naburige erven te gaan kijken. Het begon al donker te worden, en een van de belangrijkste regels van alle gezinnen in de buurt was dat kinderen niet alleen in het donker op pad mochten.
De nacht viel en verdreef geleidelijk het licht uit de lucht. Luke ging met Flo het huis binnen. Hij had honger, dus at hij wat ham en brood, en Flo kreeg de restjes van het avondeten van gisteren. Vervolgens goot hij koude melk over zijn maaltijd en bladerde op de vloer van de woonkamer in het tijdschrift van zijn vader dat daar lag. Flo was naast hem ingedut, en op een bepaald moment dekte hij hen allebei toe met een deken en ze vielen in een diepe slaap. De slaap was onrustig en zwaar, hij schrok telkens wakker. Op een gegeven moment sprong hij overeind, omdat hij dacht dat hij iets hoorde. Flo keek hem alleen rustig aan alsof ze wilde zeggen: “Rustig maar, kleintje, ik waak wel.” Hij aaide haar over haar kop en oren, ging op de bank liggen en viel opnieuw in slaap, en zij krulde zich bij zijn voeten en sloot zich weer bij hem aan.
Hij droomde dat hij aan de oever van een kanaal stond. Hij wist niet hoe hij daar was gekomen. Het enige wat hij deed was staan en kijken naar het zachte en enigszins mistige ochtendlicht. Het oppervlak van het water was volmaakt kalm, als een soort duistere spiegel. Hij zag zijn weerspiegeling en iets naast zijn voeten. Langzaam, alsof de tijd een paar keer trager verliep, keek hij opzij en op de grond zag hij een gevlochten mand vol morellen. Ze waren rood en donker, alsof ze ieder moment konden barsten van rijpheid en hun sap in het kanaalwater konden laten stromen. Hij tilde de mand op door haar bij de handvatten vast te pakken, en die leken wel gevlochten van iemands bruine haar in plaats van wilgentakken. Er zaten zo veel morellen in dat ze van bovenop de stapel begonnen te vallen terwijl hij haar optilde. Ze rolden, een voor een, en spatten op het wateroppervlak. Luke werd opeens bevangen door een enorme angst, en hij wilde zo graag deze sappige morellen proberen. Waarschijnlijk zouden ze een van de lekkerste dingen zijn die hij ooit had geproefd. Plotseling kieperde hij de mand om en het troebele water slokte elke morel op die het oppervlak raakte. Ze verdwenen ergens in de diepte.
Alles begon wit te worden. De lichte ochtend verdreef de magere mist en hulde alles in het wit. Er was zoveel licht dat hij zijn ogen niet langer open kon houden. Hij sloot ze abrupt en pijnlijk en hoorde hoe Flo in de verte blafte. Er is iets aan de hand, dacht hij. Ergens is er iets aan de hand. Flo was de beste waakhond die hij ooit had gezien en als zij alarm slaat, kun je maar beter reageren! Hij opende zijn ogen en zag hoe ze op haar achterpoten stond. Ze keek door het raam van de woonkamer naar het voorste stuk van het erf en de poort. De hele ruimte werd beschenen door een fel wit licht; alsof er een vreemde kunstmatige ochtend was aangebroken onder lampen die de zon hadden vervangen. Hij sprong overeind en op dat moment stak iemand luidruchtig de sleutel in het slot en stormde door de voordeur naar binnen. Vader stond op de drempel tussen de hal en de rest van het huis. Een donkere gedaante in besmeurde werkkleding, alsof hij net van het land kwam. Zijn gezicht was nat en zijn ogen rood.
“Luke, jongen, gaat het goed met je? We zijn je komen halen, iedereen is allang in het ziekenhuis…” Het lukte hem niet zijn zin af te maken, hij begon te snikken en probeerde zich met moeite te beheersen.
Luke keek zijn vader verward aan. “Er was de hele middag niemand. Waar waren jullie allemaal? Wie ligt er in het ziekenhuis?”
“Je zus,” hij stopte even. Hij vond een restje kalmte in zijn ademhaling en vervolgde: “Ze ging naar het kanaal. Ze is er niet meer, Luke. Ik denk dat ze er niet meer is.” Terwijl hij dat uitsprak, zag Luke zijn vader voor het eerst in zijn leven voor zijn ogen breken. Flo blafte en ging naar hem toe terwijl hij huilde. Hij had zijn vader nog nooit eerder zien huilen, hij wist niet hoe dat eruitzag.
Een vriend van zijn vader reed hen naar het ziekenhuis. Luke wilde Flo meenemen, maar ze zouden haar daar toch niet toelaten, dus lieten ze haar thuis. Hij deed water in haar bak voordat hij wegging. Terwijl ze over de door de nacht omhulde landweggetjes reden, was de stilte in de auto te sterk. Ze dreigde hen allemaal te verstikken en langs de weg achter te laten. Alleen het brommen van de motor was te horen en af en toe een poging van vader om zijn snikken te onderdrukken.
De vriend redde hen van de zware, onheilspellende stilte en legde Luke uit wat er gebeurd was: zijn zus was met een paar vriendinnen en vrienden naar het kanaal gegaan. Ze wilden de vloek verbreken en het zwemseizoen openen, had een van de vriendinnen tussen haar tranen door uitgelegd. Ze zwommen en alles was in orde, maar opeens kon niemand zijn zus meer zien. Ze riepen en zochten haar. Op een bepaald moment zag een van de vrienden luchtbelletjes in het midden van het kanaal en sprong in het water. Toen hij bij haar aankwam, dreef ze met een rustig gezicht, met één been verstrikt in de onderwaterplanten, alsof ze samen met de kanaalbodem danste in een gelijkmatig en onafgebroken ritme. Nog een vriend en een vriendin schoten te hulp en met z’n drieën kregen ze haar nauwelijks los van de bodem. Mond-op-mondbeademing en reanimatie hielpen niet en een van hen ging met de fiets hulp halen. Ze werd naar het ziekenhuis gebracht, maar daar was geen redding meer mogelijk.
De koude ziekenhuisgangen vol tegels en witte muren waren grotendeels verlaten. Er hing een vreemde stilte. Zo nu en dan werd die doorbroken door het getik van houten klompen in de verte. Luke keek naar de vloer die was bedekt met lichtgroene tegels. Zijn moeder zat naast hem, zijn broer sliep op het bankje met zijn hoofd in haar schoot en vader zat tegenover hen. Hij kon hen niet aankijken. Af en toe gleed zijn blik naar zijn broer, wiens slapende en, al was het maar tijdelijk, zorgeloze gezicht hem tot rust bracht. Ze wachtten tot ze het lichaam van zijn zus in ontvangst konden nemen, zo had Luke de dokters horen vertellen.
Een dokter die, alsof hij uit een kelder kwam, met een bleek gezicht en uitpuilende ogen onder een groenachtig nylon kapje, zei dat ze maar even hoefden te wachten en dat alles snel gereed zou zijn. Wat zou er gereed zijn, vroeg hij zich af. Het gezicht van de dokter wees erop dat hij deze of een vergelijkbare zin al talloze keren had uitgesproken. Net als wanneer je luistert naar een priester die voor de duizendste keer op een dag amen of een gebed uitspreekt, en je niet anders kunt dan je afvragen of hij werkelijk gelooft in die woorden terwijl hij ze zegt, flets, gehaast en afgesleten.
De maalstroom ging te snel. Alles gebeurde zo spontaan en georganiseerd alsof iedereen dagelijks met de dood te maken heeft en precies weet wat er moet gebeuren. Een paar mensen van het uitvaartcentrum wachtten al in de ontvangsthal van het ziekenhuis, en niemand had hun nog iets laten weten. Op Luke maakten ze de indruk van aasgieren uit een tekenfilm, maar hij kon zich niet herinneren welke. De vrienden van zijn zus waren naar huis gegaan; ontredderd verdwenen ze een voor een vanuit het ziekenhuislicht de nacht in. Vader en moeder hadden zijn zus nog altijd niet geïdentificeerd en aan de dokter uit de kelder bevestigd dat zij het was. Alles om hen heen draaide en voltrok zich met een onvoorstelbare snelheid, en nog altijd had niemand bevestigd dat zijn zus daar lag.
Luke voelde in zijn zak een paar bolletjes die hij onbewust tussen zijn vingers rolde, terwijl hij naar een barst in de vloer naast zijn voeten keek. “Trouwens, er waren daar ook een paar morellen,” ging het opnieuw door zijn hoofd. Hij keek naar zijn moeder, die ergens in het niets verloren was: “Mama, zeg me alsjeblieft wat dit is?” Uit zijn zak haalde hij een donkerrode vrucht en reikte die haar aan.
Zonder erbij na te denken nam ze het van hem aan en stopte het in haar mond. Ze beet erin en sloot langzaam haar ogen. “Dit is een morel, jongen,” zei ze zacht, met een stem die afgemat was van het huilen. “Hoe kom je daaraan?”
“Er staat een boom achter het kippenhok. Ik heb hem een paar jaar geleden geplant en er in het geheim voor gezorgd. Hij was dood, maar is weer tot leven gekomen,” terwijl hij het uitlegde merkte hij hoe het gezicht van zijn moeder zich vertrok van pijn bij de woorden “dood” en “tot leven gekomen”, dus ging hij snel verder: “Ik dacht dat het zoete kersen waren. Vandaag heb ik ze voor het eerst geproefd, maar ze leken helemaal niet op kersen.”
“Heb je dit gehoord?” vroeg zijn moeder, terwijl ze haar blik naar vader opsloeg. “We hebben achter het kippenhok een morellenboom die voor het eerst vrucht heeft gedragen.”
Vader hief zijn hoofd, keek naar haar, toen naar Luke en vervolgens naar het kalme, slapende gezicht van zijn broer. “Heb je er ook één voor mij?” vroeg hij, en er rolden weer tranen over zijn gezicht.