24
Vesna zat, gekleed in een strak zwart rokje en rode nylonkousen, op een bankje onder een grote lamp. Haar gezicht was bijna onherkenbaar onder het felle geelachtige licht, als het gezicht van een stenen beeld dat door tegenlicht wordt verborgen. Ze had in haar hand een groen flesje Heineken, dat ze zo nu en dan onder het praten naar haar mond bracht. Ze lachte. Ze zag eruit als een volkomen normale meid op een normaal feestje, flirtend met een normale jongen in een normale spijkerbroek (al was die een paar maten te groot en afschuwelijk lelijk). Ze zat naar hem toegedraaid op de rugleuning, op hem eigenlijk, terwijl hij diep zat weggezakt in de zwarte kussens. Zijn buitengewoon lange, spichtige lijf leek te groot voor de bank, als een reuzegrote Alice in een Barbiehuis. Ze moest iets grappigs hebben gezegd, want hij barstte in lachen uit. Ze trok haar benen op.
De kamer was vol mensen en rumoer. Ook op de bovenverdieping was het volop feest. Sommigen zaten op het tapijt in het midden van de kamer en gaven een joint door, anderen stonden veeleer tegen de muur luid te praten, en nog een ander groepje had zich op de grote fluwelen tweezitsbank naast de hometrainer geïnstalleerd. Het huis was gigantisch groot. Toen Vesna me hierheen sleurde, had ze beloofd dat er helemaal niet zo veel mensen zouden zijn en dat we ‘alleen even een kijkje zouden nemen’.
Op de achtergrond zette iemand een andere plaat op. Nu speelden The Strokes, een band waar Vesna dol op was. Onder de douche zong ze altijd zo hard dat ik haar door de gesloten kamerdeur heen kon horen. Soms trok ik het dekbed over mijn oren met nog een kussen erbovenop om het geluid van haar stem niet te hoeven horen, die me uit een diepe slaap wekte. Pia sliep met oordopjes. Dat kon ze heel goed: het leven buitensluiten.
Ooit heb ik Vesna gevraagd waarom ze nooit in een band had gezongen. Ze zei dat bands voor mensen waren die zelf niets konden maken. Ik herinner me dat haar vriendje op de middelbare school, in mijn eerste jaar, in een bandje zat. Ik ging naar ze luisteren in een bizarre tent iets buiten Ljubljana. Een half uur stond ik in de kou te trappelen in de lange rij om kaartjes te kunnen kopen. De verkoopster was een meisje met een septumring en groenig ingetekende wenkbrauwen in een verder porseleinen gezicht. Ik herinner me ook dat het concert langer duurde dan ik buiten mocht blijven. Op mijn hoge hakken sloop ik dronken de club uit een koude taxi in naar huis, terwijl Vesna, die ik toen nog helemaal niet kende, waarschijnlijk ergens op de eerste rij met een sigaret in haar mond en een blik vol verlangen op het ritme van de muziek stond te dansen. Of misschien was het wel helemaal niet zo en zat ze ergens achterin, weggedoken in een veel te grote jas, met een paar cocktails in haar bloed om zich ermee te verzoenen dat haar vriend een hopeloze zanger was op wie alleen vijftienjarige meisjes verliefd waren, zoals ik toen was. Opgelaten zou ze zich daardoor niet hebben gevoeld, alleen onrustig. Nu ik eraan denk, was het eigenlijk een slecht concert. Iedereen hing rond in de rookruimte, en vooraan onder de schijnwerpers bij het podium stonden een paar oudere jongens in identieke outfits te roken.
Ik zat op een stapel boeken en mijn rug begon pijn te doen. Al kwam dat bijna zeker doordat ik eerst op Lidia’s kapotte bureaustoel had gezeten. Waren dat nu mijn meisjesjaren? Dat ik zo moe was? En dat ik in de verste hoek van de kamer zat? Vesna, een eind bij mij vandaan, lachte nu zo hard dat ze de muziek overstemde. De magere jongen naast haar schonk haar een helder goedje in uit een grote fles met perziken erop. Als ik onze levens zou analyseren, zou deze scène een vrij treffende metafoor zijn. Vesna, met haar volmaakte, bescheiden schoonheid, die als een grote vlinder boven de kamer vol mensen zweeft en uit volle borst lacht, terwijl een man haar begerig aankijkt. En ik, die in drie uur tijd met precies drie mensen op het feest heb gesproken en in een te strakke jurk op een stapel boeken zit, ook al had Vesna me eerder een keukenstoel aangeboden. Hoe kende ze de gastheer eigenlijk? Wie zal het zeggen? Vesna kende iedereen. Ik keek rond in de grote, rokerige ruimte, die ook een verbluffende verzameling kunstwerken bevatte en alle mogelijke rommel die je altijd aantreft in de huizen van mensen van wie het leven op de een of andere manier zo vol van alles is: boven de open haard stond een vitrinekast met beeldjes en vingerhoedjes, onder het grote eikenhouten bureau lag een stapel dekens en sierkussens in allerlei kleuren en patronen, op de glazen buffetkast prijkten geurkaarsen, en overal stonden boeketten bloemen, al waren die waarschijnlijk nep. Comfort. Dat was het woord dat ik zocht.
Ik nam een grote slok koud bier en morste wat op mijn jurk, precies op het moment dat Vesna’s blik de mijne ontmoette. Ze glimlachte en wees naar haar glas. Wil jij ook, was de zin die ze met haar lippen vormde. Ik schudde van nee. Op feestjes overviel me telkens weer datzelfde lege gevoel: dat ik alleen ben en dat tussen mij en de anderen een soort ondoordringbaar metalen scherm is opgetrokken, alleen was ik geen prinses op een wit paard, maar een soort gewapende geest die zich in zijn versleten omhulsel verschuilt. Vesna was niet zo, dacht ik. Vesna kon goed met mensen omgaan. Zo leek het althans. Alleen dat was al heel mooi. Daar zijn hele romans over geschreven. Aan mijn voeten lichtte mijn telefoon op, die ik op de grond had neergelegd. Het was Lori. Ik staarde naar de letters van haar naam. L, O, R, I. L als in liefde. O als in onschuld. R als in radeloosheid. Ik hield het flesje schuin aan mijn lippen en nam een lange teug. De bubbels kriebelden in mijn keel.
De handen van die jongen zaten nu in Vesna’s haar. Ze zaten te zoenen op de bank, zomaar. Vesna had me wat eerder, toen we in de keuken een stuk taart afsneden en het boven het aanrecht opaten, verteld dat hij een opleiding als monteur volgde en dat hij Goran heette. ‘Qua uiterlijk is hij helemaal mijn type. Ik weet alleen niet of hij vrijgezel is. Maar eerlijk gezegd... Is dat wel zo’n probleem?’ mompelde ze met haar mond vol.
‘Ik dacht dat jij en Val samen waren? Dat het serieus was?’ vroeg ik een beetje verbaasd. Vesna leunde wat uitdagend tegen het aanrecht. ‘Ja. Dat dacht ik ook, ja. Maar gisteren hebben we ruziegemaakt aan de telefoon. Echt ruzie.’
‘O nee toch, hoezo?’
‘Ach,’ zei ze met een wegwuivend handgebaar. Ze draaide zich naar mij om en gaf me een boksstootje tegen mijn schouder.
‘Maar jij. Jij hebt nog nooit iemand mee naar huis genomen’, vervolgde ze op serieuze toon. Ik voelde door mijn dunne sokken heen hoe koud de tegels waren waarop we stonden. De muur was één grote raampartij, waardoor je de heldere nacht kon zien.
‘Ik weet het niet. Ik vind niet zo gauw een klik met iemand. En ik zou hem nergens mee naartoe nemen. Ik had liever dat hij mij ergens mee naartoe neemt.’ Maar dat zei ik natuurlijk niet hardop. Dat zei ik alleen maar in mijn hoofd. Vesna bleef me aanstaren en propte zich vol met taart. ‘Hallo, Aarde hier.’
We moesten allebei lachen. Ik kauwde op mijn stuk taart, en wist ineens zeker dat er met mijn ademhaling iets mis was. Mijn hart klopte erg snel. Ook dat overkwam me altijd op feestjes, waar ik gelukkig en vrij en sexy en mysterieus zou kunnen zijn en alles wat de mensen zijn in de films die we op het werk draaiden.
‘Dat hoort bij het leven, weet je’, zei Vesna iets zachter, terwijl ze me van top tot teen opnam. Haar blik rustte op de mijne, als fijn stof. ‘Wat hoort bij het leven?’
‘Dit. Dat je op een feestje bent en het je allemaal geen reet kan schelen.’
‘Volgens mij is het probleem dat het mij juist wél iets kan schelen.’
‘Ja. Dat denk je nu. Maar wacht nog een paar jaar. Dan zal het je echt geen reet kunnen schelen.’
Een paar uur later was het vrij duidelijk dat Vesna dat stadium al had bereikt. Ze bleef maar zoenen met monteur Goran, die misschien een vriendin had, misschien ook niet. Ik stond op en liep langs de salontafel en de tweezits, waarop een groepje dronken meisjes zat, naar de deur en verder door de gang naar links, naar het toilet. Ik voelde het zuur in mijn maag branden.
Hoeveel had ik eigenlijk gedronken? Bijna niks. In de gang stond er niemand, er lag alleen een lang zacht tapijt. Ik voelde me echt misselijk. Ik duwde de deur van het toilet open, boog me over de pot en gaf luidkeels over. De hele inhoud van mijn maag kwam eruit, verjaardagstaart incluis. De jarige kende ik helemaal niet. Toen Vesna en ik aankwamen, had hij zich al in coma gedronken. Een meisje op de trap zei tegen ons: ‘Timotej is compleet out.’
In Timotejs badkamer zat ik dus als een absolute beginneling over te geven, al mijn emoties zochten zich via mijn keel een weg naar buiten, niet bepaald romantisch en ook niet echt volwassen. Toen ik alles eruit had gegooid, zakte ik op mijn knieën en omhelsde de wc-pot.
‘Sorry hoor, maar gaat het wel met je?’ Ik hoorde zijn stem vlak naast me. Ik schrok op en keek om me heen. In het bad zat een jonge man met donker haar en in een gestreept shirt een sigaret te roken en hij keek me met een bezorgde blik aan. Hij zag er niet uit als iemand die zich op feestjes op het toilet verstopt of in een badkamer zit te grienen. En hij zat ook niet onder het braaksel, zoals ik. Ik ging snel rechtop zitten en trok mijn jurk recht.
‘Ja. Mijn excuses’, zei ik, terwijl ik hem bleef aankijken. Hij pakte een fles wijn van de rand van het bad en dronk er wat van. Toen keek hij me heel serieus aan. O nee. Nu komt er een vraag.
‘Geef je altijd over als je drinkt?’
‘Niet echt. Ik heb eigenlijk niet eens zo veel gedronken. Ik hoop dat er niets mis was met de taart.’
‘Ik ook. Want ik heb hem gebakken.’
Ik voelde me dom en kreeg het warm. Ik krabbelde overeind en ging op het krukje naast het toilet zitten. Mijn maag kwam langzaam tot rust. De jongen in het bad dronk nog steeds rustig van zijn wijn en keek me aan met een ietwat ironische blik op zijn gezicht.
‘Nou, ze was erg lekker,’ corrigeerde ik mezelf. ‘Ik ben hier met mijn flatgenote, eigenlijk ken ik hier helemaal niemand.’
‘Dat is niet waar. Je kent die wc-pot nu toch al bijzonder goed’, grijnsde hij.
Mijn hoofd tolde. Het leek alsof er van het plafond lichtjes naar me knipperden, als op een verlaten vliegveld. Maar het waren de witte vlekjes op de tegels.
‘Wauw, jij bent best dronken. Kan ik iemand voor je bellen?’
Ik dacht na. Bestaat er überhaupt iemand die ik zou bellen als ik helemaal aan de grond zou zitten? Fysiek of mentaal. En zou ik moeten toegeven dat ik daar al zit? Dat ik sinds mijn twintigste nog nooit op een feestje ben geweest waar ik me niet als een totale charlatan, een mislukkeling, heb gevoeld. Ik telde tot tien. Er kwam geen enkele relevante naam in me op.
‘Het komt wel goed, echt. Ik heb gewoon te veel gedronken.’
‘En waarom heb je je zo volgegoten? Heeft je vriendje je gedumpt?’
‘Nee. Mijn flatgenote heeft me laten zitten, ze ligt daar met iemand te tongen. En mijn zus belt me, maar ik kan niet opnemen, want ik wil niet horen hoe graag ze zichzelf van kant wil maken en hoe zinloos ze alles vindt. Nou, weet je. Misschien heeft Lori wel gelijk. Misschien is alles wel gewoon zinloos.’
‘Wacht even, Lori?’
‘Mijn zus.’
De jongen klom uit het bad en kwam naast me tegen de muur zitten. Hij haalde ergens een sigaret vandaan en bood me die aan. Ik nam hem aan. Ik sloeg mijn benen over elkaar en vroeg me af waar de badkamer naar rook. Lavendel?
‘Ja. Dat kan best, dat het zinloos is. Maar je weet toch wat een filosoof ooit zei: “Niets van wat we doen heeft zin, maar toch is het goed dat we het doen, want niemand anders zal het voor ons doen.” Aha, en Arthur Miller zou hebben gezegd dat pessimisme zijn enige verdediging is tegen optimisme. Misschien is je zus gewoon slimmer dan wij. Dat is niet ideaal, begrijp me niet verkeerd, maar ja, misschien houdt ze zichzelf gewoon niet voor de gek.’
Zijn stem galmde na in mijn oren. Toen klopte iemand hard op de badkamerdeur en duwde de klink naar beneden. Het was Vesna, die grote ogen opzette toen ze me met een onbekende man bij de wc aantrof.
‘Hé,’ zei ze en ze trok haar linkerwenkbrauw op. ‘Mag ik plassen of hebben jullie een afspraakje?’
De jongen naast me stond rustig op, pakte de fles wijn en ging zonder iets te zeggen weg. Bij de deur draaide hij zich nog even met een brede glimlach om en zwaaide naar me. Vesna gooide de deur achter hem dicht en trok haar rok en panty omlaag. Ze ging naast me op de wc zitten, de harde straal kletterde in de pot.
‘O, mijn god, ik heb drie liter bier op, ik dacht dat ik daar gewoon waar iedereen bij was in mijn broek zou plassen’, bracht ze opgelucht uit. Ik was nog steeds niet helemaal nuchter en zat alleen maar hulpeloos te staren naar het kastje onder de wastafel tegenover ons, vol shampoos, wattenschijfjes en scheermesjes.
‘Doe niet zo onaardig, Vesna’, zei ik uiteindelijk.
‘Onaardig? Wat heb jij nu? Jij bent soms echt onmogelijk. Ik neem je mee naar een feestje, je praat met niemand, je drinkt je een ongeluk en daarna zit je over alles te zeiken. Was je in het middelbaar ook zo? Ik weet het niet, maar als je de hele tijd zo raar blijft doen, ga je nooit vrienden krijgen.’
Dat laatste deed pijn. In gedachten zag ik Vesna als een ridder in harnas die me met een glanzend zwaard doorboorde. Maar dat was natuurlijk maar een metafoor.
‘Kijk. Ik ga even naar buiten om Janez te bellen, er is weer iets mis. Daarna kom ik terug en kunnen we naar huis. Goran gaat mee. Ik smokkel hem wel langs Pia. Hopelijk verwacht hij morgenochtend geen ontbijt, want om acht uur moet ik werken. Kom op, vooruit. En drink water.’
Vesna stond nu over me heen gebogen en stak haar hand naar me uit, vlak voor mijn gezicht. Ik pakte die vast en kwam moeizaam overeind.
Ze trok me naar de wastafel, pakte mijn haar vast en zette de kraan open. Het water was ijskoud; ik liet het langs mijn kin lopen. Vesna zweeg vol begrip en streek me over mijn voorhoofd. Nadat ik genoeg had gedronken, draaide ik de kraan dicht. Ik kwam overeind en keek in de spiegel. Daar waren onze gezichten, bleek en opgemaakt met glitters en verbleekte rode lippenstift, die Vesna me had geleend. We leken een beetje op elkaar. Misschien had iemand ons zelfs voor zusjes aan kunnen zien.