0
Als ze me zouden vragen wanneer het begonnen is, zou ik antwoorden: op de dag dat we Poli hebben begraven.
Poli was een groene dwergpapegaai met een warrige gele kop en twee lange, spitse vleugels die rommelig langs zijn romp hingen. Dwergpapegaaien moeten per paar worden gekocht, legde de man van de dierenwinkel me uit, en ze houden zoveel van elkaar dat ze sterven aan een gebroken hart als je ze uit elkaar probeert te halen. Maar ik heb Poli wel in zijn eentje gekocht, dus moest de verkoper hem van zijn vriendinnetje scheiden, maar daar is hij niet aan doodgegaan, o nee, het ging juist heel goed met hem totdat hij doodging, en dat kwam door een andere kwaal, niet uit liefdesverdriet, ook al zou ik nog steeds niet kunnen zeggen welke kwaal dat nu precies was. Ik was een jaar of acht, negen en ik had Poli’s kooi op het balkon van mijn slaapkamer staan, maar hij werd altijd vroeg wakker, om vier of vijf uur ‘s ochtends, wanneer de zon nog niet met haar scherpe stralen door de wolken had geprikt, en ondanks de kou, de duisternis en de woeste wind, was Poli nooit moe of bang, hij begon bij zonsopkomst te krassen en maakte ons allemaal wakker, koppig en blind in zijn brutaliteit, dus toen zei mijn moeder: we zetten hem op de vensterbank in de woonkamer, een andere omgeving zal hem goed doen, en ik protesteerde niet want, ik geef het toe, ik was het zat om zo vroeg wakker te worden. Poli hield het drie dagen vol op de vensterbank; daarna ging hij dood.
Toen ik naar buiten ging om hem te voeren, lag hij op de bodem van de kooi. Zijn kopje verscholen onder een vleugel, alsof hij zich probeerde te verstoppen, en hij had een grote wond aan zijn linkerzij, ter hoogte van zijn hart. Hij had veel veren verloren. Hij leek net een maïskolf waarvan een kraai de helft van de korrels had weggepikt. Ik riep mijn moeder om de schrik van me af te schudden, maar ik huilde niet, dat doe ik nooit. Misschien omdat mijn moeder me had uitgelegd dat tranen gewoon aanstellerij van stoute kinderen zijn. Het voelde alsof er een enorme doorn in mijn borst stak, en ik wist precies hoe scherp die was, hoe diep hij in mijn vlees drong, in mijn spiervezels, maar ik kon het niet uitleggen. Nu weet ik dat er niets aanstellerigs aan is. Dit heet gewoon pijn.
Mijn moeder keek naar de kooi en besloot dat het een kat moest zijn geweest.
‘Maar de kooi is dicht’, zei ik.
‘Dan zal het een vogel zijn geweest. Eentje die het voer wilde stelen. Vogels hebben toch een dunne snavel? Die heeft hij vast tussen de tralies gestoken en pats!’
‘Het bakje is leeg. Er viel niets te stelen.’
‘Dan weet ik niet wat het is geweest. Helaas.’
Mijn moeder pakte het lijfje van Poli en wikkelde het in een paar lagen keukenpapier.
‘Kom je ontbijten?’
‘Nee.’
‘Er is appeltaart, dat zal je goed doen.’
‘Ik wil geen taart, mama.’
‘Hier,’ zei ze, terwijl ze me de mummie van keukenpapier gaf. ‘Ga hem maar begraven. Ik weet zeker dat Poli dat fijn zou vinden.’
Mijn vader nam me mee naar een open plek niet ver van ons huis, een veldje dat even groen en kaal was als Poli’s linkervleugel. Er stond een huisje met een kil elektrisch licht achter de ramen. We groeven een gat en legden Poli erin, dat skeletachtige lijfje, nog warm, waarvan het leek alsof het elk moment zou kunnen opvliegen, even hardnekkig als anders zou gaan krassen en al die dingen zou doen waar ik me altijd aan had geërgerd, waarvan ik wilde dat ze zouden terugkeren, naar het moment dat ze nog niet waren veranderd.
Mijn vader bedekte het gat met aarde. Met elk handje aarde verdween het lichaam van Poli beetje bij beetje: eerst kon ik hem nog helemaal zien, toen alleen nog zijn kop, vleugels en pootjes, toen verdwenen ook de vleugels, meteen daarna verdwenen de aanhechtingen van de pootjes en de pootjes zelf, toen was het de beurt aan zijn borst, waarop een klontertje gestold bloed zat dat deed denken aan asfalt, en uiteindelijk bleef alleen zijn kop over, een schriele, gele walnoot, en twee zwarte, ronde oogjes als Haribo-snoepjes. Poli verdween onder de laatste handvol aarde. Mijn vader raapte twee takjes op en bond ze met een grassprietje in een X-vorm aan elkaar, plantte het kruis voor het graf en knielde neer om te bidden. Hij zei dat ik kon meedoen als ik dat wilde. Hij begon het Onze Vader op te zeggen en ik deed met hem mee, zoals de mensen in de kerk doen, want je weet toch niet wat je moet zeggen en het voelt zondig om te zwijgen.
Onze Vader, die in de hemel zijt, uw naam worde geheiligd, uw rijk kome, uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel. Geef ons heden ons dagelijks brood en vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven aan onze schuldenaren, en breng ons niet in beproeving maar verlos ons van het kwade. Amen.
De volgende dag vroeg ik me af: kun je sterven aan een gebroken hart? Want ik bedacht dat er geen vogel of kat was geweest die Poli had gedood. Misschien had ik er verkeerd aan gedaan om hem te kopen zonder hem een vriendinnetje te geven. Misschien kun je doodgaan van te veel of te weinig liefde, en dat vroeg ik aan mijn moeder en ik wachtte tot ze, zoals ik verwachtte, ja zou zeggen; maar het antwoord was uiteraard nee.
‘Weet je wat het betekent om dood te gaan?’
‘Ja,’ zei ik, maar dat was niet zo.
Ik voelde me verdwaald in een lege stad.
Ik liep rond op een plek waar hemel en aarde niet bestaan.
Ik begon het te snappen, maar ik had er geen behoefte aan. Tranen zijn aanstellerij; daarbij doet je pijn er niet toe. Het leven en de dood zijn enkel een opeenvolging van gebeurtenissen; veel meer is er verder niet. De liefde, dacht ik. Die gedachte kwam bij me op toen ik twaalf werd, met mijn eerste verliefdheid, een jongen die mijn naam in grote letters op de voorgevel van de Meucci-school had gekalkt; na een tijdje raakte ik ook daarop uitgekeken; er zit geen beweging, richting of doel in; er zit geen transformatie, verlangen of wonder in; er zit geen bedrog in; er zit geen redding in; er zit zelfs geen banale verlossing in. Kun je doodgaan aan een gebroken hart? vraag ik me nog steeds elke dag af, en elke dag word ik wakker in de hoop dat ‘nee’ het verkeerde antwoord is, en hoop ik op een liefde die groter en intenser is dan alle liefdes die ik eerder heb gekend, een antropofaag gevoel dat mijn neus zal laten bloeden, en mijn ogen, mijn hoofd, mijn benen, mijn longen, mijn mond, alles!; ik zou zo lang en zo hevig willen bloeden dat ik mezelf noodzakelijkerwijs moet doodverklaren; ik zou zo’n scherpe pijn willen voelen dat ik languit op de grond blijf liggen; en dan zullen ook de anderen me noodgedwongen moeten doodverklaren, dan zal het antwoord voor iedereen veranderen, en wordt het voor alles en iedereen in de wereld een enorm, onherroepelijk, meedogenloos ja.
1
Het eerste lijk kwam in november 2023 aan het licht: Amanda Ferrero, bijgenaamd Mandie, vijfendertig jaar, resident in Turijn maar woonachtig in Rome, overleden tijdens een bezoek aan haar moeder in het rustige Baldissero Torinese. Mandies moeder, mevrouw Ferrero, geboortenaam Leonetti, wist met behulp van twee narcistische, cocaïneverslaafde pinguïns te voorkomen dat de doodsoorzaak door de pers werd bekendgemaakt, maar hoofdinspecteur De Feo wist (en weet nog steeds) dat het ging om een dodelijke mix van XO Solera Gran Reserva Especial Zapaca-rum van ongeveer negentig euro per fles en zeer gebruikelijke benzo’s (Vittoria kent de belangrijkste merken uit haar hoofd) die de arme Mandie fataal is geworden, en haar ertoe veroordeelde om te stikken in haar eigen braaksel, zoals elke zichzelf respecterende rockster. In het appartement van Mandie, die in het Joodse getto woonde, een van de verborgen schatten van de hoofdstad, werd onder andere een aantal lege flessen aangetroffen, zevenentwintig om precies te zijn – hetzelfde merk als de fles die Mandie had achterovergeslagen om zichzelf van het leven te beroven in het huis van haar moeder, dezelfde (buitensporige) prijs. ‘Wat voor werk deed uw dochter?’ vroeg een onthutste Vittoria De Feo aan mevrouw Ferrero, verbaasd over het aantal en vooral over de niet onaanzienlijke prijs van voornoemde flessen; hoewel mevrouw Ferrero beweerde dat ze te erg van streek was om na te denken of te antwoorden, trok Amanda’s beroep kort daarop, evenals de dagen daarna, en de daaropvolgende weken, maanden en jaren, de aandacht van de media en monopoliseerde de webzines/ sociale media/ tv-programma’s en alle andere massamedia, ondanks de protesten van mevrouw Ferrero; intussen had de politie genoeg aan een zoekopdracht op Google om de zaak in kwestie op te lossen, een digitale speurtocht gebaseerd op de aanwijzingen van een even gegeneerde als verdacht laconieke adjunct-inspecteur Martinelli.
‘Ik weet dat we de laatste tijd niet veel werk hebben, maar dat lijkt me nog geen reden om ons met porno bezig te houden’ had Vittoria vol verachting opgemerkt, waarmee ze een piste insloeg die het onderzoek via allerlei morele oordelen (en vooroordelen) in de juiste richting zou sturen, althans op het eerste gezicht.
‘Chef… ik doe het niet op kantoor, als u begrijpt wat ik bedoel.’
‘Jezus Christus, Martinelli! Daar wil ik me geen voorstelling van maken.’
‘Het is toch ook een vorm van cultuur.’
‘The Good, the Bad and the Naughty? Girls just wanna have dicks?’
‘Films, om precies te zijn.’
‘Love Sexually? One Squirted over the Cuckoo’s Nest?’
‘Dat is niet waar het om gaat.’
‘Vertel eens.’
‘Mandie was erg geliefd bij het publiek en ik betwijfel of iemand zo’n hekel aan haar zou kunnen hebben dat hij haar zou vermoorden.’
Vittoria verspreidt de foto’s van het lijk over het bureau van de adjunct. Close-up van Amanda: paars, opgezwollen gezicht, bezaaid met rode vlekjes, besmeurd met speeksel en mascara; detail van de hoornvliezen (het lichaam werd gevonden met opengesperde ogen en een blik van afgrijzen die volgens Vittoria kon duiden op doodsangst, ook al was die zelf veroorzaakt, of op een of andere onbekende aanvaller die in de huid van Magere Hein was gekropen): zwarte tranen die rond de wimpers waren samengeklonterd, geen lachrimpeltjes, gesprongen haarvaatjes; detail van de mond: overmatig gevuld met botox (als je goed keek kon je precies de plekjes zien waar de naald naar alle waarschijnlijkheid een paar dagen voor haar dood was ingebracht), lippen misvormd door de uitdrukking van een in huilen gesmoorde kreet – de laatste poging om zich het leven te redden, nadat ze had begrepen dat er geen bal zou worden opgelost als ze er een einde aan maakte. (Wat moest Amanda oplossen? Financiële problemen? Familieproblemen? Depressie? Rivaliteit in de liefde? Een of andere benauwende, duistere chantage? Vittoria wist het niet, er lagen te veel opties op tafel, maar ze voelde tot in haar botten dat er iets was, een of ander piepklein puzzelstukje, dat niet op zijn plaats wilde vallen en de harmonie van het geheel verstoorde); totaalaanblik van het lijk: Amanda opgerold in foetushouding, haar armen strak om haar buik geklemd, haar benen verwrongen in een laatste onverwachte wending om niet in de afgrond te verdwijnen. Braaksel. Een paar klodders op de vloer, met daarin enkele pillen die de corrosieve kracht van het maagzuur hebben overleefd. De adjunct-inspecteur wendt zijn blik af, de chef staat uit respect voor Mandie stil bij de troosteloosheid van het einde, de plastische zinloosheid van dat mishandelde, geschonden lichaam, alsof het nooit menselijk is geweest.
‘Er klopt iets niet,’ zegt ze, in de hoop dat Martinelli haar wil volgen op het hobbelige pad van de twijfel. Maar Martinelli gaat er direct in mee. Hij beantwoordt de kwellende stortvloed aan vragen van zijn baas, ook al gunt hij haar niet de geruststellende wetenschap dat hij aan haar zijde staat. Hij is het niet eens met Vittoria en durft dat ook te zeggen, hoewel dat neerkomt op zijn eigen ondergang.
‘Ik heb gesproken met de moeder van het slachtoffer, met haar collega’s, met haar agent...’
‘En?’
‘Niets bijzonders.’
‘Heb je Mandies medicijnrecept gecontroleerd? Haar bankrekening?’
‘Natuurlijk.’
‘Was het recept in orde?’
‘Ja.’
‘Heb je verdachte overboekingen opgemerkt in de dagen voor haar dood?’
‘Nee.’
‘En hoe zit het met haar verplaatsingen?’
‘De gebruikelijke routine: ze pendelde heen en weer naar de set en ging af en toe ’s avonds uit met collega’s, totdat ze terugkeerde naar haar moeder in Piëmont.’
‘Je hebt vast iets over het hoofd gezien.’
‘Nee, niets, geen jaloerse ex-vriendjes, geen obsessieve fans, geen chantage of afpersing.’
‘Je ziet áltijd iets over het hoofd.’
‘Ik heb haar appartement volledig uitgekamd en het huis van mevrouw Ferrero binnenstebuiten gekeerd, en zelfs de laatste set waar Amanda heeft gewerkt. U snapt toch wel wat ik bedoel met “niets”, chef?’
‘Wil je niet op zo’n geërgerd toontje tegen mij praten? Daar kan ik niet tegen. Bedankt.’
Vittoria pakt de foto’s van Martinelli’s bureau en stopt ze in een plastic mapje; ze doet hetzelfde met de kopieën van het autopsierapport en de verklaringen van de betrokkenen die Martinelli zorgvuldig heeft ondervraagd; ze draagt een kameelharen jas die eruitziet alsof ze hem op de vlooienmarkt Gran Balon in de wijk Porta Palazzo heeft gekocht; ze staat verwoed te gebaren naar de adjunct, alsof ze hem wil opjagen.
‘Chef… mag ik u even op iets wijzen?’
‘Nee. We gaan.’
‘Ik snap niet waarom u zo… eh… verhit reageert.’
‘Pak je spullen en dan gaan we. Opschieten. We hebben een afspraak met het ris, ben je dat soms vergeten?’
De forensische dienst van de Regio Piëmont (de ris van Turijn) is wel wat anders dan die van Miami; de dienst beschikt niet over apparatuur van miljoenen dollars en kan evenmin rekenen op bekwaam, overbetaald personeel; daarentegen lijkt Vittoria De Feo wel akelig veel op Horatio Caine: warrig rood haar, een zonnebril op haar gezicht geplakt, ook als er geen zon is; geen vrienden, geen zielsverwanten om haar te vergezellen ter verzachting van haar existentiële verdriet (Vittoria heeft zichzelf een paar bijrollen gegund om de gaten in het plot op te vullen; toen de flirt in kwestie haar te veel werd, heeft ze de banden verbroken en is ze dapper in het niets verdwenen); kinderen?, daar moet ze niet aan denken; levensfilosofie volgens het motto ‘eerst schieten, dan pas vragen stellen’ (de enige uitspraak die Vittoria zich herinnert uit een excentrieke zwart-witfilm waarvoor adjunct-inspecteur Martinelli haar eens had uitgenodigd toen hij meende dat hij wel kans maakte bij haar – resultaat: Vittoria lag op de bank te snurken terwijl Martinelli helemaal alleen zijn zelfvoldane analyse van de film had afgerond.)