PROLOOG
Als ik kikkers zie, ervaar ik in de eerste plaats verbazing bij de constatering hoeveel verschillende tinten er in de natuur van één enkele kleur bestaan. Kikkerbuikgroen, kikkerpootgroen, kikkerruggroen. Allemaal groentinten die ik nog nooit had gezien. Meteen daarna voel ik opluchting, omdat ik besef dat ik in de bevroren iglo van mijn kinderherinneringen altijd de angst heb gekoesterd dat kikkers waren uitgestorven.
Op een dag, een paar jaar geleden, liep Ruben met me mee naar huis toen ik halverwege het pad ineens naar voren sprong om een kikker te vangen. Trots liet ik hem mijn buit zien.
‘Kijk eens hoe mooi hij is!’
Vol afschuw greep Ruben mijn arm vast en schudde eraan tot het beestje op de grond viel, en meteen strompelde het weg.
Sindsdien zijn er geen kikkers meer geweest op mijn tuinpad. Ze hebben elkaar toegekwaakt dat ze weg moeten blijven van dat huis, van dat dorp, om zich ten slotte terug te trekken uit de wereld.
In de schrale tuin voor het gebouw staan bijna alle bewoners van het appartementencomplex, allemaal gebukt over die kleine geleiachtige lijkjes. Ook de bewoners van het gebouw aan de overkant zijn naar buiten gekomen en staan reikhalzend naar de kikkers te turen.
Op de hoek, naast de heg, liggen de lijkjes op een hoopje. De conciërge is bezig ze bij elkaar te harken.
‘Wat is er gebeurd?’ vraag ik hem.
‘De tuin ligt vol dode kikkers.’
‘Dat zie ik, maar waar komen ze vandaan?’
‘Ik weet het niet, maar ik vind het smerig. Ze zijn vannacht hierheen gekomen om te sterven. Rotzakken.’
Ik loop slalommend tussen de dode kikkers en de bewoners over de binnenplaats. Ik probeer niemand aan te raken en denk: als ik ze aanraak, ben ik af, dan verbrand ik, dan ben ik dood. Meneer en Mevrouw Bava van op de vierde verdieping staren me aan alsof ik deel uitmaak van een groep fanatieke milieuactivisten die ’s nachts een vrachtwagen vol dode kikkers in hun tuin heeft gedumpt om een statement te maken tegen waterverspilling, aluminium en plastic flesjes.
Als dat waar was, zouden ze het verdienen; zij geeft elke dag de planten op het balkon water, waarvan ik vrijwel zeker weet dat ze nep zijn, en het overtollige water stroomt als een waterval op het terras van onze keuken.
Ik kijk naar de bewoners die zich als duiven opeenhopen en net zo hectisch heen en weer rennen. Vandaag zullen ze nergens anders over praten, terwijl ze er toch niets van zullen begrijpen.
Niemand kan ten volle waarderen hoe geruststellend de aanwezigheid van een spook is. Het betekent dat je weet hoe de dingen werkelijk in elkaar zitten, in plaats van het alleen maar te veronderstellen. Het is net als het geloof in Jezus Christus, waardoor gelovigen niet in het duister tasten omdat hen na de dood het paradijs wacht met ijskoud bier en bloederige biefstuk, of wat het ook is dat er in de Heilige Schrift staat. Het is een bliksemsnelle ingeving, en zoals alle ingevingen wekt die een verdomd vertrouwen, een draad die de geest meesleept.
Ik kijk omhoog naar een onbepaald punt aan de hemel: ik weet dat jij het bent, maar dat zal ik tegen niemand zeggen.
1
Jij: Ik heb over je gedroomd
Ruben: Ik haat je
Toen ik daar bij het levenloze lichaam van Ruben stond, half in het badwater, geëlektrocuteerd door een defecte elektriciteitskabel, dacht ik dat niets me ooit nog zou kunnen choqueren. Het water was wat blauwig door de haarverf en het was nog warm. De luchtvochtigheid in de badkamer leek elektrisch geladen, het was alsof ik in een aquarium zat, met tl-verlichting, een tropische sfeer en een sifon die het water reinigt. Zijn bleke, tengere lichaam deed denken aan dat van een zeemeermin, met lange, blauwe haren als anemonen die verbleekten in het moerasgroen. De spiegels weerspiegelden niets meer en ik had de neiging om de damp waardoor ze waren beslagen weg te vegen, want ik kreeg er een claustrofobisch gevoel van. Even dacht ik nog steeds elektrische vonkjes op zijn huid te zien dansen als zirkonia, maar het waren enkel de glinsteringen van het licht weerkaatst door zijn natte lichaam.
Toen ik de verpleegkundigen hielp om hem op het bed te leggen, anticipeerden zijn bewegingen op de mijne, omdat zijn spieren nog niet helemaal waren uitgevallen. Ik pakte zijn arm vast om die langs zijn zij te leggen, en hij voltooide de beweging gedwee. Hij was nog nooit zo volgzaam geweest, maar hij bewoog zich alsof hij niet helemaal dood was, en dat was het eerste moment waarop ik vreesde dat hij nog steeds boos zou kunnen worden, nog steeds zou kunnen mokken en zeggen dat ik alles had verpest.
En in zekere zin is het ook zo gegaan, ik ben minder snel van streek. Ik walg niet meer van platgereden stekelvarkens op straat, van pus, van gele, opgezwollen puisten of van bloed laten prikken.
Vanochtend zag ik twee kinderen spelen met een pistool dat ze in de la van hun vader hadden gevonden, het was onvermijdelijk dat vroeg of laat een vingertje de trekker zou overhalen. Ik vroeg me af: waar zal de loop van het pistool dan op gericht zijn? Ik sloot een weddenschap af met mezelf over wie van de twee er als eerste aan zou gaan. Iene, miene, mutte, pang!
Ik vertelde het aan Dennis en hij zei dat hij net al twee onthoofdingen had gehad, een langzame en een snelle.
Die klootzak van een Dennis. Bij hem moet alles een wedstrijd zijn.
Daarna zag ik een psychopathische Thai die pitbulls uit een hok trok en ze met een hamer één voor één doodsloeg. Vervolgens sneed hij ze de buik open met een slagersmes, liet ze goed leeglopen in een kom totdat de pitbulls alleen nog maar verfrommelde vodden met ogen waren, en toen dronk hij voor de camera hun bloed op met een krankzinnige grimas en al zijn tanden roodomrand.
Dennis heeft het niet expliciet gezegd, maar ik weet dat ik heb gewonnen met de willekeurbonus, want mijn Thaise vriend werd op een ochtend wakker en toen kreeg hij enorme trek in vijf liter hondenbloed.
Dennis en ik zijn collega’s; we hebben tegelijkertijd ons contract getekend en zijn tegelijkertijd begonnen. We spuugden in onze handpalmen en gaven elkaar een hand. We volgden de opleiding. Op onze eerste dag op kantoor maakten we een selfie, die we vervolgens moesten verwijderen. De nda leek enkel een goede reden om ons gedeisd te houden, om geen vragen te beantwoorden. Nu zegt Dennis dat het werk als content moderator zoiets is als anale seks; in het begin krijg je het echt niet voor elkaar, maar later besef je dat het de enige verstandige manier is om actief te zijn op de sociale media.
Vandaag is het vier maanden geleden dat we begonnen zijn. Na de lunch vieren we het op het dak van het gebouw waar het bedrijf is gevestigd door samen een joint te roken en psychofarmaca uit te wisselen. Dennis kiest ze tegenwoordig op basis van de bijwerkingen:
‘Kijk deze, hier staat: “Visioenen van regenbogen”. Te gek. Of, of, Ropinirol: “gokdrang”.’
‘Wat moet je met Ropinirol?’
‘Ik heb het rustelozebenensyndroom, mijn benen trillen de hele tijd als ik slaap, daar word ik doodnerveus van.’
Ik neem meerdere trekjes van de joint, waarbij ik elke keer heel weinig inhaleer omdat ik altijd moet huilen van opioïden. Eigenlijk blaas ik het gewoon weg, maar Dennis wilde per se dat ik hem gezelschap zou houden.
Als ze hem vragen wat voor werk hij doet, zegt Dennis dat hij grafdelver is. Het is in feite ook een halve waarheid, want af en toe helpt hij zijn vader in het uitvaartcentrum. Zo hebben we elkaar leren kennen: bij de begrafenis van Ruben.
Ik droeg een zwarte kanten jurk die ik had gekocht in een gothicshop genaamd Inferno. Gelukkig vroeg niemand waar ik die had gevonden, want de waarheid zou mijn situatie alleen maar erger hebben gemaakt, en ik heb de neiging om overdreven ingewikkelde leugens te verzinnen die zo absurd zijn dat ze zichzelf al meteen ontkrachten. Ik zou waarschijnlijk hebben geantwoord dat Ruben en ik hem samen hadden gemaakt, bijvoorbeeld dat hij de jurk ’s nachts uit elkaar haalde en ik hem overdag weer in elkaar zette en andersom, afhankelijk van onze stemming. Telkens als er werd gezongen ging ik in het kleine toilet van de pastorie mijn zwarte lippenstift bijwerken, met op de achtergrond de naargeestige klanken van de lofzang ‘Servo per amore’.
Ik had gewild dat Ruben was gestorven vóórdat we uit elkaar gingen, want de rol van femme fatale past me te goed om familieleden en vrienden ervan te kunnen overtuigen dat ik hem niet heb vermoord. Het was een ongeluk.
Tussen de vriendin en de ex-vriendin van de overledene zit een enorme kloof, vooral als de breuk pas een week voor het overlijden plaatsvond. Ik voelde me buitengesloten, alsof ik ongeluk bracht. Geen troostende klopjes op de schouder of meelevende blikken voor mij, als een grote kaalgeplukte zwarte raaf die op het wijwaterbakje was neergestreken. Toen ik mijn moeder vertelde dat Ruben en ik uit elkaar waren, vroeg ze wat ik had uitgehaald. Ze kwam niet naar de begrafenis, ze heeft rood haar en een bleke huid, en ze kan niet tegen de hitte.
In het mortuarium had ik gezien hoe Dennis met zijn hand door Rubens haar streek, dat door de talloze verfbeurten helemaal rafelig was geworden. Dennis had zelf ook geel haar dat was beschadigd door het bleekmiddel, met een donkerbruine uitgroei. Hij zag eruit als een stinkdier. Toen hij mij zag, ging hij er automatisch vanuit dat ik Rubens vriendin was en dat ik kapot van verdriet was, en hij vroeg in welke kleur ik zijn haar wilde hebben. Ik vroeg me af waarom zijn familie er niet was om die verdomd belangrijke beslissingen te nemen. Ik zei roze, en hij zei dat dat goed was, en toen stelde ik voor om zijn wenkbrauwen blauwgroen te maken en hij stond me even aan te kijken, met nog een lok van Rubens haar om zijn vinger gedraaid. Ik was te ver gegaan, maar Dennis zag het als een uitdaging. Oké, zei hij, ik ben hier heel goed in, meid. Dankzij hem heb ik deze baan gevonden.
Tijdens de mis dreigde de priester op een gegeven moment te stikken in de gezegende hostie, en ik weet vrijwel zeker dat minstens tien van de aanwezigen me scheef aankeken, alsof ook dat mijn schuld was. Zijn stiefmoeder, die naast mij zat, trok zich verontwaardigd terug in haar eigen rimpels, en probeerde haar wenkbrauwen te fronsen zonder dat ze daadwerkelijk fronsten omdat ze ze jarenlang zo zorgvuldig had geëpileerd, geverfd en uiteindelijk getatoeëerd dat ze onbeweeglijk waren geworden.
Eerst de overledene, daarna de pastoor, wie moest ik nog meer uit de weg ruimen?
‘Ik heb het gevoel dat Ruben me achtervolgt, zou dat kunnen? Als een spook, bedoel ik.’
Dennis kijkt naar de half slappe joint in mijn hand en knakt met zijn vingers, met het geluid van een handvol noten die allemaal tegelijk worden gekraakt.
‘Zou kunnen, mijn neef zegt dat hij, terwijl hij voor zijn rijbewijs zat te studeren, zijn opa tegen hem hoorde fluisteren dat hij het wel zou halen, hij hoorde echt zijn stem als een zuchtje wind in zijn oren. Bovendien, als het een ongeluk…’
‘Verdomme, Dennis.’
‘Sorry. Aangezien het een ongeluk was, is de kans groot dat het spook nog niet klaar is om te gaan, dat het nog iets nodig heeft.’
‘Wat heeft het dan nog nodig?’
‘Ik weet het niet, Mia. Misschien is hij boos. Of misschien heb ik het mis. Wil je die Xanax? We moeten weer naar binnen.’
‘Vanmorgen lagen er honderden dode kikkers bij ons in de tuin.’
‘Wat? Hoezo?’
‘Ik weet het niet, milieuvervuiling misschien?
‘Zou kunnen. In China regent het rupsen.’
‘Heb jij iets met kikkers?’
‘Ik geef meer om vlinders, maar amfibieën zijn wel ongelooflijk: in het Grieks betekent anfibius ‘met een dubbel leven’. Het zijn dieren die zich heel goed kunnen redden in twee verschillende omgevingen. Hoezo?’
‘Ruben had een hekel aan kikkers.’
Ik gooi de joint die ik zogenaamd heb opgerookt weg en werp vanaf hierboven nog een laatste blik op de stad. Kleine rode spinnetjes klauteren over de stenen balustrade. Je kunt ze wegblazen, maar meestal worden ze ongewild platgetrapt, complete families of afzonderlijke martelaren, geplet door je vingertop die al rood is van het bloed van andere spinnen, zo’n prachtig rood dat het niet eens op bloed lijkt en misschien is het dat ook niet, misschien is het enkel de brij van lijfjes die zo kwetsbaar zijn dat het hoe dan ook geen enkel verschil maakt.
We verlaten het dak via de brandtrap. Omlaag, omlaag, omlaag, we dalen samen af met de overlevende rode spinnetjes en kijken door de ramen. De bovenste ramen krijgen al het daglicht tot zonsondergang, die behoren toe aan de kantoren van de leidinggevenden, de top van de piramide. Hun kantoren zijn vaak een en al raam, zo kwetsbaar en toch zo sereen, zij worden daarboven alleen bekeken door de zwaluwen. Geld hebben betekent dat je zoveel mogelijk afstand kunt nemen van de anderen.
Ik gluur even naar binnen, maar probeer ongezien te blijven. Wij content moderators hebben een aparte ingang, zodat we ons niet onder de andere medewerkers van het bedrijf mengen. Die hoeven niet te weten dat wij bestaan, of ze hoeven er in elk geval niet iedere dag aan herinnerd te worden. Niemand ziet ons, daarom draag ik mijn zwarte hoodie ook naar het werk.
Via de brandtrap kom ik ook langs de kantine, of beter gezegd ‘Gezonde Geest & Volle Buik’, de mindfulnessruimte, de fitness van het bedrijf, die een zweetgeur uitwasemt, bekleed met witte tapijten, waar iedereen staat te schreeuwen zoals in de isoleercellen van vroegere gekkenhuizen. Eenmaal aangekomen op de parkeerplaats ga ik naar binnen door de ingang die is voorbehouden aan content moderators, en dan weer naar beneden, naar de kelder. De Serre, noemen de anderen het.
Het eerste wat ik vandaag op het scherm zie zijn zwartgroene lichamen die onderwater opzwellen als kogelvissen, loom door de oceaan dobberen, af en toe benaderd door een vis die zijn belangstelling algauw weer verliest. Ze zijn lelijk om naar te kijken, maar ook vreselijk aangrijpend, want anders dan bij vissen wordt een opgezwollen huid bij onze soort niet beschouwd als een bedreiging. Klik, ik verwijder het.