Hoofdstuk 2
Stern schoot overeind en ging rechtop in bed zitten. Hij was wakker geschrokken van zijn eigen geschreeuw. Door de gang klonken snelle voetstappen, de deur ging open en in de verblindende lichtstreep die de kamer binnen viel verscheen het hoofd van zijn vader – gekleed voor zijn werk en gladgeschoren – die wilde weten wat er met zijn liefste (en door omstandigheden enige) zoontje was gebeurd. Stern zat verward op bed en probeerde zich te herinneren wat er net in die nare droom was gebeurd. Sterns vader begreep dat hij er niet met een snel vraagje van af zou komen. Hij ging op zijn sokken naar binnen en ging op de rand van het bed zitten. ‘Ik ben er, ik ben er.’ Toen directeur Stern de jongen over zijn haren wilde strelen, zwaaiden zijn mouwen, die nog niet door zijn manchetknopen bij elkaar werden gehouden, ongedisciplineerd heen en weer. De directeur streelde zijn zoon onhandig, zoals vaders die geen tijd hebben dat doen, en voegde er het gebruikelijke aan toe: ‘Alles is nu in orde, toch?’ Stern knikte. ‘Wil je me vertellen wat je gedroomd hebt?’ ‘Kan ik niet,’ antwoordde de jongen. ‘Waarom niet?’ ‘We moeten wachten tot twaalf uur. Anders komt de droom uit.’ Zijn vader trok een zuur gezicht en zei: ‘Je moeder heeft je weer dingen wijsgemaakt, met dat bijgeloof van haar.’ De jongen gaf geen antwoord. Hij wist dat het zinloos was om de koppige directeur uit te leggen dat dromen gewoon niet voor twaalf uur verteld mogen worden, tenzij ze prettig zijn. Zijn vader kneep hem zachtjes in zijn wang, schrok recht en riep: ‘Ik ben vreselijk laat!’ Daarna verdween hij in de hal, waar hij wellicht zijn jas aantrok en zijn schoenen zocht. De auto die hem naar het vliegveld zou voeren, stond al lang beneden te wachten. De trams waren al wakker en hun gerommel was onder de ramen te horen. Het kind liep op blote voeten over de koude vloer van de gang. Zijn vader was net zijn schoenen aan het aantrekken, zo snel dat hij bijna de veters van zijn rechterschoen kapottrok. ‘Luister naar je tante Emma en wees een brave jongen, hoor je me? Als alles goed gaat, ben ik net op tijd voor je verjaardag terug. Je hoeft me niet zo aan te kijken, ik ben heus niet vergeten wanneer dat is.’ De jongen knikte zwijgend, liep naar hem toe en kroop tegen hem aan. ‘Controleer of de vleugels goed vastzitten voordat je wegvliegt’, zei hij doodserieus, en zijn vader beloofde even serieus dat hij dat zou doen. ‘Ga nu maar slapen. Het is nog veel te vroeg om naar school te gaan.’ ‘Maar wanneer vertel je me over de ontsnapping van luitenant Mücke?’, vroeg de jongen nog. Zijn vader knipperde met zijn ogen. ‘Als ik terugkom. Beloofd!’ De deur sloeg dicht en de directeur holde de donkere trap af. Het kind bleef in de hal staan en bekeek de kraag van zijn blauwwit gestreepte pyjama nieuwsgierig in de spiegel. Stern vond het, hoewel zijn vader vaak reisde, elke keer weer moeilijk om te wennen aan die eerste momenten van zijn afwezigheid. Hoe kon hij het ene moment nog nerveus van de ene naar de andere kamer rennen en iets in zichzelf mompelen, en het volgende moment gewoon weg zijn? Stern rolde zorgvuldig zijn mouwen op zonder zijn spiegelbeeld uit het oog te verliezen. Daarna ging hij naar de kamer van mama Kristina en vond de doos met potloden waarmee ze haar wenkbrauwen bijwerkte. Vervolgens rende hij (nog steeds op blote voeten) naar zijn nachtkastje naast zijn bed en pakte zijn bril (hij was verziend). Hij ging terug naar de spiegel in de gang en tekende met een paar onzekere bewegingen een snorretje dat zo fijn was als een muizenstaartje. Tante Emma zou natuurlijk gaan roepen: ‘Wat heb je met dat potloodje gedaan, lieverd!’ Tante Emma was een van die mensen die voortdurend verkleinwoorden gebruikten, als een kruid waar ze bij het koken maar nooit genoeg van had. Hapjes, dutjes, brilletjes, voetjes en jasjes, schoentjes, kusjes en ontbijtjes en al dat soort dingen — het irriteerde hem mateloos en zorgde ervoor dat hij zelfs koppig tegen de meest duidelijke dingetjes bleef volharden. Ze zou er elk moment kunnen zijn, waarschijnlijk weer met een of ander excuus over een vertraagde tram, hoewel Stern vanuit zijn raam heel goed hun continue beweging over de rails kon zien. Stern liep op blote voeten naar de keuken en was stomverbaasd toen hij ontdekte dat tante Emma er al was en voor de koelkast stond te dansen. Ze was lang en slank en droeg een hoed met een brede rand die vreemd genoeg aan een wolk deed denken. ‘Ah, jij bent er ook, lieverd!’, kirde ze, wat hem in de war bracht. Ze was er tot nu toe niet, hoe kwam het dan dat ze ineens hier is en hij er niet was? ‘Ik ben er, ik ben hier de hele tijd geweest, maar wanneer ben jij gekomen, tante Emma?’ Ze draaide zich om en keek hem met verbaasde blik aan alsof het de normaalste zaak van de wereld was om met een parachute door de schoorsteen naar beneden te duiken, en er niets vreemder was dan aan te bellen bij de voordeur. ‘Het ontbijt is klaar, mijn beste heer!’ Op tafel stond een dienblad met een stokbrood, twee potjes jam – ééntje met perzik, de andere met aardbei – een eitje, vers geguillotineerd in vier gelijke stukjes, en een glas sinaasappelsap. ‘Zal dit ontbijtje uw strenge karakter verzachten?’ ‘Voorlopig wel’, mompelde hij en ging op de stoel zitten, waarbij hij besloot het onderwerp wie er als eerste was gekomen niet verder aan te snijden. Ze zouden de komende dagen samen doorbrengen en het was de moeite niet waard om vanaf het begin al met haar te beginnen kibbelen. Op de een of andere manier zou hij haar wel kunnen verdragen, samen met haar vervelende verkleinwoorden. Bovendien bewees het ontbijt dat ze het goed bedoelde. De directeur vond ondankbaarheid een zeer slechte eigenschap. ‘U ziet er boos uit, edele heer’, voegde ze aarzelend toe, terwijl ze behendig de afgewassen borden op het afdruiprek zette. Het cliché over de vingers van pianisten was in haar geval volledig van toepassing, want tante Emma was immers pianolerares. ‘Ik heb een nare droom gehad’, klaagde ze. ‘Ik ook.’ ‘Vertel me er niet over voor het twaalf uur is.’ Stern draaide zich om en keek haar vreemd aan. ‘Wat is er? Waarom kijk je me zo aan?’, vroeg ze. ‘Ach, niets. Mijn moeder zegt hetzelfde.’ ‘Is dat zo?’ merkte tante Emma op en snoof zonder zich om te draaien. Stern begon een gesprek na te spelen tussen de twee overgebleven eenzame kruimeltjes op de tafel. ‘Waar gaat u heen?’ vroeg de linker kruimel. ‘Oh, ik moet naar school’, antwoordde de rechter kruimel. ‘En u?’ ‘Ik heb koorts en blijf thuis om wat te lezen. Het zal een virusje zijn’, antwoordde het linker kruimeltje. ‘Ik zou mezelf kunnen opeten van woede!’, zei het kruimeltje langs rechts. ‘Dat is om verschillende economische redenen onmogelijk’, reageerde de linker kruimel doodserieus. De jongen schrok op. ‘Wat is er aan de hand?’ Tante Emma stond achter hem en keek hem vragend aan. ‘Ach, niets, ik luister naar het gesprek tussen de kruimeltjes.’ ‘Wordt het geen tijd om naar school te gaan?’, vroeg ze, waarna de jongen met zichtbare tegenzin opstond van de tafel. ‘Gooi mijnheer Kruijmel alsjeblieft niet weg’, zei hij en wees naar het linker kruimeltje, dat inmiddels een mooi, rond bolletje was geworden. ‘Hij heeft koorts.’ Tante Emma schudde haar hoofd. ‘Met al die kruimels krijgen we binnen de kortste keren kakkerlakken.’ (‘Kakkerlakjes!’, voegde hij er in gedachten aan toe. ‘Waarom zegt ze dat niet?’) Ze legde het balletje op de vensterbank. ‘Hier goed?’ ‘Perfect.' Aan de poot van de tafel stond zijn enorme rode plastic rugzak, die eruitzag als een uit de kluiten gewassen brievenbus. Zijn klasgenootjes Assen en Soso hadden de rugzak ‘de Koffer’ gedoopt, en wanneer ze de zak op Sterns rug zagen stuiteren, schopten ze er met alle kracht tegen. ‘Ik ga, tante Emma’, zei hij, zonder haar aan de horizon te zien, en ging naar beneden, terwijl hij met zijn hand langs het afbrokkelende pleisterwerk van de muur streek. Het kamertje van de portier stond al een tijdje leeg. Hij vergat steeds zijn vader te vragen waar oom Zilasko heen was (op de deur hing een bordje met M. Zilasko, maar Stern wist niet zijn voornaam was – Manfred, Mohammed, misschien Mandolin?) Hij opende de voordeur en voelde de kou zodra hij buiten kwam. Nog voordat de sneeuw de straatstenen raakte en een dunne laag zou vormen, begon hij al te smelten. Stern keek achterom en zag de tram aankomen. Waarom moest hij toch altijd rennen? Als de dienstregeling van het openbaar vervoer werd nageleefd zou hij die onmiddellijk boven zijn bed hangen, totdat hij de uren uit zijn hoofd kende, maar het was volkomen zinloos om daar je hoofd over te breken. De trams en bussen hielden zich praktisch nooit aan hun schema. Terwijl hij rende en de Koffer op zijn rug stuiterde, bedacht hij zich dat er geen enkele ochtend was geweest waarop hij rustig bij de halte was aangekomen.
De tram kwam met een akelig gekraak tot stilstand en de deuren gingen met een luid geklap open. Hij nam plaats op het laatste stoeltje achterin en haalde het boek waar hij onlangs in begonnen was uit zijn rugzak. Hij gleed langzaam met zijn vinger over de afbeelding van een vaalgele tram (precies zoals degene waarin hij zat) die een grote boulevard overstak. Hij bladerde een aantal pagina’s door (de bladzijden met illustraties voelden donzig aan en waren heel licht crèmekleurig, terwijl de andere sneeuwwit waren), en kwam uit bij een afbeelding die hij nog niet eerder had gezien. Hij zag een silhouet op een trapladdertje dat een straatlantaarn probeerde aan te steken met een speciaal soort aansteker. Stern sloot het boek — hij vond het veel interessanter om alle tekeningen die via het raam tot leven kwamen te observeren. Krantenkiosken, bakkers, winkeltjes met fournituren en tierlantijntjes, de ademwolkjes die uit de monden van verkopers opstegen, vermengd met de wrange, grauwe walm van sigaretten, de rokende schoorstenen op de huizen (het was per slot van rekening al december) - alles leek haastig omhoog te stijgen, naar de ondoordringbare grijze plaat die drukkend bovenop de stad lag. Op dat moment bedacht hij zich dat zijn vader zeker weten al lang opgestegen was en nu door de hemel scheerde. Als de tram nu zou uitsteken tussen de daken met zink en pannen, boven de torentjes en balkons, boven de minaret van de moskee en de gigantische koepel van de synagoge, die hem aan een of ander dessertje deed denken, dan zou hij niet schrikken; hij zou zich gewoon verplaatsen naar het stoeltje naast de bestuurderscabine, waar je het beste uitzicht had. Waarom vliegen trams niet? Dat is pas een vraag die de Meest Serieuze Overpeinzing waard is. Een tram weegt niet meer dan een doorsnee vliegtuig, toch? Waarschijnlijk hebben de trams gewoon geen zin om te vliegen, besloot hij. Op dat moment kwam de tram plots tot stilstand. Stern verloor zijn evenwicht en werd meegesleurd door het gewicht van de Koffer, maar een sterke hand greep hem bij de schouder en hield hem vast. Hij draaide zich om en zijn blik klom langzaam van beneden naar boven, van de lange, puntige schoenen bij een lelijke, grof geruite broek, naar het paarse jasje met eronder, nauwelijks zichtbaar, bretels en een vlinderdasje, tot de ronde bril met een dun montuur waarachter twee grote ogen hem nieuwsgierig bekeken. Als er in Graystadt een circus was geweest, zou Stern gedacht hebben dat de man er met de kleren van een clown vandoor was gegaan. Maar omdat hij een beleefde, welgemanierde jongeman was, bedankte hij de man en vroeg hij: ‘U bent verziend, nietwaar?’ ‘Ja, ik meen van wel.’ Er verscheen een flauwe glimlach op het gezicht van de man. Nu pas merkte Stern op dat het ene brillenglas van de man blauw en het andere rood was. Net op dat moment besefte hij dat hij moest uitstappen; de deuren van de tram konden elk ogenblik sluiten. Hij wrong zich tussen twee vrouwen met het formaat van de koepel van de synagoge, en meende dat de man mompelde óf dat ze elkaar snel terug zouden zien, óf dat hij de groetjes aan mijnheer de Directeur moest doen, wat op zich al vreemd genoeg was, maar daarbovenop leken die twee zinnen helemaal niet op elkaar. Sprak hij ze misschien tegelijkertijd uit — de ene met het blauwe, en de andere met het rode brillenglas? Hoe dan ook, Stern had geen tijd zich daarover druk te maken, hij moest zich naar de schoolpoort haasten. Uiteindelijk was er niets opmerkelijks aan een bril met verschillend gekleurde glazen, noch met een paars kostuum met ruitjes. Voor de schoolpoort stond Nostitz, de portier op leeftijd, die net een standbeeld was in zijn muisgrijze uniform. ‘U moet uw klok een uur terugdraaien’, merkte hij spottend op waarna hij de poort opzettelijk traag voor hem opende.’ ‘U zal zo’n mooie berisping krijgen, Stern, dat uw oren ervan zullen gloeien!’ Stern haastte zich de trap op en wist net voor mevrouw Stolz naar binnen te glippen, die al dreigend door de gang kwam aanlopen. Weer eens was hij op het nippertje aan een nota ontsnapt. Eigenlijk verliep deze dag best goed. Mevrouw Stolz was vol lof over zijn verslag, maar liet het niet na om hem erop te wijzen dat hij bij het schrijven dingen had uitgevonden die niet in de originele tekst stonden. De laatste wiskundetoets voor het Kerstverlof, waarmee ze al een maand lang werden bedreigd, was net zo lastig als Stern had verwacht. ‘Hoe ging het?’, zei Misj zodra hij zijn overhoring had ingediend. Stern hief zijn schouders op. ‘Zoals gewoonlijk. Maar het maakt niet uit, ik haal het wel in met Literatuur. Hoe ging het bij jou?’, vervolgde Stern. ‘Goed, helaas. Vader zal wel tevreden zijn, zo speel ik hem in de kaart; hij wil toch dat ik ingenieur of wat dan ook word, of vliegtuigen ontwerp.’ ‘Wat is het toch een ramp wanneer ze je iets wat je echt niet wilt in de schoot werpen’, voegde Stern bedachtzaam toe, maar al snel richtte hij zijn aandacht op veel belangrijkere zaken; iedereen was bezig met de kerstboom in het klaslokaal te versieren. Het was maandag, de laatste week voor de wintervakantie, en de kerstsfeer hing al in de lucht. Iedereen schreeuwde in het rond en sprong op en neer, en mevrouw Stolz kon geen manier bedenken om de klas stil te krijgen, noch vond ze het nodig. Zelfs Assen en Soso hielpen met versieren en vielen vandaag niemand lastig. De juf gaf haar leerlingen de opdracht om voor vrijdag een opstel te schrijven over wat ze voor Kerst wilden hebben, en liet ze daarna gaan (ze had toch al hoofdpijn). Na schooltijd gingen ze met z’n allen samen sleeën in het Noordpark, ze hielden een sneeuwballengevecht en wie schaatsen bij zich had trok naar de ijsbaan op het inmiddels leeggelopen stuwmeer — één voor één dingen die helemaal passen bij de week voor de vakantie. Stern vertrok pas naar huis toen het al begon te schemeren. Hij was doorweekt, maar tevreden. Toen pas, terwijl hij over de kapotte stoep liep en nauwlettend oppaste dat hij niet door een of andere sluwe, losliggende tegel bespat zou worden, besefte hij dat er de hele dag één gedachte hardnekkig in een hoekje van zijn bewustzijn had geschuild. Wat was die droom van vannacht toch vreemd; wat was hij echt, levendig.