In het donker lopen de mensen hen als een golf onder de voet. Het geschreeuw echoot in de tunnel. Ze zijn allemaal over elkaar heen gestruikeld en vormen een berg lichamen. Romi kijkt naar de kinderen en probeert kalmte uit te stralen. Hij houdt de fakkel omhoog, in zijn andere hand houdt hij het pistool vast, het is geladen. Als al dat geren nou eens ophield! Hij ziet niets anders dan van angst vertrokken gezichten, die langs hen snellen.
‘Blijf staan!’ schreeuwt hij tegen de kinderen, en hij ziet ook de hond aan de voeten van het meisje.
Voor hen verschijnen steeds nieuwe angstige figuren, die hij wegduwt zodat ze hem niet omverlopen, moeizaam baant hij zich een weg, als tussen rotsblokken die over elkaar heen rollen, hij voelt elk van hen tegen zijn schouders en borst stoten, het ruikt zurig naar zweet.
Op de grond liggen mensen die omver zijn gelopen, een aantal van hen proberen hem aan zijn arm te trekken zodat hij ze overeind helpt. Anderen zijn bewusteloos.
Hij ziet hem. Het is een man, een schimmige schaduw, die een pistool boven zijn hoofd houdt. Hij komt steeds dichterbij. Hij draagt geen uniform, maar een gebreid vest over zijn hemd. Ook zijn indringende ogen zijn zichtbaar, boven zijn ingevallen, donkere wangen. Een vrouw met een hoofddoek leunt op hem.
‘Waarom schiet je, man?’
Romi kijkt hem recht aan, zijn woede kookt in zijn hoofd, hij ziet niet eens de stroompjes zand die uit het plafond sijpelen of de witte linnen knapzak aan zijn voeten.
‘Omdat ze niet naar me luisteren!’
Hij loopt met de fakkel voor zich op hem af. Zijn pistool houdt hij tegen zijn bovenbeen. Daar, tussen hen, naast de muur, is een trap. Waarschijnlijk zijn ze hier in de tunnel afgedaald en in de golvende mensenmassa terechtgekomen, waardoor ze er niet door konden.
‘Waarom loop je niet gewoon rustig als ieder ander, zonder problemen te maken?’ zegt Romi in een poging kalm over te komen.
‘Ik probeerde hun duidelijk te maken dat de tunnel geblokkeerd is. Wij waren al aan het einde en hebben gezien dat hij doodloopt… Je kunt er niet door! We maakten gauw rechtsomkeert, mijn vrouw kan elk moment bevallen,’ zegt de ander zacht, en hij laat zijn pistool zakken. ‘Ik hoorde dat er een herder is, ze noemen hem zelfs De Herder, en dat er een groep wacht in de kerk in de tunnel om de bergen over te steken, en daar moeten wij ook heen. Maar toen zijn we in deze menigte terechtgekomen... Ik vroeg gewoon of ze ons erdoor wilden laten, ik heb moeten duwen, want ze liepen ons omver, maar niemand… Ze heeft weeën! Ze kan niet bevallen in de tunnel!’
Hij wil net zeggen dat ze de tunnel uit moeten om naar het bos te gaan, maar de vrouw van de man begint nog harder te kreunen en gaat voor zijn voeten onderuit. De man legt zijn fakkel naast de witte knapzak. Hij buigt zich voorover naar zijn vrouw om haar te helpen languit te gaan liggen.
Romi ziet dat boven hen aarde door het plafond stroomt als door een zeef en beseft dat het schot het gewelfde plafond van de tunnel heeft doen barsten. Hij kijkt naar de voeten van de vrouw: de knapzak is in brand gevlogen. Door de opening ziet hij het uiteinde van een staaf dynamiet en hij slaakt een kreet, het lukt hem nog net zich om te draaien.
De klap is oorverdovend en sterft met een schel gefluit weg. De ontploffing dreunt nog door in zijn hoofd, en in het donker ziet hij verblindende stukjes metaal rondvliegen. De tunnel spuwt splinters en aardklonten en buldert, terwijl hij aan alle kanten instort. Er valt iets boven op zijn hoofd en hij hoort als door een wand van watten iemand schreeuwen, meteen verslikt die persoon zich en hij voelt diegene vlak naast hem kronkelen van de pijn, maar hij heeft geen kracht iets te doen. Andere stemmen klinken op, vervlechten met elkaar, sterven weg. De wereld aan het oppervlak is heel ver weg, surreëel. De uitgang, denkt hij, de uitgang is daar.
En daarna weet hij niets meer, hij zijgt uitgeput neer, alsof aan elk van zijn spieren een natte zak zand hangt. Hij droomt dat onder hem de parallelle vertakkingen van het stelsel liggen, molshopen die omhoog en omlaag bewegen, hij dwaalt ertussendoor, maar niet één ervan leidt naar het bos, nee, ze leiden allemaal bedrieglijk nog dieper de aarde in… En hij zoekt zijn kinderen en roept hen en iedereen verwijt hem dat hij schreeuwt en de doden wekt, in plaats van zich erbuiten te houden. Maar het zijn mijn kinderen, zegt hij tegen hen, en zonder hen kan ik niet naar Domnica! Ze zal boos zijn dat ik hen in de diepte ben kwijtgeraakt, dat ik hen heb laten verrekken. Hij draait zich om, gaat terug naar waar hij vandaan komt en verdwaalt weer in de door oranje gloeiende fakkels opgelichte doolhof, waar ook dikke wormen rondkrioelen, en hij walgt wanneer die over zijn vuist en tussen zijn vingers door glijden, maar hij mag de fakkel niet bewegen, want straks dooft die nog.
In zijn mond proeft hij modder, hij verslikt zich en hoest wanhopig. Hij draait zijn gezicht naar de lucht, er is een spoortje zuurstof en daar klampt hij zich aan vast, in diezelfde gekmakende duisternis.
‘Ioana,’ zegt hij zacht en hij slaagt erin zijn hoofd op te richten.
Hij kan zijn benen niet bewegen, die zitten ook vast. Zijn schouders doen pijn van de last die erop ligt. Hij zet zich schrap, houdt zijn hoofd zo recht mogelijk, maar zijn nek doet pijn. Eindelijk komt hij overeind. Hij zakt door zijn knieën, maar blijft hardnekkig proberen op te staan. Er is niets te horen. Is iedereen gevlucht? Waar kwam dat vandaan? Hij weet nog dat hij zich wegdraaide van die gek, voordat het plafond instortte. Hij tast om zich heen, kruipt opzij, zoekt naar de muur, spuugt modder uit en ademt alleen door zijn mond. Hij trekt zijn rechterknie op, de pijn verlamt hem. Misschien heeft hij hem verdraaid in de val. Rechts van hem ligt een hoop aarde, die hij opzij probeert te schuiven, hij heeft het gevoel dat hij opnieuw bedolven wordt. Hij blijft met zijn armen graven in de richting waar hij de muur vermoedt, als hij maar niet de verkeerde kant op gaat, want hij is zowat aan het einde van zijn krachten. Hij valt, de hoop aarde stort in en sleurt hem mee. Hij ligt op zijn rug, slaagt erin zijn hoofd recht te houden en richt zich op zijn ellebogen op. Zijn voeten raken iets hards, het is een van de wanden. Hij steekt zijn handen uit, trekt zijn benen los, het is moeilijk om in de volledige duisternis zijn evenwicht te vinden. Hij heeft geluk: hij stuit op een stuk hout, klampt zich eraan vast, tast nog eens rond en vindt nog een trede. Hij verzamelt zijn krachten, kruipt op zijn knieën op de hoop aarde die de tunnel heeft geblokkeerd. Hij steunt op de trap die hij probeert te beklimmen.
Het houten luik kan hij makkelijk opzijschuiven. Zonsopgang of zonsondergang? Het roodachtige licht verblindt hem, de lucht met dennengeur brandt in zijn keel. Hij voelt pijn waar hij is geraakt op zijn hoofd en zijn rug tussen zijn schouderbladen. Hij kijkt rond, de uitgang zit tussen de struiken, maar het bos is niet te zien, alleen in de mist gehulde heuvels en blauwige bergen in de verte. Buiten is het stil. Hij laat de ingang halfopen staan en daalt af in de tunnel. Zo kan hij zien dat alles onder de trap bedolven is, hij graaft met zijn handen om te kijken of er nog een kans is een pad te banen naar die plek onder het ingestorte plafond.
Zijn hand trilt als hij een voet voelt. De schoen zit met een bandje vast aan de enkel. Het been is losgetrokken van de heup. Geschrokken gooit hij het van zich af. Verderop ligt de rest van het lichaam. Uit haar bovenbeen gulpt een kleverige vloeistof. Hij probeert haar snel los te krijgen, maar haar hoofd is begraven. Hij trekt aan haar schouders, slaagt erin haar mond vrij te maken en voelt met zijn vingers aan haar versteende gezicht. Ze ademt niet. Zijn hand raakt de ronde buik aan, iets in haar stuiptrekt, wil eruit. Zijn hart bonst en hij begint te schreeuwen, hij trekt aan de kleren van de vrouw, maar die scheuren tussen zijn vingers. Hij pakt haar bij een arm en trekt eraan, maar die hangt slap vanaf de elleboog omlaag.
‘Kom op, mens!’ schreeuwt hij, en hij schuift de verkruimelde resten van het plafond van haar gezicht.
Ze is zo koud als de aarde, alleen haar buik is warm. Hij kijkt verafschuwd naar haar en raakt haar opnieuw aan. Daar, vlak onder zijn hand, duwt een been of een arm hem, vraagt om ontsnapping. Maar dat is een gruwel waar hij niets mee kan beginnen!
‘Laat me niet in de steek, God!’ schreeuwt Romi, maar hij kan het niet opbrengen zijn hand van de warme buik te halen.
Hij blijft zitten en luistert, het leven vraagt hem om hulp. Er vaart een huivering door zijn rug, en zijn hand is zwaar als een steen. Was zijn moeder hier maar! Zij heeft alle vrouwen in het dorp bij hun kraambed bijgestaan, zij zou weten wat ze moest doen.
Hij meende iemand zijn naam te horen roepen.
Tot aan zijn heup zit hij nog vast in de aarde en hij kan zich slechts moeizaam lostrekken om de man te zoeken die had geschoten. Zijn handen graven, hij grabbelt en probeert alles vast te pakken, misschien vindt hij hem nog in leven, maar hij is nergens te bekennen. Hij krijgt het koud en beseft dat het geen zin meer heeft. Hij ziet haar nog, in de positie waarin hij haar omhoog heeft getrokken, ze ligt op haar zij, haar benen uit elkaar, stromen bloed vloeien in de hoop aarde onder haar. Ze draagt een linnen jurk en een lakens boerenvest over haar spits toelopende buik. Haar gezicht is zwart geworden, alleen haar bleke ogen stralen, een beeld dat hij nooit meer zal kunnen vergeten. Een van haar handen is afgerukt tijdens de explosie en ligt iets verderop.
Hij kijkt omhoog door het open luik naar de halve maan aan de hemel. De brok in zijn keel daalt af in zijn borst en hij voelt al zijn kracht wegsijpelen. Als hij sneller overeind was gekomen… Hij huivert en begint onbedaarlijk te kreunen. Hij ziet de vrouw nog zo voor zich, hoe ze op haar man leunde, de knapzak aan haar voeten, waar ze de fakkel neerlegden. Hadden zij de explosieven bij zich? Maar het is er niet het moment naar nog te gissen wat er gebeurd is. Hij moet in beweging komen, hij kan de ingang niet zo lang openlaten. Hij haalt diep adem en draait zich om. Als de kinderen maar ongedeerd zijn!
Hij gaat de kant uit waar hij hen heeft achtergelaten. Hij kruipt op de berg aarde, trekt zijn knieën op en probeert in de duisternis voor zich een teken van leven te ontwaren. Dit stuk van de tunnel kan niet veel groter zijn, als hij Ioana en Petruț niet snel genoeg vindt, kan de tunnel instorten of erger en dan zitten ze vast. Als hij achteromkijkt, ziet hij een heldere lichtstraal die schuin de schacht binnenvalt. Hij wil roepen, maar geluiden kunnen de tunnel nog erger beschadigen. Hij heeft al behoorlijk geluk gehad met de trap, dat die niet ook helemaal is bedolven… Nu loopt hij over steeds kleinere heuveltjes aarde, hij kan het plafond niet meer aanraken met zijn handen en een tijdje kan hij zelfs rennen, zijn handen voor zich uit gestrekt, want hij ziet nog altijd niets. Hij hoort geblaf en versnelt zijn pas.
‘Ioana!’
Hij struikelt, benen blijkbaar, een hoofd, een ander lichaam, hij botst tegen een muur. Daar had hij ze achtergelaten, tegen de muur. Hij hoort weer geblaf, dichterbij deze keer.
‘Petru, Ioana!’
Hij hoort ze jammeren. De kindertjes hebben braaf op hem gewacht.
‘Romi?’ hoort hij het meisje vragen. ‘Romi, waar ben je?’
‘Hier,’ hij zet een paar kleine stapjes richting het huilerige stemmetje, ‘hier ben ik, kinderen!’
Dunne en koude vingers pakken hem bij zijn hemd, kleine armen slaan om zijn middel. Aan zijn voeten voelt hij de staart van de hond, die blij kwispelt.
‘Ik wist dat je zou komen!’ zegt Petruț. ‘Ik was heel bang!’
‘Ik ben hier.’ Hij kust ieder van hen op hun kruin, er zit aarde in hun haar, hij aait hen over het hoofd en zegt: ‘Kom, naar huis!’
Om beurten tilt hij de kinderen over de steeds hoger wordende hopen aarde, zegt dat ze moeten proberen te rollen naar de uitgang, en zij zien het als een spelletje en lachen.
‘Niet gillen,’ fluistert hij, en hij wijst naar het plafond.
Dat hangt erbij als een tandeloze, zwarte mond, maar het zal niet lang meer duren voordat het volledig instort. Wat een idioot, dat hij zijn fakkel naast die explosieven heeft neergelegd. Moet je zien wat er is gebeurd!
Hij helpt de kinderen de trap op, en vermijdt het nogmaals naar het lijk te kijken. Hij zag Ioana op het punt staan het uit te gillen van afschuw, en dwong haar snel haar hoofd weg te draaien.
Ze gaan op het gras zitten, ineengedoken zitten ze tussen de bladerrijke struiken. Ergens dichtbij is een stroompje water te horen, dat door de heuvels moet lopen. De kinderen knijpen hun ogen dicht, het licht is hun te fel.
‘Wat is er gebeurd toen ik weg was?’ vraagt Romi, en hij wil hun zwarte gezichtjes afvegen, maar zijn handen zien er hetzelfde uit.
Hij klopt zijn schoenen uit en spuugt wat troebel speeksel uit.
‘De priester kwam,’ zegt Ioana, en Romi gebaart naar haar dat ze moet fluisteren. ‘Hij was aan het foeteren, omdat ze allemaal tegen elkaar waren opgelopen en hij probeerde mensen uit die hoop te trekken, want ze hadden elkaar omvergelopen.’
‘Maar jullie niet?’
‘Nee, wij bleven tegen de muur staan, zoals jij zei.’
‘Ik heb honger,’ zegt Petruț. ‘Melk wil ik.’
Romi kijkt om zich heen, met zijn vuist drukt hij op zijn borst. Daar voelt het zo heet dat het hem zwaar valt adem te halen. De zon heeft de mist opgelost, het dal is zwart, geschroeid door brand. Er zitten geen bladeren aan de berken, hun takken wiegen zacht en lusteloos in de wind.
‘Wat is er hier gebeurd?’ zegt Romi, en hij veegt met zijn hand over zijn wang. ‘Wie heeft hier brand gestoken?’
‘Welke brand?’ vraagt Ioana en ze kijkt fronsend om zich heen.
‘Waar is het gras? Waar zijn de blaadjes? Alles is as!’
Ze kijkt hem verbaasd aan, staat op en gaat voor hem zitten. Haar jurkje is zwart uitgeslagen en gekreukt. Boven haar hoofd heeft de hemel een donkergrijze kleur aangenomen. Romi steekt zijn hand uit, om de grote vlokken as te vangen.
‘Voel je je niet lekker?’ vraagt het meisje, en ze legt haar handje tegen zijn voorhoofd.
‘Jawel.’ Hij staat op en wordt onmiddellijk duizelig.
Een ogenblik eerder rook het nog naar houtskool en verbrand vlees.
Hij gaat op zijn zij liggen, sluit zijn ogen en haalt diep adem. Hij hoort de rivier niet meer, maar een eindeloze pieptoon. Een vreemd land, mompelt hij en kijkt wanhopig om zich heen. Er is nergens meer kleur te zien.
‘Honger!’
Als hij toch zou weten hoe het Ondergrondse verder liep… Hij moet een andere ingang vinden en hij vermoedt dat die zich bevindt in het bosje dat ze daar aan het einde van het dal zien liggen. Als ik alleen naar de horizon kijk, word ik niet meer duizelig, zegt hij tegen zichzelf, en hij laat zijn blik rusten op een akker met mais in de verte. Voor hem een rood lapje klaprozen, die golven in de warme windvlagen. Hij ziet ook de blauwige bergen waar een dunne wolkensliert omheen hangt.
‘Kom, we gaan verder, het is niet ver meer.’ Hij komt overeind en begint te lopen met zijn blik op zijn voeten.
Er zijn geen bomen of struiken waar ze zich achter kunnen verstoppen. Ze kijken telkens in het rond. Petruț huilt weer en hij tilt hem onmiddellijk op, hoewel zijn knieën knikken. Toch komen ze zo sneller vooruit. Ioana houdt het beter vol dan Petruț en ze klaagt niet, al is wel te zien dat ze honger heeft en moe is. Romi’s lichaam is gespannen, hij hangt voorover als een pijl en verzet zich tegen enig ander oponthoud in het asgrauwe dal.
Op de grond zien ze in as uiteengevallen dennenappels en zwartgeblakerde stenen. De zon volgt hen onverschillig als een vage bleke vlek en rolt verder boven de zwarte toppen van de heuvels in de verte.
Hij heeft één arm vrij, hij tast de stammen van de dikkere bomen af op zoek naar in hun bast gekerfde tekens, met zijn voeten tilt hij takken op en probeert te voelen waar de aarde minder platgelopen is.
Eindelijk vindt hij de plek, omdat die onbedekt is. De anderen zijn vergeten hun sporen uit te wissen. Hij zegt tegen de kinderen dat ze erin moeten kruipen. Hij glipt ook naar binnen en trekt het houten luik dicht.
In de tunnel is het donker, hij hoort stemmen en krijgt weer een sprankje hoop. Hij schat de richting in en bedenkt dat het makkelijker was hier te komen door een stuk van de tunnel over te slaan. Aan de andere kant, als die ondergrondse gang niet was ingestort… Het gevoel pulseert nog in zijn hand, het leven dat zich naar buiten probeerde te duwen, gevangen tussen de ribben. Plotseling voelt hij zich misselijk worden, de muren van de tunnel worden rood, de pieptoon klinkt weer in zijn rechteroor en hij krijgt geen lucht. Hij laat zich opzij vallen en kotst terwijl hij ineengedoken en met een hand tegen de muur van de ondergrondse gang leunt.
‘Romi!’
Hij gebaart dat het goed gaat, maar geeft weer over en valt op zijn knieën. Tegen zijn voorhoofd voelt hij de koude muur, maar hij kan de geur van wat er uit zijn darmen is gekomen niet verdragen en krabbelt overeind. Hij probeert nergens anders meer aan te denken dan aan hun tocht.
Ze blijven achter de anderen. Het ruikt naar gas. Iemand heeft het poetskatoen van de fakkel die ze verderop zien te nat gemaakt. De tunnel wordt steeds breder, verderop wordt de vloer ongelijk en het pad leidt naar beneden. De hoofden van de menigte zijn als een golvend tapijt van bloemen in hun zoektocht naar de zon. De stemmen lopen levendig in elkaar over, de lach van een kind vult de gang. De fonkelingen van de fakkels en de kaarsen vormen een gelige flakkerende boog, die onder het natte en lage plafond doorstroomt. De lucht is zuur en zwaar, en drukt als een handvol aarde op de borst.