Geluk is wanneer ze de ruimte krijgt. Wanneer haar lichaam en geest naadloos op elkaar aansluiten.
Geluk is wanneer ze in haar eentje over straat wandelt.
Wanneer ze zich op haar gemak kan richten op de huizen, flatgebouwen, straten, schuttingen, doorgangen met bekladde muren, maar vooral op de gezichten van mensen die niet merken dat ze bekeken worden. De boze vrouw die in het niets staart terwijl ze de neus afveegt van het huilende meisje dat naast haar staat. Het meisje en de jongen die elkaar al lopend kussen en de honden aan hun rechter- en linkerzijde stappen fier door.
Alles kan een foto worden, zei haar vader altijd. Ze stonden op het grote stadsplein te wachten tot er iets gebeurde. Zwijgend keken ze naar het gekrioel om hen heen. Hij rookte een sigaret en hield zijn fotoapparaat in de aanslag om het mooiste sneeuwvlokje op de gevoelige plaat te leggen. Zij stelde zich allerlei reizen voor die zij met zijn tweeën zouden maken, of zij in haar eentje. Het was een holletje van stilte, thuis kon zoiets niet, pas hier tussen tientallen vreemden werd het mogelijk. Andere keren liepen ze over een veld en dan ontdekte ze tot haar verwondering dat een dergelijk weidse, monotone en met wit overdekte ruimte het perfecte kader kon worden voor kraaien in hun duikvlucht, voor speelse salto’s van een kluitje honden of voor plastic etalagepoppen die daar uit het niets waren verschenen.
De werkelijkheid is een serie beelden die je kunt rangschikken hoe je maar wilt, vertelde hij haar. De werkelijkheid is zoals ik hem wil, begreep zij.
Ze vindt geluk in een rode Fiat Panda wanneer Tudor snel rijdt en gezellig kletst over de wandeltochten die ze morgen, zondag, maandag gaan maken. Er is fikse sneeuwval voorspeld en ze kan zich heel gemakkelijk witte, koude bergen voorstellen, en hun warme lichamen die tussen de rotsen doorglippen.
Geluk is dat ze drie dagen voor elkaar zullen hebben. Geluk is vertrekken en terugkomen wanneer je wilt, met wie je wilt. Haar gedachtestroom wordt onderbroken omdat hij haar plots aanraakt, neem op, je telefoon trilt, en zij rukt zich met moeite los uit haar dagdroom, Ioana, twaalf gemiste oproepen, het staat duidelijk op het scherm. Wanneer zou ze hebben gebeld en waarom, ze maakt zich zorgen terwijl ze wacht tot ze de stem van haar dochter hoort. Onmiddellijk ratelt die aan de andere kant van de lijn: kom naar huis, mama, Nana ligt in het ziekenhuis!
Wat doen we? bromt Tudor, het klinkt niet eens als een vraag die een antwoord verlangt, want hij weet al wat ze moeten doen, en zij ook. Ze vloekt zacht, zo gaat het soms, de dag die vredig leek te zijn verlopen verandert plots in een krappe tunnel waarin ze geen lucht krijgt en iedere beweging zowat onmogelijk blijkt. Wat bezielde haar om een ambulance te bellen? Had zij niet duizenden keren gezegd dat ze een zekere dood tegemoet ging als ze zich in het ziekenhuis liet opnemen, blijf liever thuis, daar zijn niet zoveel bacteriën, je gaat er met een kwaaltje heen en je komt met wie weet wat voor infectie thuis. Rustig maar, zo makkelijk kom je niet van me af, dat zul je zien, lachte zij, ja en nu? foetert ze in haar hoofd al tegen de oude vrouw, je denkt niet na, mama, zou ze haar zeggen, maar in plaats daarvan kijkt ze naar Tudor en zucht, zet me maar af bij het regionaal ziekenhuis, alsjeblieft, nog een geluk dat we de stad nog niet uit waren.
Ze zou een hele catalogus kunnen aanleggen met de woorden en beelden die dagen, maanden of zelfs jaren hebben verpest, ze is er nog niet aan gewend, elke keer is ze weer net zo verbaasd dat de situatie zo snel kan omslaan en dat ze er geen enkele controle over heeft.
Je bent zwanger, wil je het houden? En de dunne, paars-roze gestifte lippen van de dokter.
Wegwezen, je maakt het erger. En de blik van haar moeder toen ze haar zag huilen naast de van al het krijsen rood aangelopen baby.
Laten we samen weggaan, wij drieën, vertrekken. En de ontspanning in Adi’s stem wanneer hij sprak over dingen die voor haar onmogelijk waren.
En nu de rug van Tudor die op zijn gemak wegloopt.
Laat de dingen op hun beloop, Leia, laat ze over je heen komen, Leia, je bent God niet, zei haar vader, maar dat wilde ze ook niet, dat wil ik ook helemaal niet, snauwt ze, en ze leest fluisterend op: Verboden toegang voor familieleden.
Waar ben je, mama? Waar ben je in dit lelijke gebouw, dat mij op afstand houdt, buitensluit, maar sommigen in zijn binnenste verorbert?
Ze ziet de witte deur, waarachter ze veel drukte en chloorstank vermoedt, ze hoort de sirenes, het geluid dat ze maken is niet hoopgevend, zoals haar altijd werd voorgehouden toen ze klein was. Het is het geluid van de angst, het is een voldongen feit, als ze daar blijft, komt ze er niet levend uit, schiet door haar heen, maar hoe moet ik haar wegkrijgen als ik niet eens naar binnen mag?
Wat doe je nu, prinses Leia? zou haar vader vragen, als hij nog leefde, zo noemde hij haar, prinses Leia, en zij vond het geweldig, net zoals ze dol was op de als slakkenhuisjes opgerolde vlechtjes rondom haar oren, de zomerjurkjes, zijn handen die haar vlechtjes maakten. Wat doe je nu?
Ik moet naar binnen, zegt ze tegen de portier, en ze beent naar binnen, ik wil graag informatie over een patiënte, mijn mama is vandaag opgenomen. Dat zachtaardige woord klinkt vreemd, mama, zoals het op het verouderde en starre gezicht ligt van de vrouw die ze zo noemt. Echt vreemd, ma-ma, gelukkig kapt de lege blik van de receptioniste elke gedachte af: achternaam, voornaam, leeftijd, ja, er komt iemand naar u toe zodra we meer weten. Neemt u plaats.
Ik wacht, zegt ze tegen Ioana, terwijl ze probeert te wennen aan de geluiden, aan het gelach van de verpleegsters die over de gang marcheren in hun strakke en doorschijnende doktersjassen, ondanks al die witte muren is het toch donker.
Ik wacht, zegt ze tegen Ioana, die haar een standje geeft, vraag gewoon een telefoonnummer en kom naar huis, dan bel je later, en dat zou ze doen, maar er is niemand aan wie ze het kan vragen.
Het is code rood, daarna geel, daarna weer rood, iedereen rent heen en weer, ze ziet het een en ander door de deur die open- en dichtklapt, iets later besluit ze pas naar buiten te gaan, iemand zal haar wel vinden als ze haar nodig hebben.
Neonletters spellen AFDELING SPOEDEISENDE HULP en in gedachten spelt zij dat ook een aantal keer uit, als een bezwering, maar niets verdrijft de angst die stilletjes door haar lijf sluipt: haar handen tintelen, er zit een brok in haar keel, haar maag draait zich om.
Vertel nog eens wat er is gebeurd, waarom is ze naar het ziekenhuis gegaan en waarom heb jij dat laten gebeuren?, vraagt ze aan Ioana. Ze praat zachtjes en ze verstaat haar slecht, iets met een opgezwollen been. Maar dat is al een maand zo, we zijn bij de huisarts geweest, het is een ontsteking, de zwelling zal slinken, dat zei ze toen. Dat zei ze, maar vandaag raakte ze overstuur en heeft ze de ambulance gebeld, wat wilde je dan dat ik deed?, ik heb je eindeloos geprobeerd te bellen, je nam niet op, ze is vertrokken en zo is het gegaan. Oftewel, het was haar eigen schuld. Dat zegt toch niemand, hou op, zegt haar dochter boos, voordat ze ophangt, kom maar naar huis, daar kijkt toch geen hond naar je om!
Het is niet voor het eerst dat ze zich ongezien voelt, dat ze oplost in de ogen van anderen, uit elkaar valt, alsof haar lichaam bang is om een duidelijke plek in te nemen. Ioana ziet haar soms ook niet en botst tegen haar op in huis, zo ook de klanten in de boekhandel, daarom schrikken ze als zij beleefd vraagt: kan ik u misschien helpen? Misschien als ze zou schreeuwen, als ze met haar armen en benen zou zwaaien als een drenkeling, misschien als ze zou brullen, als.
Ook dit gaat voorbij, zegt ze plots tegen zichzelf, het is halfduister op de binnenplaats en hij staat vol met ziekenwagens, de stemmen en alarmtonen beginnen voor haar door elkaar te lopen, de ramen met het blauwe neonlicht maken haar angstig, daarachter is het wachten en dood, maar zij zal hier waken.
Wat kan jij je moeder niet vergeven? vroeg Adi haar een keer, toen hij al naar het buitenland was vertrokken en ze hem zich amper nog herinnerde, afgezien van een bepaalde zachtmoedigheid, die ze niet meer associeerde met vastomlijnde trekken. Alsof die man niet het middelpunt van haar universum was geweest, de vader van haar kind, ooit, langgeleden, haar echtgenoot. Ze stond met haar mond vol tanden. Uhm, ik weet niet, ik denk… Al zou ze nu wel een lijst kunnen maken met wat er te verwijten en misschien te vergeven valt, op alfabetische volgorde:
Argwaan,
Arrogantie,
Bazigheid,
Commentaar,
Dedain,
Egoïsme.
Maar dit is niet het moment, denkt ze, en ze zoekt met haar blik iets om zich aan vast te klampen; ze ziet niets behalve het gebouw als een vleesmolen, mama is daar, en ik moet voor haar zorgen.
‘…in alle richtingen rondom een stilte die weids genoeg is om door de eigen mond te ademen1’ staat op een muur van de binnenplaats gekalkt, ze leest de woorden en die vrolijken haar op. Iemand heeft hier staan wachten, zoals zij nu doet, daarna heeft diegene deze versregel, of wat het dan ook is, opgeschreven.
Ieder redt zich zo goed of kwaad als het gaat. Ook zij droomt met open ogen. Lang na het overlijden van haar vader stelde ze zich voor dat hij naast haar stond en met haar praatte, het is een verdedigingsmechanisme, stelde een dokter haar moeder gerust.
Van jongs af aan was ze een dromer. Ze zat in haar kamer en verbeeldde zich van alles. Meestal een meisje met twee vlechtjes, schone, witte tanden, de beste bij tekenen, de beste bij wiskunde, de beste bij wat dan ook. De onderwijzers prezen haar tegenover de hele klas en haar moeder nam haar in de armen en zei: ja, dit is mijn dochter, Elena.
Of ze zat thuis en haar moeder las een verhaaltje voor, streelde haar zachtjes, speelde met haar vlechtjes, stopte haar benen tot aan haar middel voorzichtig in. Of ze liepen door het park en haar moeder gaf haar tijdens het schommelen een duwtje in de rug. Of ze speelden samen poppentheater.
Laat niets los, zij mogen het niet weten, snauwde ze haar iedere ochtend toe voordat ze naar de kleuterklas gingen, en dan huilde zij nog harder. Elena, de andere kinderen zouden denken dat ik je voortrek, als ze wisten dat je mijn dochter bent. Ze begreep niet eens wat dat was, voortrekken, maar uiteindelijk gingen ze dan toch chagrijnig en verdrietig de deur uit.
En als ze huilde, kwam er een andere juf naast haar zitten, en als ze tussen de middag de slaap niet kon vatten, kwam er een andere juf aan haar bed zitten, en als ze als eerste klaar was, prees iemand anders haar. Haar eigen mama was altijd bezig met de andere kinderen. Haar mama, bij wie ze nacht na nacht op de buik in slaap dommelde, een grote en zachte buik als een knuffeldier, was daar niet mama. En later lachte er op een dag een jongen hardop: wat is onze juf toch een dikzak, dikzak, zei hij en iedereen zat te giechelen, totdat zij naar hem toe liep en hem met een groot stuk lego een klap voor zijn mond verkocht.
Schaam je, Elena, ga de rest van de dag maar in de hoek staan! Mevrouw mama-juf negeerde haar zelfs ’s avonds nog, toen ze thuis waren en niemand nog hoefde te doen alsof. Waarom ben je zo gemeen? wilde ze vragen, maar ze zweeg, omdat haar moeder duidelijk geen zin had in een weerwoord. Dus verbeeldde ze zich maar mooie dingen en verzon ze verhaaltjes.
Ze deed hetzelfde toen ze verliefd werd op een klasgenoot. Het was makkelijker in de droomwereld dan in de echte. Een achteloos gebaar was genoeg om een hele film te bedenken. Die draaide ze dan af in haar hoofd en dat maakte haar gelukkig.
Ik ben een sukkel, zei ze op een gegeven moment tegen haar moeder. Ze zat al op de middelbare school toen ze zich realiseerde dat ze niet meer uit haar geheime werkelijkheid kon ontsnappen. Ze vond een klasgenoot leuk en liep vast, stamelde, bloosde, elk gebaar en elk woord liepen in de soep als ze in zijn buurt kwam. Ik ben een sukkel, herhaalde ze, huilend. Ze zaten aan tafel en ook haar moeder begon te huilen. Toen heeft ze haar voor het eerst gehaat. Pas sinds kort begrijpt ze die tranen, de machteloosheid, als ze nu naar Ioana kijkt. Ioana en haar zwijgen, soms haar minachting. Waar zit dat meisje van vroeger verstopt?
Het komt goed, het komt heus goed, denkt ze, gaat het? en een hand landt op haar schouder, als een liefkozing. Misschien had ze juist daar behoefde aan, een aanraking van iemand van wie ze houdt. Maar Tudor is er niet, Ioana is er niet, het is die jonge vent maar, van de negende verdieping, die vorig jaar in hun flat is komen wonen en die haar beleefd begroet, alsof hij haar kent en ze vrienden konden zijn.
We zijn buren, voegt hij toe, en ze knikt. Răzvan, zegt hij, en hij steekt vastberaden zijn hand naar haar uit. Elena, zegt zij slapjes, ze houdt niet van de klank van haar eigen naam, alleen haar moeder noemt haar zo. Anderen zeggen Leia, Leia, en opeens merkt ze dat ze tegen hem leegloopt, hoewel ze zich dat niet had voorgenomen, de woorden rijgen zich moeiteloos aaneen. Ze vertellen allebei over hun patiënt, zonder druk en zonder angst, met vreemden gaat dat makkelijker.
Maar hoe kan het goedkomen als het leven van haar moeder haar eigen leven is geworden, als het leven van haar moeder parasiteert op het hare? vraagt ze zich af, terwijl ze praten over Alzheimer en kanker.
En plotseling voelt ze een broeiende woede, die ze snel smoort. Zo mag ze niet denken, dat hoort niet, ‘eer uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden,’ peperde haar moeder haar altijd in, alsof ze bang was dat ze dat niet zou doen, alsof ze niet kon geloven dat ze ’m niet was gesmeerd, dat ze er voor haar was, dat ze deed wat nodig was.
Ik heb toch ook voor jou gezorgd toen je klein was, zei ze nog, en de woede, en de schuld, en de angst, een grote warboel, ze zou wel weg willen, maar plotseling knaagt dat allemaal in haar buik, in haar hart, geknaag. Je ziet er niets van, van buiten lijkt alles normaal genoeg.
1. Răzvan Țupa, Fetiș, o carte românească a plăcerii, Editura Vinea, 2003 (n.a.).