18.
Vierentwintig nul drie
Ik ben een slechte oudere zus. In plaats van haar te beschermen, haar advies te geven en haar tot voorbeeld te zijn, moet Azra mij altijd verdedigen, mij advies geven en mij tot voorbeeld zijn. Dat is al zo sinds we kinderen waren. Toen ik voor het eerst menstrueerde, was ik doodsbang. We hadden het er op school wel over gehad, maar hoe dat er in het echt uitzag, kon ik me niet voorstellen. De meeste van mijn klasgenootjes menstrueerden toen nog niet, en degenen die dat wel deden, durfde ik er niks over te vragen. Ik weet alleen dat ik, een paar dagen nadat ik het voor het eerst menstrueerde, dacht dat God me zo had gestraft omdat ik in mijn moeders badkamerlade met maandverband had zitten neuzen. Omdat ik had gelogen toen ze vroeg of ik in haar la had gezeten, en ik had gezegd dat Azra haar pak maandverband had opengemaakt.
Azra moest me geruststellen dat het geen straf van God was en me uitleggen hoe je maandverband gebruikt. Ik weet nog hoe afschuwelijk ik alles vond wat met menstruatie te maken had. Maandenlang kon ik alleen maar denken hoe verschrikkelijk het zou zijn als ik op mijn vijfentachtigste mijn maandverband niet meer zelf zou kunnen verschonen en iemand me ook daar nog bij zou moeten helpen. Ik piekerde over meer dan zeventig jaar later. Totdat Azra me vertelde over de menopauze. Ik begrijp nog steeds niet hoe ze daar al op haar achtste alles van wist. Sindsdien huil ik toch niet meer elke keer dat ik ongesteld word, maar ik vind het nog steeds ongemakkelijk om erover te praten. Menstruatie. Menstruatie. Menstruatie. Bij ons werd dat woord nooit hardop uitgesproken. Wordt het nooit hardop uitgesproken.
Vooral niet in het bijzijn van mannen. Toen ik voor het eerst ongesteld werd en hij me vroeg waarom ik huilde, antwoordde zij hem dat ik buikpijn had. Hij begreep meteen wat dat betekende en vroeg niet verder. Hij schaamde zich om het woord menstruatie hardop te zeggen, maar niet om in de vuilnisbak of wasmand te rommelen en haar erop te wijzen dat ze Azra en mij moest leren hoe we gebruikte maandverbanden tussen het andere afval, en vuile lakens tussen de andere was moesten verstoppen, zodat je ze niet zag, zodat hij er niet naar hoefde te kijken.
Hij ging zelfs zo ver dat hij, een tijdje nadat ik voor het eerst ongesteld was geworden, aan mijn vingers rook als ik de badkamer uitkwam. Om te controleren of ik mijn handen had gewassen. Dat zei hij. Daar schaamde hij zich niet voor. Maar wel om het woord menstruatie hardop uit te spreken. Menstruatie. Menstruatie. Menstruatie. Op de middelbare school vertelden mijn klasgenootjes hoe hun vader maandverband voor hen kocht en thee zette als ze buikpijn hadden. Dat ik niet zo close ben met mijn vader als zij met die van hen, probeerde ik de situatie tegenover hen te vergoelijken. Zoals altijd. Van mijn klasgenootjes op school hoorde ik ook dat er pillen bestaan om menstruatiekrampen te verlichten.
Zelfs de vrouwen bij ons praten in codetaal over menstruatie. Onder elkaar fluisteren ze dat ze buikpijn hebben omdat ze het hebben gekregen. Ik heb het weer, alles doet pijn, zegt tante tegen haar, zegt zij tegen tante. Blijkbaar vinden ze me nu oud genoeg om mij ook bij deze gesprekken te betrekken. Zij werkt me met haar gefluister en hypocrisie zo op de zenuwen dat ik soms het liefst haar ogen zou uitkrabben. Een jaar of twee geleden was ze, waar Azra en ik bij waren, schaamteloos, zelfs vulgair, gaan praten over haar buikpijn. Menstruatie. Menstruatie. Menstruatie. Ik had haar al vaak genoeg gezegd dat ik er niet over wilde horen. Ik ben toch ook een vrouw, het is normaal dat vrouwen onder elkaar over zulke dingen praten, zei ze. Waar was ze toen Azra en ik wilden praten? Ze is te laat. En nu ineens zou ze de toegewijde moeder uithangen. Nee dank je, dat pik ik niet! Ze mocht naar hartenlust doen alsof ze alles vergeten is. En dan vindt ze het nog grappig ook als ze haar gebruikte maandverband in de prullenbak vergeet te gooien. Als ze het op de wastafel laat liggen is er niemand die tegen haar schreeuwt dat het smerig is. Meer nog, Azra en ik ruimen het zelfs achter haar op. Wie is hier de moeder?
Ze is vergeten hoe ze tegen Azra deed toen die voor het eerst menstrueerde. Toen ze tot haar afgrijzen merkte dat Azra al zo vroeg ongesteld was geworden en zij haar alleen met de grootste tegenzin toestond haar maandverband te gebruiken, deed ik niets. Ook toen gedroeg ik me niet als een oudere zus. Ik had beter moeten reageren, ik was oud genoeg. Bovendien was het Azra. Azra. Misschien ben ik echt egoïstisch. Azra hielp mij toen ik voor het eerst menstrueerde. Dat deed ik niet toen het voor haar de eerste keer was. Het zou bijna tien jaar duren voordat we erover begonnen te praten. Beter laat dan nooit.
Ik had beter moeten reageren. Het spijt me dat ik dat niet heb gedaan. Ik mocht er niet zomaar van uitgaan dat Azra alles alleen aankon. Niemand kan alles alleen aan. Ik ben een slechte oudere zus. Azra had beter mijn oudere zus kunnen zijn.
Het is al laat. Ik zou zo langzaamaan moeten gaan douchen. Nu is er waarschijnlijk niemand in de badkamer. Het is zaterdag.
Sommige mensen zijn namelijk echt schaamteloos. Ze trekken er zich niks van aan dat ze niet de enigen zijn op de campus en dat ook anderen willen douchen. Ze nemen zelfs een luidspreker mee naar de badkamer en zingen. Ik snap niet hoe ze in zo’n smeerboel zo relaxt kunnen zijn. De douches zitten vol met insecten en muggen. De jongens zijn ook erger dan de meisjes. Wij lopen tenminste niet halfnaakt door de gangen. Maar het is ook waar dat wij met veel minder zijn dan de jongens en dus minder opvallen. Mijn handdoek ligt op de stoel, mijn pyjama moet ik meenemen, en ik mag mijn onderbroek, beha, douchegel, shampoo en scheermes niet vergeten. Als ik dan toch naar de badkamer moet, kan ik meteen ook maar mijn tanden poetsen, dan ben ik daar vandaag ook vanaf. Dat is alles. Ik denk dat ik alles heb wat ik nodig heb. Er is niemand in de gang, gelukkig. Ik doe alleen nog even de deur op slot. Snel. Snel. Voordat er iemand komt. De eerste, tweede of derde douche? De derde is het minst vies. Ik neem de derde. De sleutel van de kamer leg ik hier neer, de handdoek kan ik zo opvouwen dat hij niet zoveel plaats inneemt. Ik kan mijn schone kleren hier ophangen, de vuile kleren leg ik gewoon op de grond. Daar zal in die tien minuten niets mee gebeuren. Ze zullen alleen nat worden. Ik kan ze beter naast de schone kleren ophangen. Ik ga ze niet drogen als dat niet hoeft.
Ik haat mijn lichaam. Zie mijn voeten eens. Kromme benen. Ik heb ook helemaal geen heupen, zoals andere vrouwen. En ik ben klein. Ik moet hiermee stoppen. Ik zit niet meer op de middelbare school. Ik ben te oud om over die onzin na te denken. Het is allemaal hun schuld. Allemaal.
Ik weet niet meer hoe oud ik precies was. Twaalf, misschien dertien. Ik was net beha’s gaan dragen. Zij had twee grijze voor me gekocht. De ene met een hartje van glitters aan de linkerkant, de andere met twee sterretjes. We zaten met z’n drieën in de woonkamer. Azra en ik zaten wat aan tafel te schrijven. Ook ik vergeet steeds meer dingen die me geraakt hebben. Over een paar jaar, als ik me niets meer kan herinneren, zal niemand geloven dat dit allemaal gebeurd is. Ineens was hij daar, uit het niets. Hij ging achter me staan en meteen voelde ik me ongemakkelijk. Ik wist niet wat hij nu zou doen, ik was niet snel genoeg weg. Hij kneep in mijn rug, net onder mijn oksel, waar het elastiek van mijn beha in mijn huid sneed. Zina heeft zwembandjes, zei hij teleurgesteld, bijna alsof hij me met de beste bedoelingen wilde vertellen dat ik was aangekomen. Ik stond op van de bank of stoel – ik weet niet meer precies waar ik zat – en ging naar de keuken. Ik schaamde me ervoor hem te vertellen dat ik sinds kort een beha droeg. Waarom was ik boos hem, riep hij vanuit de woonkamer.
Daarvoor schaamde hij zich niet. Maar wel om mijn en Azra’s was op te ruimen. Alles wat mij overkomt, is te danken aan hun twee. Alles. Hij geneerde zich er niet voor om in het bijzijn van mijn oom en tante te zeggen dat het ongepast was dat ik mouwloze shirts droeg en dat ik mijn oksels zou moeten scheren. De volgende dag scheerde ik met zijn mesje elk haartje op mijn lijf, zelfs mijn wenkbrauwen. Ik was het enige kind in de klas dat spaarde om nieuwe scheermesjes te kunnen kopen. Ik moest me schamen omdat ik in zijn bijzijn had verteld dat ik mijn armen had laten ontharen. Wat was er mis met mij? Hoe haalde ik het in mijn hoofd daarover te praten waar hij bij was, vroeg zij me toen we alleen achterbleven.
Snel. Ik moet terug naar mijn kamer voordat iemand de gang op komt. Waar is mijn sleutel? Snel. Ook deze keer is het me gelukt. Ik leg de handdoek over de stoel zodat hij kan drogen. De vuile kleren gaan in de wasmand. Morgen was ik ze. Alleen de laptop nog op tafel en dan kan ik naar bed. Zo. Klaar.
Ik zou me ervoor moeten schamen dat ik niet wil inzien dat ze me zo goed mogelijk hebben opgevoed. In plaats van dankbaar te zijn voor alles wat ze voor me hebben gedaan, smijt ik naar hun hoofd dat ze Azra en mij hebben geslagen. Ze hebben me zelfs naar Slovenië meegenomen, zodat ik kon studeren, zodat ik werk kon vinden. Waren we hier maar nooit naartoe gekomen, zuchtte hij de laatste keer toen we weer ergens ruzie over hadden. Hij heeft ervoor gezorgd dat ik een leven heb zoals ik heb. Ik verbeeldde me alleen maar wat er was gebeurd, zeiden ze. Zo erg was het helemaal niet. Of ik hun werkelijk zoiets kleins, zoiets onbenulligs kwalijk kon nemen, vroegen ze zich verbaasd af. En weer was het mijn schuld. Weer was Zina gek. Diegene die niet wist waarover ze het had. Blijkbaar dachten ze dat ze op een dag zomaar wakker konden worden en dat alle nare dingen uit het verleden als bij toverslag verdwenen zouden zijn.
Als iemand zou zien hoe ze met de kinderen van hun collega’s of vrienden omgaan, zou die nooit geloven dat ze tegen Azra en mij heel anders deden. Toen we hun dat ook zeiden, zei ze dat wij, anders dan die kinderen, altijd al volwassen waren geweest voor onze leeftijd. Misschien omdat we de tijd niet kregen om echt kind te zijn, lieve moeder. Door jou en je man. Geen zorgen, ik zal hun schijnvertoning niet verpesten. Zodra we aankomen, doe ik alsof alles perfect in orde is, zei ik tegen hen toen we voor het laatst samen in Kosovska Mitrovica op bezoek waren. Dat gelukkige gezin hebben we al een miljoen keer opgevoerd. Voor het eerst beet ik hun zelf toe, zonder Azra’s hulp, dat ik niets was vergeten van wat ze Azra en mij hadden aangedaan. En dat ik dat ook nooit zou doen. Dat ze konden doen alsof zoveel ze wilden. Ze mochten me gek en dom vinden. Maar ze zouden me niet wijsmaken dat ze niet schuldig waren aan wat ze hadden gedaan. Aan wat ik door hen had doorgemaakt. Wat ik nog steeds moet doormaken. Dat ze het zelf ook goed genoeg wisten, dat ze helemaal niets waren vergeten. Dat ze ontkenden wat ze hadden gedaan omdat hun geweten niet genoeg knaagde om zich tegenover Azra en mij te verontschuldigen, voegde ik er nog aan toe toen ik al uit zijn auto was gestapt.
Morgen zal de campus weer vollopen. Ik moet m’n was doen. Gelukkig heb ik me niet te vroeg op de lijst gezet. Ik zal m’n bed weer niet uit kunnen komen. Vandaag ben ik toch naar de winkel geweest. Ik heb me gedoucht. Vandaag was geen al te slechte dag. Geen goede, maar toch ook niet zo’n heel slechte. Ik ben naar de winkel geweest. Ik heb me gedoucht. Morgen wordt het hier weer druk.