De zaak BB
Zoals altijd is de echtgenoot verdachte nummer één. Bij hem zullen ze als eerste aankloppen.
Die aanpak is absoluut niet verrassend, van de vermoorde vrouwen zijn immers wereldwijd tussen de veertig en zeventig procent slachtoffer geworden van huiselijk geweld. Binnenlands was de situatie verontrustend, al was niet helemaal duidelijk hoe verontrustend, want vrouwen lieten zich er over het algemeen weinig over uit.
Helaas moesten ze dit soort informatie vooral uit draconische statistieken afleiden. Elk jaar groeide het aantal moordzaken. Vorig jaar hadden ze 244 zaken gehad, dit jaar 251 – sommige ervan wel opgelost. En hoewel tenminste op papier het aantal pogingen tot moord van 361 naar 335 was afgenomen, begonnen gevallen van geweld met dodelijke afloop door klappen of letsel toe te nemen: van 44 naar 53. Gelukkig begonnen althans de verkrachtingszaken terug te lopen, van 918 naar 883 – ongetwijfeld een verkeerde voorstelling van zaken.
De waarheid is dat vrouwen zwijgen. Ze zwijgen ook als je hen er zonder bijbedoelingen en ten behoeve van de statistieken naar vraagt. Ze schamen zich. Ze zijn bang. Vrouwe Justitia is letterlijk blind. Op papier kun je van alles oplossen, want ja, een contactverbod ondertekenen is zo gepiept.
Wat vaststaat: als ze niet zwijgen, wordt vrouwen het zwijgen opgelegd. Alles lijkt in orde, het leven is net een film. Iedereen houdt zich afzijdig totdat ze lucht krijgen van een mediaschandaal. De ene na de andere vrouw wordt slachtoffer, met of zonder een contactverbod in haar vuist geklemd.
Dan verschijnt zij, Greta, onder het motto dat zij een vrouw is en ze dus beter aanvoelt hoe zo’n mens denkt. Niemand besteedt werkelijk aandacht aan haar departement. Ook onder haar collega’s is ze niemands heldin. Moord is een smerige zaak. Die plek waar het stinkt naar zwakte en naar dood. Wie wordt daar blij van? Men legt zich vooral toe op vermogensdelicten, wat voor zich spreekt als je een blik werpt op de ‘Statistieken van de voornaamste bezigheden van de Roemeense Politie’.
Door de jaren heeft Greta veel gezien. Maar in de vijftien jaar dat ze al voor de politie werkt is ze nog nooit getuige geweest van een dergelijk tafereel. De hele kamer stinkt naar aceton en kokosolie, een combinatie waar haar maag van omdraait. Aan de kroonluchter hangen plukken haar. De losse haren zijn keurig samengevlochten, een teken dat wie dat heeft gedaan beschikt over de noodzakelijke vaardigheid. Een stylist? Greta spreekt elk detail in, hoewel ze het tenenkrommend vindt om zichzelf later terug te luisteren. Het klinkt als een spraakbericht. Ze lijken expres zo opgehangen, wie moest dat zien? Wat is de onderliggende boodschap? Zijn die decoraties bedoeld voor de ogen van het slachtoffer of voor die van de rechercheur? Na een klikgeluid komt het bandje opnieuw in beweging. Greta kan zich met moeite inhouden: ‘Kloteapparaat.’
Behalve aan Carla durft ze niemand te vertellen wat haar dwars zit. Bijvoorbeeld dat die gasten opnieuw de helft van de toegewezen fondsen in eigen zak hadden gestoken.
‘Het kan wel zijn dat er volgens de inventaris drie exemplaren zijn. Dan moet je die alsnog bewaken als de ogen in je hoofd, dat ze niet kapotgaan, dat ze niet verdwijnen, enzovoorts. Ik zeg het je, het is gênant. Met dit soort flutapparatuur moeten wij werken, resultaten boeken, zodat er niet gezegd wordt dat we betaald worden om te lanterfanten.’
Ja, ze moet het ermee doen en haar strepen verdienen. Ze schudt nog eens met het opnameapparaat. Ze haalt diep adem, sluit haar ogen, stelt het zich voor, vervolgt: de vrouw lijkt zo’n veertig jaar oud. Ze draagt een paar korte, gouden oorbellen, naaldhakken met groene enkelbandjes, een kort en strak roze jurkje met driekwartsmouwen. Moord? Zoja, dan zijn er geen sporen van een worsteling, wat erop duidt dat het slachtoffer haar aanvaller kende. We kunnen ook zelfmoord niet uitsluiten.
‘Interessante outfit, vind je niet?’
‘Het zal wel een sekswerker zijn.’
Ook Marc loopt al langer mee, maar is pas net overgeplaatst naar hun afdeling, naar moordzaken. Vast een politieke beslissing. Greta weet dat, ze had het in de smiezen zodra hij het bureau inliep. Elke vier jaar kregen ze wel een nieuwe chef. Ze deed wat ze moest doen. Om niet op te vallen deed ze zich dom voor. Ze vroeg om zijn mening, deed alsof ze die meenam. Ze gaf geen moer om zijn inzichten sinds ze hem had gevraagd de zaklamp aan te geven en die sukkel haar de spray aangaf, hoe hij die twee in vredesnaam kon verwarren, was haar nog altijd een raadsel. Hij leek op zich wel over enige ervaring te beschikken, dus vroeg ze hem soms om het beroep van een slachtoffer te raden. Dat blijft gokken. Maar ook daar was Marc geen ster in. Hij leek geen enkel talent te hebben: hij was daar dankzij de ruimhartigheid van een of andere oom die ook bij de politie werkte, hogerop, die op zijn beurt ook weer een of andere volle neef had op een van de ministeries – daar was alles wel mee gezegd.
De stamboom van de familie Lupescu kon haar gestolen worden. Zo is het overal, je leert ermee leven en na een tijdje sta je er niet meer bij stil. Zolang ze haar werk kan doen, maakt het haar niet uit wie hij is, met wie hij verwant is of wat hij wil – en hij bemoeit zich tenminste met zijn eigen zaken. Nu interesseert haar maar één ding: wie is het slachtoffer? Wat weten we van haar?
‘Het klinkt misschien raar, maar ik denk dat ze met opzet zo gekleed is. Moet je kijken hoe nauwkeurig alles is afgestemd, als een plaatje, alsof ze zo uit het schap komt.’
De vrouw heeft recentelijk gemillimeterd haar, een vage glimlach op haar gezicht, een subtiel kleurtje oogschaduw op, haar oorbellen liggen perfect in lijn met haar oorlellen, als in een soort pose houdt ze één been recht en het andere gebogen bij de knie, en tussen haar vingers houdt ze stevig een tas vast. Haar pas koraalrood gelakte nagels glinsteren als steentjes in een rivierbed.
Greta maakte nog een laatste aantekening en vertrok gehaast uit het hotel. Ze snakte naar wat frisse lucht. Die dag leek de weg naar huis langer dan normaal. En ze moest nog een tussenstop maken. Ze zijn vandaag precies een jaar samen en willen het vieren, ongeacht hoe ellendig de dag is geweest.
Ze zou een lekker bad laten vollopen. Een bad met schuim, ja, dit was een perfecte gelegenheid. Nadat ze voor zichzelf en voor haar vriendin een glas wijn had ingeschonken, kwam haar tong los. Ze kon het niet meer opkroppen. Het was te belachelijk.
‘Ik zeg tegen hem dat het lijkt alsof ze zo uit het schap komt en wat zegt hij? “Mijn dochter heeft precies zo’n pop,” en die mafkees barst in lachen uit.’
Greta klopt schuim op door wild met haar armen te bewegen en mompelt boven het geluid van klotsend water.
‘Kun je je voorstellen wat een hufters dat zijn? Na alles wat er al is gebeurd, gaan wij haar ook nog een potje zitten vernederen. Moet je horen hoe ze het onderzoek hebben genoemd: Barbie Belvedere. BB zou zogenaamd makkelijk te onthouden zijn.’
Carla spuugt haar slok wijn terug in haar glas. Ze proest het uit. Ze kan zich niet inhouden. Greta blijft wild met haar armen bewegen, en mompelt: ‘Moet je nagaan, tot we nieuwe instructies krijgen, dus totdat we het slachtoffer kunnen identificeren, noemen ze haar Barbie. Ze hebben geen greintje fatsoen. Barbie Belvedere! BB. Wat een idioten.’
Het is haar leven
Ze kon die deur dichtsmijten, want hoe dan ook valt hij niet in het slot. Ze pakt de dweil en boent, duwt hem van zich af en sleept hem terug. Ze trekt sokken aan om geen sporen achter te laten en gaat ineengedoken op een stoel zitten. De deur staat wijd open. Ze geeft het op. Ze drinkt het laatste slokje koffie en het dunne, fluwelen restje koffiedik blijft als een vliesje op haar tong liggen en kriebelt in haar keel. Ze kauwt. Ze zou overeind kunnen komen, haar glas staat op een armlengte afstand, dan nam ze een slok en was er niets aan de hand. Het lukt niet. Ik moet de laptop dichtklappen. Ook die is te ver weg. Ze wil niets meer horen over het recht van vrouwen om beslissingen te nemen over hun eigen lichaam.
‘Lekker reductionistisch allemaal. Het lichaam, alsof wij niet méér zijn dan een lichaam.’
Ze spert haar ogen wijd open, maar zegt niets. Ze laat de boodschappentas vallen en er rollen twee overrijpe sinaasappels uit, klein en rond.
‘Maak eens sap voor me.’
Ook weer zo’n onzin. Als ze het zou kunnen, zou ze de straat op gaan en gillen als Fira, ‘de dorpsgek’, met haar panty ergens ter hoogte van haar kuiten. Dronken schreeuwen, alle minachting spuugzat, het gratis werken voor een stukje brood en een schraal biertje – waarom ga je niet even de hoek om naar het buurtwinkeltje om een koud pilsje te drinken, zo eentje van twee lei, om die te kopen en achterover te slaan.
‘Verwen jezelf, meisje van me, koester wat respect voor jezelf, meisje, geef het niet op.’
De enige mensen die het waard zijn naar te luisteren zijn die naar wie niemand meer wil luisteren. Zij weet nu ook: het is allemaal voor niets. Niemand ziet haar meer staan, alsof ze een kluizenaar is, niemand zoekt haar nog op. Omdat ze niet willen zien hoe ellendig het is, of het zich niet willen herinneren, wat maakt het ook uit. Marcel kan niet meer blijven drinken tot in de ochtend, Vlada kan niet meer ongestoord zitten roken, Cornelia heeft haar concert- en vakantievriendinnetje verloren, ze zou hun feng shui vernachelen. Geen van hen zoekt haar nog op. Denken ze dan tenminste aan haar?
‘Ze is niet meer beschikbaar, ze heeft toch net een kind gekregen.’ Ze hoort het ze al zeggen.
Ze zit onder de kots en er stroomt melk uit haar borsten, ze bloedt en het schrijnt daar beneden en ze is bang om in slaap te vallen en ze slaapt niet en ze drinkt niet meer, ze rookt niet meer, ze kan niet meer blijven, ze kan niet meer weg, ze heeft geen leven meer, zoals ze allemaal zouden zeggen.
‘En waarom hebben die idioten het dan over het recht van de vrouw om te beschikken over haar eigen lichaam? Welk recht op het lichaam als iedereen weet, maar niet toegeeft, stelletje smeerlappen, dat het niet alleen gaat om het lichaam, maar dat het veeleer een strijd is om de psyche? Dat een kind je leven verandert, je manier van zijn, je routine, je gewoontes, alles, niet alleen je figuur!’
‘En toch heb ook jij het alleen maar over je figuur.’
‘Omdat ik gehersenspoeld ben. In plaats van te denken dat ik niets meer kan, ja, niets van wat ik eerder wel kon, staar ik naar mezelf en mijn vetrolletjes in de spiegel en vergelijk ik mezelf almaar met weet ik veel wie.’
Angela pulkt het koffiedik onder haar nagel vandaan, ze verplaatst het van de ene naar de andere vinger, veegt het af aan haar kleding, kucht. Ze kan die steriele, nutteloze gesprekken maar moeilijk uit haar hoofd zetten, die onzinnige strijd om het lichaam. Ze haat het dat vrouwen daartoe worden gereduceerd. Ze weet dat de strijd van de vrouw, als je het probleem met dat soort argumenten aan de orde stelt, meteen al verloren is, omdat haar strijd maar een gedeelte is, als een bijvoegsel, als een trouvaille.
‘Alle vrouwen zouden de straat op moeten gaan om te schreeuwen: mijn leven is van mij! Van mij en alleen van mij!’
Ze wil geen strijd om ‘mijn’ lichaam, om ‘mijn’ geest, niet alleen het recht op een hand of op een voet, nee, op alles, op haar hele zijn, haar hele bestaan. Dat is het recht waar ze zich eeuwig op zou blijven beroepen. Dit leven is van mij, zou ze schreeuwen, ik beslis zelf over mijn eigen leven.
‘Dat is het enige recht dat de moeite waard is, waar elke vrouw voor vecht. Niet om een broek te mogen dragen, omdat ze toevallig zin heeft een of ander kledingstuk te dragen, niet voor rood gestifte lippen of nepnagels, niet voor blote of bedekte borsten, wie maakt het wat uit? Vrouwen willen beslissen over hun bestaan, over wie ze zijn in de wereld, over welke richting ze op kunnen groeien – want ook als je kinderen hebt kun je niet meer doen waar je zelf zin in hebt. Ze willen slechts één ding zeggen dat ze te zeggen hebben, namelijk: ik zeg wie ik ben, wanneer ik wil, hoe ik wil, hoeveel ik wil, waarom, het is mijn zaak, ik beslis over mijn leven. Een vrouw het recht op abortus ontzeggen betekent dat je haar het recht ontneemt om te beslissen over hoe ze haar leven vanaf hier verder leidt. Niet haar lichaam, haar leven! Het is haar leven!’
‘Van mij, van ons, van iedere vrouw, en wij beslissen hoe we dat leven leiden, niemand heeft het recht om ons te zeggen hoe we dat moeten doen, we doen het zoals wij het willen, met of zonder kinderen, met of zonder man, met of zonder wat dan ook, laat mijn lichaam er verdomme buiten, dat is gewoon zand in onze ogen strooien!’
Ze pakt boos haar glas, neemt een slok sap en loopt naar de voorraadkast.
‘Waar is die stomme schroevendraaier? Zet die onzin af, want ik kan er niet langer naar luisteren!’
Ze begint te klussen om zichzelf te kalmeren.
‘Al die meuk!’
Haar kleine voetstappen tippelen over de vloer.