02
Mijn eerste concrete herinnering: ik zit op de grond in een middelgrote, donkere kamer die zowel naar stof als schimmel ruikt. Om me heen zie ik kinderen, ongeveer net zo groot of iets groter dan ik, die aan het trekken, duwen en schreeuwen zijn; kruipend over de grond bereik ik de hoek van de kamer en daar krimp ik ineen als een slak, mijn kin tegen mijn knieën gedrukt. Ik sluit mijn ogen en stel me voor dat ik verdwijn, dat ik onzichtbaar word en het hele kabaal van op een afstand observeer zonder dat de andere kinderen in de kamer me opmerken. Ik was misschien drie of vier jaar. Op dat moment deed ik een wens, zonder te beseffen hoe onvermijdelijk die was. Later zou ik mezelf verwijten dat wat er met me gebeurd is mijn eigen schuld is, dat ik mijn leven zoals het nu is, zelf gewild heb. En misschien had ik wel gelijk.
03
Af en toe kwamen er nieuwe moeders langs om een van ons te kiezen. Die dagen waren erg speciaal - zowel voor de moeders en ons, als voor de opvoedsters in het Tehuis. ‘s Ochtends vroeg begonnen ze al met ons te wassen, ons netjes aan te kleden, de luiers van de allerkleinsten te verschonen, de kamer waar we speelden met een doek af te nemen en het speelgoed dat over de vloer verspreid lag op te ruimen. Het was simpel gezegd een feestdag. Zoals één juli, maar dan meerdere keren per jaar. Wat waren we gelukkig.
We keken gretig rond in het kantoor van de directeur en zagen hoe de mappen met onze verhalen zich opstapelden op het immense bureau dat, hoe enorm het ook was, te klein was om alle mappen een plekje te geven.
Daarna kwamen de moeders en vaders. Ze openden de deur naar onze sombere kamer die doordrenkt was met de geur van schimmel en babypoep, en de zomer overspoelde ons speelgoed — lachend, vol stof, hijgend en kleverig. De spanning steeg en ieder van ons wilde zowel naar de moeder rennen en haar met tranen in de ogen smeken om voor haar of hem te kiezen, als zich beleefd en beheerst gedragen om bij de moeders in de smaak te vallen, zoals de opvoedsters ons hadden geleerd. We stonden bewegingloos op onze plek, versteend als de kruisjes op een oud kerkhof, en we wachtten. Alles verliep langzaam en slechts enkele vliegen bromden rond boven een kinderpotje in de hoek.
De moeder zette als eerste een stap naar ons; de vader wachtte doorgaans bij de muur en wreef zijn zweterige handen in elkaar. De moeder. Zij zou de keuze maken. Vrouwen die geen moeder konden worden, kwamen naar hier om een van ons te kiezen, ze zouden een kind bij de hand nemen en meenemen naar hun eigen wereld. De matrjoeskawet — uit elke pop wordt een andere geboren, een meisje wordt moeder en baart een meisje, dat opgroeit en op haar beurt een meisje baart, en ook zij baart een meisje, die een meisje baart, en zo verder. De ononderbroken keten van de voortplanting van het geslacht. Ik vraag me soms af of moeders naar het Tehuis komen om een van ons te redden of om heil voor zichzelf te zoeken.
Eerst zocht ze de kracht om onze smekende blikken te trotseren, en begon daarbij zachtjes te huilen. Ze liep langzaam rond, streelde de warrige hoofdjes van enkelen van ons en verspreidde een aangename, frisse bries door de verstilde lucht. We kregen onze dosis liefde van een onbekende, vreemde moeder en we smulden er gretig van alsof het een stukje karameltaart was.
Dan spraken de moeder en de directeur kort met elkaar in het kantoor, ze bladerden door de stoffige mappen die op het enorme bureau lagen, en het hele gewicht van dat alles kwam op onze hoofdjes terecht alsof het holle walnootschalen waren en verpletterde onze hoop.
07
Op een dag kwam ze. De directeur riep me naar het kantoor met het reusachtige bureau en wees naar haar. Ze stond rechts van het raam dat op een kier stond en beefde als een dor herfstblaadje. Ze leek me zo klein, zo fragiel en kwetsbaar, dat ik niet naar haar toe durfde te rennen om haar te omhelzen, uit angst om haar te breken met de levenslust van mijn negenjarig lichaam en bang dat ze uiteen zou vallen, dat ze zou instorten als een zandkasteel dat door een golf wordt overspoeld.
Ik stond tegenover haar en nam haar ogen in me op, ik dronk de treurnis die ik erin zag; die stapelde zich in mij op als het bezinksel van sterke Turkse koffie, langzaam, maar onomkeerbaar. Deze kleine, door zorgen gekwelde vrouw. ‘Ziet ze mij?’, dacht ik bij mezelf. ‘Ziet ze hoe ik tegenover haar sta en haar treurnis in me op neem, hoe ik alles wat er ooit gebeurd is in een ogenblik vergeven kan?’ Ik wil wegzakken in de warmte van haar nauwelijks bestaande lichaam, wegzakken in de zwarte kraters van haar naar slaap hunkerende ogen, in de diepte van de rimpels die haar voorhoofd doorsnijden.
Ze zag me, keek even op en begroef toen haar gezicht in haar handen. Ik zag hoe ze tussen haar dunne, benige vingers ineenkromp, hoe haar hele lichaam schokte van het snikken, hoe ze hoestte van de machteloosheid die ze ervoer toen ze naar me toe wilde komen om me te omhelzen. Ze loste een vreemde schuld af — die van mijn moeder. De zus van mijn moeder stond daar bij het raam van verdriet te rillen, op slechts een meter afstand van mijn niet-begrijpende ogen die door de tranen heen niets meer konden zien. Toen wist ik nog niet dat mijn moeder was overleden tijdens de geboorte van mijn broertje, dat ze samen met dat kind op die ene dag was gesmolten als het ijsje dat ik me zo vaak in hun handen had voorgesteld. Toen wist ik nog niet dat deze ontmoeting met de zus van mijn moeder de eerste en laatste tussen ons zou zijn, dat de ontmoeting alle ijsjes die je in de hele wereld kan vinden zou doen smelten, dat ze me voor het eerst zou laten huilen; niet omdat ik alleen was, achtergelaten in het Tehuis als de verpakking van een Laktasnoepje, maar om mijn moeder, om haar pijn, om haar kreet toen dat kindje uit haar baarmoeder werd gerukt, die kreet waarmee ze afscheid nam van de wereld, waarmee ze definitief afscheid nam van mij. Voor altijd.
12
Soms vragen mensen mij wat het leven in het Tehuis me heeft geleerd. Aanvankelijk probeerde ik een antwoord te vinden dat voor de meeste mensen aanvaardbaar is; iets waardoor ze zich goed zouden voelen over het feit dat ze interesse toonden. De laatste tijd vertel ik het volgende verhaal. Stojtsjo was zes toen de ambulance hem naar het ziekenhuis weg bracht. We hebben hem nooit meer gezien. Hij had gebroken ribben, een schedelfractuur en een hersenbloeding, en overleed een paar dagen later. We kwamen terug van de begraafplaats op de heuvel. We gingen er stiekem heen om de offergaven die bij de graven waren achtergelaten, mee te nemen. Moge God het ons vergeven. Meestal vonden we tarwe, bestrooid met poedersuiker, in plastic bekertjes, maar soms lagen er gewone koekjes of Turks fruit. Die gaven we dan aan de volwassenen. We wisten dat we er niet van mochten eten, maar het was ontzettend moeilijk om de verleiding te weerstaan. We crepeerden van de honger terwijl we in onze handen het eten droegen dat onze knorrende maagjes werd ontzegd. Sommigen konden het niet volhouden en knabbelden stiekem van het graan, en als ze geluk hadden en niemand hen opmerkte, gingen ze ervandoor en kauwden ze daarna in hun slaap nog lang op het zoete graan.
Een van de kinderen zag Stojtsjo en vertelde het aan de volwassenen; wanneer je dat soort dingen aan de volwassenen zei, gaven ze je een koekje. Ze hebben hem in elkaar geslagen als een hond. Door het venster heen stonden er mensen naar te kijken, maar ze deden alsof ze niets zagen. Ze lieten hem liggen in een plas bloed. Uiteindelijk belden ze de ambulance toch, maar het was te laat.
Stojtsjo had eigenlijk altijd honger. Er wordt gezegd dat ze hem ‘s avonds in de struikjes langs de weg hadden zien schuilen, terwijl hij naar de geiten zat te loeren wanneer ze van de weide werden gehaald. Hij vond een moedergeit en dronk haar melk. Waarom het dier niet wegliep maar hem liet drinken, weet niemand. Het leven in het Tehuis heeft me geleerd te overleven. Enkel dat telde.
21
Van de scheiding met mijn moeder heb ik enkel mijn babydekentje bewaard. Ik heb het netjes opgevouwen en onder in mijn koffer weggestopt. Van de tijd voor Naja en ik uit elkaar gingen, heb ik nog Honderd jaar eenzaamheid van Márquez, en een foto. Op de foto staan Naja en ik in elkaars armen voor een huis in een dorpje in de Rhodopen. Toen we ongeveer achttien jaar oud waren, gingen we er ‘s zomers op trektocht. We wandelden richting het dorpje Trigrad, maar raakten tegen het vallen van de avond verdwaald en we moesten dringend een slaapplaats zien te vinden. We belandden in een of ander verlaten dorpje met niet meer dan vier-vijf huisjes. Voor een van de huizen zat een door de jaren kleiner geworden oude vrouw op een boomstam die op de grond lag en dienstdeed als bankje. Het omaatje nodigde ons uit om te overnachten in het huis naast het hare, het stond toch al een lange tijd leeg. ‘De jeugd is naar de stad getrokken en de ouderen zijn gestorven, enkel ik en twee oude dames zijn nog over in het hele dorp’, zei ze terwijl ze ons bonensoep inschonk en stukjes zelfgebakken brood afbrak. Ze vertelde ons over haar kinderen en kleinkinderen, hoe ze eens per maand langskwamen om haar rijst, bonen, meel, olie en andere basismiddelen te brengen, hoe een van haar kleinkinderen onlangs naar Duitsland was vertrokken om er te studeren. Ze nam de familiefoto’s die keurig op de planken stonden om ze aan ons te tonen, en ik bedacht me hoe deze foto’s, buiten de weinige huizen die nog in het dorpje over waren, haar enige verbinding met de wereld vormden. Ze streelde de foto’s en genoot ervan alsof het echte mensen waren, zonder dat ze er zich bewust van was hoe leeg deze handeling was. Ze hield een memento mori in haar handen; de op fotopapier geprinte beelden van haar geliefden, voor wie zijzelf wellicht al lang alleen maar een last is.
Daarna nam ze ons mee naar het huis ernaast, bracht ze lakens en dekentjes en maakte behendig ons bed op, nog steeds kromgebogen. ‘s Ochtends werden we wakker door de geur van versgebakken mekitsa die ons opwachtte op de eettafel, vergezeld door bokaaltjes zelfgemaakte wilde aardbeienjam. Ik had wel al gehoord van de beroemde gastvrijheid die je bij de mensen uit de Rhodopen vindt, maar tot dan toe leek dat me gewoon een fabeltje, dat van mond tot mond de ronde deed, zonder dat er veel waarheid in zat. Maar het bleek toch waar te zijn. Bij het afscheid vroeg ik haar of ze ter herinnering een foto van ons wilde nemen voor haar huis.
Toen Naja wegging, had ze — opzettelijk of per ongeluk — de foto onderin een van de lades achtergelaten. Ik heb hem in een houten kist weggestopt, naast het dekentje van mijn moeder. Mijn koffer van scheidingen. Ik bewaar er allerlei spullen; vreemde woorden en herinneringen aan het afscheid met mensen die me ooit dierbaar waren. Ik wil hem helemaal opvullen met het afscheid dat ik van anderen moest nemen, zodat er geen plaats meer in is voor het afscheid dat ik van mezelf moet nemen.
33
Enkele van de spullen in mijn kist met voorwerpen die ik zelf nooit heb gehad:
- Roze zijden strikjes
- Een caleidoscoop
- Een album met mijn foto’s*
- Verjaardagskaartjes die ik van vrienden heb gekregen
- Verjaardagskaartjes in het algemeen, ook van familieleden
- Een eigen plankje in de badkamer met een plastic bekertje met een tandenborstel en tandpasta
- Chocolade van het sprookje Kuma Lisa
- Pippi Langkous, Jan Bibijan, Alice in Wonderland, Mary Poppins, Bulgaarse sprookjes volume 1 en 2, en nog veel meer
- Snoepgoed in de vorm van een haantje
- Een fiets die ik voor Kerst kreeg
- Kerst in het algemeen
- Een medaillon met een foto van mijn moeder
- De geur van versgebakken brood
- Huisgemaakte aardbeienjam, door mijn oma op een zacht vuurtje gekookt
- Huisgemaakte paasbroodjes
- Huisgemaakte dingen in het algemeen
- Een notitieboekje met recepten van mijn moeder**
* De foto’s in het album zijn zwart-wit. Stuk voor stuk zitten ze in een kartonnen lijst, eronder staat in een sierlijk handschrift de datum geschreven. De eerste is van de dag waarop ik ontslagen werd uit de kraamkliniek, we staan op de trap aan de voorkant van het gebouw. Onder de foto steekt een blad uit een schriftje, waarop staat: ‘Voor de kraamkliniek, 3 februari 1982’. Mijn moeder draagt een gebreide, donkergele jurk met een lange mantel; je ziet de vermoeide blik van een vrouw die gisteren bevallen is, net moeder is geworden, en nog steeds moeite heeft met haar nieuwe situatie te accepteren; zachtjes tegen zich gedrukt houdt ze een kindje dat zo strak in een lichtgele katoenen doek zit gewikkeld dat je haar gerimpelde gezichtje nauwelijks kan zien. Naast mijn moeder staat mijn vader; in de ene hand heeft hij een bos rode anjers, met de andere houdt hij mijn moeder vast. Een brede glimlach en fonkelende ogen verraden dat hij gisteravond met vrienden een glas heeft gedronken op de gezondheid van zijn eerste dochter. Ofwel is hij gewoonweg doodgelukkig.
Ik sla het album open en beland op een foto waarop ik duimzuigend slaap; op een andere zit ik op het potje met een kinderboekje ondersteboven in de hand; daarna zit ik op mijn moeders schoot en drink ik van haar volle borst; hier is het mijn eerste verjaardag - op de foto kijk ik jolig, met schuldbewuste ogen, mijn handen zitten onder de botercrème van de stapeltaart; op de volgende klopt mijn moeder eieren op in een grote, glazen mengkom, ik sta op de tippen van mijn tenen en bekijk haar met enorme nieuwsgierigheid; en hier leert mijn vader me fietsen; en deze foto is van mijn eerste schooldag, het boekentasje op mijn rug ziet er groter uit dan ik. Er volgen nog foto’s van de skivakantie in Pamporovo, of op het strand in Kavatsite bij Boergas, met een sneetje meloen in de hand, ik sta voorovergebogen om mijn zwemkleding niet vuil te maken... Ik sluit het album en stop het terug in de kist.
** Het schriftje met recepten is een bedrijfsnotitieboekje uit negentienhonderdenzoveel. De recepten zijn zorgvuldig geselecteerd en eigenhandig door mijn moeder neergeschreven. Stuk voor stuk recepten van mijn favoriete gerechten die ik nog nooit heb geproefd, van zoetigheden, melkbrood en baklava, recepten voor koolrolletjes, moussaka, karamelcrème, chocoladetaarten, van leverrolletjes voor Pasen en de bonenstoofpot die we met Kerst eten, van spinaziesoep, tarator van yoghurt en komkommer, gestoofde paprika met eitjes, karper met noten die steeds met Sint-Nicolaas op het menu staat, van koekjes met minder suiker, van amandelcake zonder eieren, van appelstrudel, van griesmeeltaart (Lenka’s recept), van kip met bechamelsaus, van stoofpotjes in een kleischotel, gevulde paprika’s, bestrooid met verse peterselie. In afzonderlijke secties van het schriftje, keurig neergepend en gemarkeerd: deeghapjes, voorgerechten, soepen, gerechten voor de vastentijd, gerechten met vlees, zoetigheden en taarten, crèmes, ‘zuinige’ recepten (van de tijd van lege winkelrekken en spookproducten). Ik blader in gedachten door het schriftje en kom toevallig op de eerste pagina, waarop staat: ‘Voor mijn dochter, zodat ze, ook wanneer ik er niet meer ben, van mijn liefde kan genieten.’ Ik sluit het schriftje en stop ook dat in de kist.
39
Een van de eerste keren dat ik Dara zag, gaf ik haar een pop. Dara hoorde en begreep alles, maar omdat ze niet sprak verliep onze communicatie moeizaam. Ik wou een manier vinden waarop ik haar beter kon begrijpen, of kon weten hoe ze zich voelde. In het Tehuis had elk kind een favoriete speelgoedje, behalve Dara. Het leek wel alsof ze aan niets of niemand gehecht wilde raken, zelfs niet aan poppen. Ik legde Dara uit dat ik de pop op straat had gevonden en smeekte haar om de pop tijdelijk bij zich op te vangen, tot ik een nieuwe thuis voor haar vond. Ik zei haar dat ze vriendelijk leek en dat ze het vast wel goed met elkaar zouden vinden. Dara pakte de pop op en bekeek haar wantrouwig. Ze was erg ruw. Ze trok aan haar jurk, en aan haar haar, en prikte in haar ogen. Daarna gooide ze haar opzij en ging naar de andere kant van de kamer. Ik wou niet aandringen en liet de dingen voor wat ze waren. De volgende keren dat we elkaar zagen speelde ik in Dara’s bijzijn met de pop, toonde ik haar hoe ze de pop moest strelen en hoe ze haar haren moest kammen, of ik deed alsof ik verdrietig was en vertelde verhaaltjes aan de pop, die me altijd begreep en me uiteindelijk terug aan het lachen bracht. Dara hield me vanuit een of ander hoekje in de gaten, stiekem, maar ik voelde haar blik steeds op me rusten. Ik wist dat ik geduld moest hebben.
Op een dag kwam ze naar me toe, nam de pop uit mijn handen en barstte in tranen uit. Ik stond voorovergebogen boven haar en veegde haar tranen weg. Ik was blij om te zien dat haar verdriet eindelijk wegstroomde, als modderig water in de greppel. De volgende keren dat we elkaar zagen waren anders. Ik leerde Dara schrijven. Ze had het al snel onder de knie. Ze slokte het op, ze propte zich letterlijk vol met deze nieuwe kennis en kon er maar geen genoeg van krijgen. Ik voelde me ongelooflijk trots en was zo gelukkig voor haar. Al snel bedachten we een spelletje - we lieten briefjes achter voor elkaar op alle mogelijke plaatsen; een soort aanwijzing waarmee de andere persoon een verborgen voorwerp moest vinden. Voor acht maart, Vrouwendag, gaf ze me een zelfgemaakt kaartje. Ik vouwde het open. Langs binnen stond in grote, gekrulde letters geschreven: “Neem me mee, Lea!” Ze bekeek me met haar enorme ogen en wachtte op een reactie.
Ik stond een minuut, misschien twee, aan de grond genageld. Toen draaide ik me abrupt om en liep ik de kamer uit.