Ik hou het kort. Vierentwintig. Mijn leeftijd. Half Hongaars en half Italiaans. Geboren in Napels. Opgegroeid in Udine. Voor de niet-Italianen voeg ik eraan toe: in de buurt van Venetië. Ook voor sommige Italianen trouwens. Iets noordelijker eigenlijk, in Friuli-Venezia Giulia, in het noordoosten. Wijn, scheldwoorden en nog betere stereotypen. Ik vind het vervelend om te zeggen dat ik half Italiaans en half Hongaars ben. Ik zou beter kunnen zeggen dat ik volledig Napolitaans-en-Hongaars ben. Ik heb geen bijbedoelingen. Ik laat de mogelijke redenen achterwege waarom ik de woorden ‘Italiaans’ en ‘half en half’ vermijd. Ik bundel hier wat persoonlijke gegevens zodat ik die later niet achteloos hoef te onthullen. Er zal een ei op de trap liggen, maar eerst komt er een komedie over eenzaamheid. Een wanhopige, kinderlijke tragedie. Een liefdesverhaal. Pretenties, grootstedelijke gedachten, onmatigheid, pogingen tot revoluties zonder risico en het verlangen om alles aan te raken, zoals ik als kind altijd deed, toen ik de videorecorder kapotmaakte met mijn vingers. Ik ben aan het uitweiden. Er zal een ei op de trap liggen. Normale kindertijd. Ik pest niemand, word niet gepest. Ik ben lang. Bruin in de zomer. Groen in de winter. Wit, man, cis, hetero, met alle beroerde bagage die daarbij hoort. Ik vraag me af of het belangrijk is om dat te benadrukken, maar ik weet het antwoord niet. Ik probeer een oprechte inleiding te schrijven.
Ik denk erover na. De ongunstigste hypothese is dat ik gewoon graag laat merken dat ik me bewust ben van mijn privileges, en dat ik mijn intelligentie idealiseer. De gunstigste hypothese is dat het de trieste, defensieve houding is die ik aanneem ten opzichte van mijn tegenstrijdigheden. Ik onderken mijn privileges en koester ze. Ik ga door. Nog even. Dan begin ik, echt waar. Er zal een ei op de trap liggen, maar eerst: Bologna. Ik studeer aan de Academie voor Schone Kunsten en gedurende een heel kalenderjaar kom ik mijn bed niet uit. Dat is een symptoom van de depressie die ik nauwgezet heb overgenomen van alle leden van mijn familie. Ik begin me minder eenzaam te voelen als ik besef dat de mensen om me heen bestaan en van me houden. Ik ben afgestudeerd en heb geen specifieke levensplannen in het vooruitzicht. Ik wil graag regisseur worden. Mijn moeder komt uit Boedapest (zoals ik al zei: Napolitaans-en-Hongaars). Meestal ben ik daar in de zomer drie weken. Die zijn nu al voorbij. Augustus loopt ten einde. Mijn oma woont in een bejaardentehuis, haar appartement staat leeg. Uiteindelijk heb ik het nog niet zo slecht in mijn eentje. Na vier jaar in een tweepersoonskamer die onophoudelijk overspoeld werd door gasten en huisgenoten, vind ik het een opwindend idee om mijn dagelijkse leven uitsluitend naar mijn eigen zin in te vullen, het ideaal van een stralend evenwichtig, rustig leven te delen met alleen mijn ego. Ik weet niet of het gezond is. Ik wil het wel proberen. Ik besluit daar te blijven. Ik ga beginnen.
BUMBLE GAME EN DE MAGISCHE FLUIT
Ik heb geen vrienden buitenshuis en ik heb geen internet binnenshuis. Ik heb tien gigabyte mobiele data tot mijn beschikking. Elke ochtend rinkelt de socialistische vaste telefoon stipt om acht uur. Mijn oma weet dat ik in haar appartement woon. Ze belt om te vragen of ik wakker ben. Het is een dienst die ik graag benut om een bepaalde toon en een bepaald ritme aan te nemen. Ik antwoord altijd ja en zie ervan af om haar op de vanzelfsprekendheid van de vraag te wijzen. De socialistische parketvloeren onder de socialistische tapijten kraken terwijl ik me moeizaam naar de krappe socialistische keuken sleep. Ik zet Lavazza-koffie. Mijn moeder zet die in de voorraadkast, voor het geval dat. Dat is typisch iets voor haar, ook in het leven. Ik ontsteek het socialistische fornuis met een lucifer die er socialistisch uitziet, maar gewoon van de Spar is. Het is opmerkelijk dat de ontwerpen op lucifersdoosjes nooit zijn geëvolueerd. Ik nip van mijn koffie zonder melk of suiker. Dan ga ik met het krukje op de galerij zitten, waar ik de eerste sigaret van de dag rook terwijl ik een sudoku oplos op mijn telefoon. Ik druk de peuk uit in de asbak en beloof mezelf dat ik die de volgende keer zal leegmaken. Ik ga poepen in het minuscule socialistische wc-hokje waar geen bidet is. Ik trek aan de ketting om door te spoelen en waggel met mijn onderbroek om mijn enkels door de gang naar de badkamer, waar ook geen bidet is. Ik maak mezelf grondig en plechtig schoon in het bad. Dan ga ik de deur uit. Met de socialistische lift ga ik naar beneden. Daar zwaai ik de deur van het gebouw open en bewonder Ferenc tér, een plein in de wijk Ferencváros, het negende district, dat van mij (en dat van mijn oma en mijn moeder). Ik ga zitten op mijn favoriete bankje om verbinding te maken met een openbaar wifi-netwerk. Ik stuur e-mails naar alle bureaus, productiehuizen of personen die iets te maken hebben met de Hongaarse filmindustrie. Ik maak geen onderscheid en de inhoud is bijna altijd hetzelfde.
Hallo, sorry dat ik je lastigval. Ik ben bla bla, ik heb bla gestudeerd en bla gedaan en dit is mijn situatie. Ik wil graag regisseur worden. Help me als je kunt. Ik stel het ook al op prijs als je een advies voor me hebt. Heel erg bedankt, echt waar. Bla bla, nogmaals bedankt.
Ik hou me ongeveer anderhalf uur bezig met dit nauwgezette en uitputtende kopieer- en plakwerk. Sommige zinnen pas ik zo nodig aan, afhankelijk van hoe goed ik de persoon ken aan wie mijn wanhopige verzoek om hulp is gericht. ’s Ochtends wordt het plein bezocht door wandelaars, honden en kinderen die worden vergezeld door die honden of wandelaars. Er is een soort verlaten krantenkiosk, er zijn houten picknicktafels, een speeltuin waar kinderen klauteren en een fontein. Verder zit ik er e-mails te versturen en er is een dame die een paar bankjes verderop zit te bellen. Ik ben bang dat ze het op mij gemunt heeft. Ze kijkt al een week lang indringend naar me. Ik doe alsof ik niets in de gaten heb. Ik grijp terug op een verloren verlegenheid, de gêne van het plezier om te fantaseren en meer niet, in gedachten met iedereen neuken en genieten van mijn absolute afwijzing van elke sociale interactie. Ik ben klaar voor vandaag, mijn vingertoppen zijn moe. Ik geef mezelf een paar klappen op mijn dijen en begeef me naar Mester Gyorsétterem, een Hongaars fastfoodrestaurant. Daar spendeer ik gemiddeld zeventienhonderd forint voor een kom rijst en de soep van de dag. Om de dag gun ik mezelf rántott trappista sajt, een plak gepaneerde en gefrituurde kaas, en een bakje uborkasaláta, komkommersalade. Ik bestel in het Hongaars bij de Chinese eigenaar. De voldoening is onbetaalbaar als de transactie verloopt zonder herhalingen, twijfelende blikken of misverstanden. Mijn bankje kijkt precies uit op de hoofdingang van mijn flatgebouw. Er staat een klein, hellend borstbeeld voor van József Attila, een Hongaarse dichter. Ik ga weer even zitten, alleen om een aflevering van een willekeurige tv-serie te downloaden om me gezelschap te houden tijdens het eten. Het is de enige vorm van vermaak die ik me kan veroorloven om snel te downloaden dankzij de mysterieuze verbinding die het plein biedt. Het eten blijft toch warm in het nylon zakje. Als de download is voltooid, sta ik op en toets de code in bij de hoofdingang. Sleutels zijn niet nodig. Ik ga met de lift naar beneden, maar neem altijd de trap naar boven. Misschien zou het logischer zijn om het andersom te doen.
Sudoku’s zijn verslavend. Ik heb een record van drie minuten en zevenentwintig seconden neergezet in de modus ‘Difficult’. Er zijn ook de modi ‘Expert’ en ‘Giant’, maar ik speel ‘Modest’ en ‘Ritual’. Na de lunch ga ik op de socialistische bank liggen, niets meer dan een hard bed in de woonkamer, bedekt met een dikke wollen deken die kriebelt. Ik open Bumble. Ik scrol door foto’s van vakantievierende meisjes en Hongaarse studentes. Die eerste groep oppert extravagante, buitensporige toeristische uitstapjes, dat irriteert me en ik heb er geen geld voor. De andere groep reageert nooit op me. Op Bumble mag de jongen het gesprek niet beginnen en dat is maar goed ook, want als ik langer dan tien seconden over een openingszin zou moeten nadenken, zou ik het initiatief tamelijk ontmoedigd opgeven. Ik heb al tweeënhalf jaar geen seks gehad. Sinds ik in Bologna woonde. Nog voor dat jaar dat ik in bed doorbracht. Sinds ik een relatie had met Elena, die nu mijn beste vriendin is. Ik heb zelfs nog de tijd gehad om een geweldige vriendschap op te bouwen met Dario, haar nieuwe vriend. Feit is dat ik zelfs dat greintje zelfvertrouwen ben kwijtgeraakt dat nodig is om fysiek contact te hebben. Ook al is dit volgens mij enkel een idiote uitspraak om niet te hoeven schrijven dat ik het in een vlaag van wanhoop een paar keer heb geprobeerd, maar dat de toestand van mijn erectie het niet toeliet. Maar het is helaas wel waar dat ik helemaal geen interesse meer heb om nieuwe mensen te ontmoeten. Volgens mij wil ik uiteindelijk alleen maar in staat zijn om seks te hebben. Ik ben me bewust van een soort blokkade, maar ik onderdruk elk gevoel van urgentie om die op te lossen. Het kom bij lange na niet zover dat ik me uitkleed in het bijzijn van iemand anders. Zodra zich ook maar een minieme kans voordoet, voer ik een weloverwogen plan van zelfsabotage uit. Ik barricadeer wegen nog voordat ze geasfalteerd zijn. Ik gebruik Bumble zonder veel overtuiging, als een tijdverdrijf in ruil voor fantasieën, een uitputtend spel dat me melancholisch maakt tot in het diepste van mijn wezen. Het Hongaars kan ik redelijk goed verstaan, als ik ernaar luister. Praten lukt me aardig. Lezen ben ik aan het leren. Het is ingewikkeld, het alfabet telt tweeënveertig letters. Als iemand me in het Hongaars schrijft, antwoord ik in het Engels. Dan komt er maar zelden een vervolg. En dan sluit ik Bumble weer.
In je eentje drinken is vermoeiend. Ik wandel langs de Donau naar de Petőfi-brug. Het goedkoopste bier is Kőbányai, het bier van de bouwvakkers. De nasmaak doet een beetje denken aan die van klei en past perfect bij de bittere toetsen van ijzeroxide. Maar vandaag verwen ik mezelf, ik drink de Soproni Ipa. Driehonderdnegentig forint. Eén euro voor een halveliterblik. Ik besluit op het gras te gaan zitten, ondanks mijn gebrek aan lichamelijke flexibiliteit. Ik neem verwrongen houdingen aan. Ongemakkelijk staar ik naar de rivier die onder de lichtjes en de art-nouveaugebouwen van Boeda stroomt. Ik drink totdat ik de geuren van de stad kan onderscheiden. Totdat mijn smaakpapillen genoeg geprikkeld zijn om de lucht die ik inadem en de tabak die ik rook te proeven. Totdat ik me zo overweldigd voel dat mijn traanklieren onherroepelijk worden gestimuleerd. Totdat ik het gevoel krijg dat ik zo ver van de anderen verwijderd ben dat ik serieuze twijfels krijg over mijn alcoholverslaving en, meer in het algemeen, over het feit of ik wel gezond leef. Totdat het donker wordt. Totdat ik moet huilen. Totdat ik mijn moeder wil appen. Sinds ik hier woon, voel ik me alleen met haar verbonden. En toch app ik haar nooit. Er verschijnt een melding van Bumble op mijn telefoon. Een match met Vanessa, haar bio: filmmaker. Geen berichtje. Roni Abc is een keten van kleine supermarkten in heel Hongarije die 24 uur per dag open zijn. Ik ga er naar binnen en trakteer mezelf op een laatste blik met de laatste forinten die ik nog op zak heb. Ik zwaai naar de Donau zoals ik dat als kind deed, wanneer ik terugkeerde naar Napels. Nu keer ik terug naar Ferenc tér.
Een gestalte neemt aarzelend plaats op mijn bankje. József Attila heeft het niet goed bewaakt. Hij kan mij niet meer verdragen. Ik ben jaloers, ik loop dichterbij om te ontdekken met wie hij me bedriegt. Het is de vrouw die me al een week lang elke ochtend aanstaart. Torenhoge zwarte laarzen. Ellenlang donker haar. Zestig vermoeide jaren die me aankijken met de duidelijke bedoeling om me te vast te grijpen. Het probleem is dat ik het verharde pad ben ingeslagen dat langs haar heen loopt, en ik kan ook niet via het bloemenperk ontsnappen omdat de sproeier net is aangegaan. Ik doe mijn ogen dicht om mijn gehoor uit te schakelen. Nee, het werkt niet, het heeft geen zin. Ik zou me hooguit omdraaien, doen alsof ik een beetje verstrooid ben en iets ben vergeten, misschien met een theatraal gebaar, bijvoorbeeld door mezelf een tik tegen mijn voorhoofd te geven. Maar het is al te laat. Ik loop langs haar heen in de hoop dat ze me negeert.
‘Sorry, heb je een aansteker?’ begint ze vol overtuiging in het Hongaars. Ik blijf staan en geef haar glimlachend mijn aansteker aan. Ze steekt haar sigaret op.
‘Dit is jouw bankje.’
Ja, dat is mijn bankje.
‘Ja, dat is mijn bankje,’ begin ik vol overtuiging in het Hongaars.
‘Jij zit hier altijd.’
Ze geeft de aansteker niet terug.
‘Ik woon daar achter.’
Ik heb het in het Engels gezegd, met wat willekeurig handgebaren.
‘Waar kom je vandaan?’
‘Uit Italië, maar mijn moeder komt uit Boedapest.’
Eigenlijk ben ik Napolitaans-en-Hongaars.
‘Ik woon ook hier achter. Bij een vriend in huis.’
‘Het is hier fijn wonen.’
‘Ja, maar vannacht wil ik niet bij hem slapen. Ik vind hem een beetje opdringerig.’
Ik krijg het voor elkaar om de stilte te accepteren waardoor ik een volkomen nutteloze en irritante vorm van ongemak creëer.
Ze vervolgt: ‘Maak je geen zorgen.’
Ik zeg niets.
‘Het is geen ramp.’
Ze herhaalt het ook in het Engels, glimlacht dan bedroefd, en ik trek hetzelfde gezicht. Ze wil mijn aansteker niet teruggeven.
‘En bij wie woon jij?’
‘Bij mijn oma.’
Ik betast nerveus mijn broekzakken.
‘Ze wacht op me trouwens, dus ik moet gaan.’
Ik wijs in een richting waar ik niet heen hoef. Ik schenk haar een geveinsde, hartelijke glimlach. Ze reageert met een terneergeslagen moedeloze blik die me het gevoel geeft dat ik tekortschiet. Vol schaamte loop ik een paar meter door, maar dan roept ze me terug.
‘Wacht, je aansteker.’
Ik ga terug zonder op te kijken, zonder haar aan te kijken. Deze interactie heeft me zo onrustig gemaakt dat ik de aansteker ruw aanpak en alleen maar zeg: ‘Bedankt, sorry.’
Maar waarom verontschuldig ik me? Ik bijt op mijn tanden en loop door. Ondertussen stel ik me haar naakt voor. En terwijl ik me haar naakt voorstel, bedenk ik dat het geen hulpkreet kon zijn. Om er zeker van te zijn, moet ik het nog drie keer tegen mezelf herhalen. Eén: het was geen hulpkreet. Ze wilde met me naar bed. Twee: het was geen hulpkreet. Kan ze niet ergens anders slapen? Drie: het was geen hulpkreet. Ik probeer op een ander bankje te gaan zitten: het is niet hetzelfde.
Thuis bedenk ik dat Engels met een Hongaars accent echt grappig klinkt. Het doet me denken aan dat van mijn moeder. Ik kleed me uit en duik in het lege bad in de socialistische badkamer. Ik zet de boiler aan en wacht tot het water bloedheet wordt, zodat de ruimte zich vult met stoom en ik me zowat verbrand. Ik zeep mijn hele lichaam zorgvuldig in. Ik kom bij mijn pik. Resoluut verdring ik de gedachte aan mijn moeder en concentreer me op de vrouw die me ’s ochtends aanstaart. De torenhoge laarzen. Het ellenlange haar. Dat vermoeide gezicht. Zwetend trek ik me af.