View Colofon
Original text "A ponte" written in PT by João Valente,
Other translations
Published in edition #1 2017-2019

De brug

Translated from PT to NL by Anne Lopes Michielsen
Written in PT by João Valente

Op alle treinstations hangt een klok. Eigenlijk wel meer dan een. Boven het  loket hangt de moederklok. Dan heb je nog de kleinere op de perrons. De  praktische, die je zo lui maken dat je je telefoon niet meer uit je zak haalt of  op je horloge kijkt. Kinderen worden gefascineerd door deze klokken.  Omdat de secondewijzer zonder te stoppen rondgaat, is dat de enige  manier om te zien hoe de tijd verstrijkt. Ze kijken hoe de secondewijzer  naar boven glijdt en dan, als hij bijna verticaal staat, gaat hun hart sneller  kloppen en worden hun ogen groot. Wanneer de kleine wijzer eindelijk een  sprongetje maakt, weten ze dat er een nieuw tijdperk is aangebroken. 
Het vertrekperron was bijna leeg. Er zullen zo’n tien mensen  hebben staan wachten tot de trein zou vertrekken. Het was nog geen spits uur, het moment waarop het station wordt overspoeld door mensen die  Lissabon ontvluchten. Ze wilden ontsnappen aan hun werk en school, een  paar uurtjes maar, en weer even thuis zijn. Ze hadden haast om hun kinde ren van school te halen of boodschappen te doen, te gaan studeren voor  een examen of zich weer te verenigen met een minnaar. De herfst was in de  kalender geslopen en aan een kant van het station liet de lucht een kleur schakering van paars zien, als aan het eind van de dag. Aan de overkant pro beerde het blauw zich te weren tegen het vallen van de avond. ‘Eén minuut,’ zei Luís na het sprongetje van de wijzer. 
Ricardo duwde zijn bril omhoog. Hij zat niet goed door een loszit tend schroefje in een van de poten en gleed steeds naar beneden. Jaloers  keek hij naar Luís. Hoe kon hij zo zelfverzekerd en ontspannen zijn? Ze  zouden een misdaad begaan. Maar dat was het ergste niet. Ze zouden een  monster van honderdveertig ton trotseren dat zich met tachtig kilometer  per uur verplaatste. Ze konden doodgaan. Ze kon-den dood-gaan. Op die  manier gezegd, langzaam, in losse lettergrepen, was het nog beangstigen der.  
Carolina keek op haar telefoon. Ze wilde er zeker van zijn dat het  echt over één minuut zou beginnen. 
‘Als je ’m steeds aan en uit doet, is je batterij zo leeg. En dit is het  alleen waard als we het kunnen filmen,’ viel Luís tegen haar uit. ‘Ik wilde alleen…’ 
De fluittoon van de trein die zijn vertrek aankondigde overstemde  Carolina’s woorden. Als antwoord zette de trein zich in beweging. ‘Daar gaan we. Het is nu of nooit!’ 
Ze volgden Carolina en sprongen van het perron op het spoor. Als  een van de mensen op het perron hen had gezien terwijl ze achter de  wagons aan gingen, hadden ze hen genegeerd, zonder ook maar een woord  of kik en zonder om hulp te roepen. 

Het avontuur begon weken daarvoor, toen ze zich realiseerden dat  ze volgend jaar naar het lyceum zouden gaan. 
‘En als ze achter ons aan komen?’ vroeg Carolina. 
‘Dat doen ze niet. Ze zijn bang om door een trein aangereden te  worden. In het ergste geval waarschuwen ze de stationsmedewerkers. Dan  worden we aan de andere kant gepakt, maar dan zijn we de brug al over,’  speculeerde Ricardo. En hij vervolgde: ‘Het is zevenhonderd meter tussen  Oeiras en Santo Amaro. Te voet, oftewel, met vijf kilometer per uur, doen  we er negen minuten over. Als we meteen na de trein van 17.23 gaan,  hebben we zestien minuten tot de volgende, die om 17.37 uit Oeiras ver trekt en om 17.39 op Santo Amaro binnen komt rijden. Snappen jullie ’t?’ 
Ricardo gebruikte de meervoudsvorm, maar keek Luís aan. Die  antwoordde niet, hoewel Ricardo’s blik hem irriteerde. Drieëntwintig plus  zestien is negenendertig. Een makkelijk sommetje. Hij hield zijn mond, dat  was beter voor de groep. 
Alle scholieren van het lyceum werden uitgedaagd om de tocht over  het spoor tussen de stations van Oeiras en Santo Amaro af te leggen. Het  enige pad liep over een stalen brug die op dertig meter boven de grond  hing. Die weg bewandelen betekende dat je op het asfalt te pletter kon  vallen of door een trein kon worden geschept. Maar dat was minder beang stigend dan het vooruitzicht om vijf jaar lang te worden gepest. Als je de  oversteek niet haalde, overleefde je de puberteit ook niet. Althans, niet met  je eigenwaarde intact.  
Ze wilden de eerste leerlingen zijn die de test al hadden volbracht  voor ze naar het lyceum gingen. En om het te bewijzen, moesten ze filmen  wat ze deden. Twee vliegen in een klap. Naast het aanzien dat ze op school  zouden krijgen, zouden ze de video ook op social media zetten. Maar niet  op Facebook; dat was de enige plek waar ze met hun ouders bevriend waren. Met die video zouden ze legendarisch worden. En daarom was het  meer dan de moeite waard je leven op zo’n gevaarlijke en lichtzinnige wijze  op het spel te zetten. 
Ze vertrouwden op Ricardo’s berekeningen. Hij was een van de  beste van de klas. Goed in wiskunde ook: de enige die de middelloodlijn  van een lijnstuk kon tekenen.  
‘Verdomme… ik was het bijna vergeten!’ 
Carolina stak haar hand in haar zak en pakte haar telefoon. Ze deed  hem aan en startte de opname. Op dat moment liepen ze voorbij een bord  met daarop in rode letters ‘Verboden toegang’. Een mooie plek om te glim lachen terwijl ze een V met hun vingers maakten. Ze zetten hun tocht  
voort en Carolina herhaalde in de camera het toespraakje dat ze de avond  ervoor in de spiegel had geoefend. 

Ze had gewacht tot haar ouders op de bank in slaap waren gevallen,  in slaap gesukkeld bij een of andere serie, en sloot zichzelf op in de badka mer. Ze las de tekst die ze had voorbereid een paar keer op tot ze naar haar  eigen spiegelbeeld bleef kijken. Eerst van voren, vervolgens van opzij. Je  kon de contouren van haar borsten al zien en haar broeken zaten steeds strakker rond haar billen. Aan de ene kant was ze trots op haar lichaam.  Aan de andere kant vond ze het maar niks dat de jongens haar beetje bij  beetje anders gingen behandelen. Vroeger was het allemaal een stuk makke lijker. Ze trokken samen op en dat was dat. Nu leek het alsof ze om haar  aandacht vochten.  
Ze schrok toen de badkamerdeur openging, bang dat haar ouders  iets hadden gehoord. Ze bukte en aaide Maria Antonieta, de poes die ze vijf  jaar geleden had geadopteerd. 
‘Niet doorvertellen. Dit is ons geheim.’ 
Ze trok haar badjas aan om haar rondingen te verbergen en las nog maals de tekst voor waarmee ze de video van hun overtocht zouden begin nen.  
De eerste honderd meter hadden ze makkelijk overwonnen. Ze  liepen over het grint waarop de bielzen waren gelegd, maar toen ze bij het  begin van de brug aankwamen stopten ze. Ze waren bang. Luís was degene  die als eerste een stap op de stalen constructie zette en hen zo dwong om  achter hem aan te lopen. Het pad, dat tussen het spoor rechts en het mas sieve balkwerk links lag geklemd, was een meter breed. Op de brug lag geen  grint. Tussen de stalen balken lag de afgrond en de wind was veel sterker  dan ze hadden gedacht. Ze moesten stapvoets achter elkaar lopen: eerst  Luís, dan Carolina met haar telefoon op armslengte, en Ricardo als laatste.  Hij kon het randje van de bh-sluiting in de stof van de blouse van hun vriendin zien, maar zijn blik bleef gefocust op de lijn van Luís’ bovenarm spier die onder de mouw van zijn T-shirt uit kwam. Luís was zo’n tien cen timeter langer dan hij en versperde hem het zicht op het station in de verte.  Ricardo ergerde zich aan zijn eigen dunne armen, aan zijn buik waar zijn  moeder gek op was en aan het snorretje dat maar niet wilde groeien.  
Toen begon de brug te schudden. Het bijna onmerkbare getril werd  sterker en dreigde de constructie te ontwrichten. Het metalen gebulder  overspoelde alles. Ze konden er niet meer door zien, horen of denken.  Ricardo had voorspeld dat er om 17.30 een tegenligger langs zou komen.  Daardoor zou de video al helemaal viraal gaan, met beelden van de wagens  die langs hen heen raasden, de angst in de ogen van de machinist en het on geloof van de passagiers. 

Maar ze waren niet voorbereid op het geweld van die honderdveer tig ton. Ze dachten dat de brug zou instorten. Verlamd van schrik moesten  ze zich vasthouden aan de stalen balken en aan elkaar om niet van de brug  te worden gelanceerd.  
Ze bleven daar doodstil staan, zelfs toen het voorbij was. Het  duurde even voor ze zich hadden herpakt. De eerste die zich losmaakte was  Carolina. Ze slaakte een diepe zucht en sloeg haar kameraden vriendschap pelijk op de rug.  
‘We kunnen maar beter doorlopen,’ zei ze met een zacht stemmetje  zonder hen te laten merken dat ze in alle paniek het voorbijgaan van de  trein was vergeten te filmen.  
‘Mijn bril!’ 
Weer overeind, met hun rug naar de balken, zagen ze het kale gezicht  van Ricardo. Zijn handen gleden over zijn gezicht en probeerden iets te  vinden wat er niet meer was. De brug had zijn eerste slachtoffer geëist.  
Ze wilden daar zo snel mogelijk weg. Ze raakten vertrouwd met het  smalle pad, aan de harde wind die hen omver wilde blazen en stapten snel  en vastberaden door.  
‘We hebben nog zes minuten.’ Ricardo hield zijn gezicht zowat  tegen het scherm van zijn telefoon om iets te kunnen zien. ‘We kunnen  maar beter opschieten.’ 
Ze versnelden hun pas. Renden bijna. Bij elke stap voelden ze de  brug trillen. Steeds meer. En ze realiseerden zich dat het niet door hen  kwam. Ze herkenden het geschommel, het gesuis, het voorgevoel. Luís  keek achterom, naar het station dat ze een paar minuten eerder achter zich  hadden gelaten, en zag hem. Lichten aan. Langzaam trok hij op, maar elke  seconde werd de snelheid opgevoerd. 
‘Er komt een andere trein aan,’ schreeuwde hij. 
Ricardo en Carolina stonden als konijnen op een autoweg, verblind  door de koplampen. 
‘Dat is onmogelijk,’ stotterde Ricardo. 
Verward hield hij zijn telefoon weer vlak onder zijn ogen. Negen mi nuten waren verstreken, nog vijf tot de volgende vertrok. 
‘Heb je de dienstregeling gezien?’ vroeg Luís hem. 
‘Ja. Ik heb hem hier. De volgende vertrekt pas over vijf minuten.’  Hij schudde zijn telefoon alsof het een onfeilbaar orakel was. ‘Hoe verklaar je dit dan?’ 
‘Het is onmogelijk.’ Ricardo schudde zijn hoofd in ontkenning. ‘Jezus! Je ziet daar een trein en zegt dat het onmogelijk is?’ Luís wees  naar de trein die recht op hen af kwam. 

‘Het staat online,’ schreeuwde Ricardo en hij zette een stap richting  Luís.  
‘O, nou, als het online staat dan zal ik het me wel inbeelden.’ Carolina stapte tussenbeide.  
‘Mond houden en rennen!’ 
Ze sprintte richting Santo Amaro. De jongens volgden haar en pro beerden haar bij te houden. De brug schudde steeds heviger, als aankondi ging dat ook het ritme van de trein versnelde. Carolina waagde het  achterom te kijken. Hij was al dichtbij, op zo’n honderd meter afstand.  Het eind van de brug lag twee keer zo ver weg. Ze stopte. 
‘We redden het niet.’ 
‘Doorrennen,’ riepen ze. 
‘We worden omvergereden voor we bij het eind van de brug zijn.’ ‘We houden ons vast aan de brug en laten hem passeren,’ opperde  Luís. 
‘Dat is veel te krap,’ antwoordde Carolina hem en ze moest bijna  schreeuwen. ‘Heb je dat niet gezien toen de andere trein voorbijkwam? De  wagons raken de zijkant bijna. We moeten naar de overkant springen.’ 
De rails waren elk zo’n dertig centimeter breed. Ertussen gaapte een  leegte van een halve meter breed boven de afgrond. Ze pakten elkaars hand,  zodat ze elkaar mee konden sleuren als een van hen zou vallen. Carolina  ging voorop, Ricardo in het midden en Luís sloot de rij af. De trein was  bijna bij hen en ze konden het wanhopige gefluit van de machinist horen  die hen in de avondschemering te laat had gezien.  
Geen van drieën kon achteraf uitleggen wat er was gebeurd. Ze  hadden zich al vastgeklampt aan de rails van de overkant, het moeilijkste  was overwonnen. Een verkeerde stap, even het evenwicht verloren, een  schok, wie weet. Ze voelden hoe hun handen zich van elkaar losmaakten.  En toen ze elkaar aankeken, was alles anders. Luís zag de paniek op de ge zichten van zijn vrienden terwijl hij hem probeerde te vangen maar greep  in het luchtledige. Hij had niet gezien hoe Carolina’s telefoon in duigen  viel op het asfalt van de straat, tientallen meters onder hen. Hij was met  zijn benen in de lucht blijven hangen en hield zich krampachtig vast aan  een van de rails terwijl de brug schokte onder de zeventienhonderd pk van  de trein die op het punt stond hen te passeren.  
De vrienden stortten zich op hem, maar door hun bezwete huid en  wanhoop raakten hun handen elkaar weer kwijt. Met moeite konden ze  hem optrekken. Op handen en voeten kropen ze naar de smalle strook aan  de andere kant en klampten zich vast aan een balk op het moment dat de  trein het trio voorbijreed. 

Ze herinnerden zich niks van de rest van hun tocht. Ze sleepten zich  naar het andere eind van de brug en hun geheugen kwam pas terug toen ze  op het station van Santo Amaro aankwamen. Op dat moment was het  treinverkeer al stilgelegd en de stationschef wachtte hen op, vergezeld door  de politie. Een kleine menigte keek met de hand voor de mond toe vanaf het perron. 
Het nieuws van hun overtocht verscheen in de banners op de  nieuwszenders en de volgende dag was er een kwart van een krantenpagina  aan gewijd. De dienstdoende journalist had ervoor gekozen een afbeelding  van een trein uit het archief te gebruiken in plaats van hen te fotograferen,  
maar ze hadden het bewijs dat ze nodig hadden om met opgeheven hoofd  het lyceum binnen te stappen. 
Ze werden naar het kantoortje van de stationschef gebracht. Daar  kregen ze water en ze moesten een rapport van het incident invullen. Van  de hoofdagent kregen ze een uitbrander en hij legde uit dat ze geen kinde ren meer waren. Die ongein had een hoop mensen schade kunnen berok kenen, naast het gevaar dat zijzelf hadden gelopen. 
Een andere agent meldde dat hun ouders er waren. In dekens gewik keld werden ze alleen achtergelaten in de kamer. Ze bleven stil. Ze voelden  hoe hun spanning bezweek onder een lachaanval. Ze probeerden zich in te  houden zodat ze het daarbuiten niet zouden horen, maar het geschater  
golfde onbedwingbaar uit hen.  
Een van de agenten deed de deur open en keek hen vol ongeloof aan:  ‘En jullie lachen nog ook?’ 
‘Sorry,’ antwoordde Carolina met een hand over haar mond. ‘Dat  was niet de bedoeling.’

More by Anne Lopes Michielsen

Om je maar niet te zien

Je weet al dat ik de kinderen heb meegenomen, hun kleren, toilettas, kleine  porties biologisch eten verdeeld over vershoudbakjes in schreeuwerige  Benettonkleuren, hun boeken heb ik ook mee omdat ik Rogério ’s avonds  alleen in slaap krijg door hem voor te lezen, en zoals zo vaak schrikt hij dan  uren later wakker uit een nachtmerrie die zijn adamsappel verdrukt en  neem ik hem in mijn armen zoals ik jou in mijn armen nam, Marta, toen  we samen zo’n perfect nestje vormden dat we van boven gezien makkelijk  kon worden verward met die zwart-witte, Chinese symbolen waarin de on sterfelijkheid en...
Translated from PT to NL by Anne Lopes Michielsen
Written in PT by Valério Romão

Natalya

Zodra ik wist dat het probleem belastingontduiking was, belde ik mijn  boekhouder  hé, Zeferino, wat is dit nou, verdomme, zeg jij me ver domme wat dit is, je zei dat je alles onder controle had, dat ik de brieven  van de belasting gewoon kon negeren en dat jij alles zou regelen, wat is dit  verdomme,  en tegen Misé, die ik net twee dagen daarvoor een heel degelijke zir konium ring had gegeven,  we moeten de ring terugbrengen, prinsesje, ik leg het je  later allemaal uit  ik spoelde mijn maag met twee kalmeringstabletten en een halve fles  wodka, ging languit op de bank liggen en ik zette mijn...
Translated from PT to NL by Anne Lopes Michielsen
Written in PT by Valério Romão

De kleine schrijvers

Bijna alles wat die dag gebeurde, speelt zich hier af. Ik houd mijn wijsvin ger tegen mijn slaap. Vele jaren later, wanneer ik mijn zoon voor het eerst  meeneem om het ijs te ontdekken, denk ik aan alle gebeurtenissen van die  ene dag terug als ‘de executie’.  Er ging niemand dood. De mensen waren gevaarlijk, vooral de  kleine kinderen, die in de bomen hingen. Hun voeten bungelden – en de  ergste misdrijven zouden van de tongen uit het midden van de monden  komen.  Luisteren doet pijn, wandelen is een truc. Laten we wandelen. Zelfs kleine dictatortjes worden groot. Kinderen wonen samen met  hu...
Translated from PT to NL by Anne Lopes Michielsen
Written in PT by José Gardeazabal

Eindelijk heb je een kamer voor jezelf

Ik zit ongemakkelijk, maar ik durf niet te bewegen omdat ik je niet wakker  wil maken. De zeurende pijn bedaart als ik mijn rug recht. Ik zit half op de  rand van het bed en laat het matras helemaal voor jou. Nu je in een diepe  slaap bent gevallen, kan ik je eindelijk zachtjes door je haar strelen. Je vindt  het maar niks als ik dat doe als je wakker bent.  Op de bank haalde ik de schade in. Wanneer je bijna in slaap viel, in  slaap gewiegd door een dag vol rennen en spelen, zette ik je voor een teken film. Dan bleef ik je door je haren woelen. Mijn liefkozingen liet je toe  omdat je half bui...
Translated from PT to NL by Anne Lopes Michielsen
Written in PT by João Valente

Na het laatste avondmaal

Het zijn geweldige dagen geweest. Zo gaat dat, sterven, ik herinner me elke minuut. Alsof je op een reliëfkaart van het nu ligt. Ik lig op mijn rug zodat ik elke bergtop, elke vallei, alle vlakten kan voelen. Het leven gaat niet voorwaarts of achteruit, er is alleen nu, nu, nu. Na een tijdje doet het pijn op een heel specifieke plek, als een dolksteek, en ik schrik op net als toen de rechter me ter dood veroordeelde. Zo gaat dat, het gebeurt verschillende keren, maar een ervan is definitief. Voor je gevoel kan het einde lang duren, voor mij is het al gaande sinds het vonnis van de rechter op h...
Translated from PT to NL by Anne Lopes Michielsen
Written in PT by José Gardeazabal

De leerschool

Toen ik de eerste had gebouwd, dacht ik een meesterwerk te hebben geschapen. Zoals een schilder de laatste toetsen op het inaugurele canvas van zijn carrière aanbrengt, dat hij met dezelfde vurigheid zal verstoten waarmee hij het in eerste instantie heeft omarmd. Ik heb hem naar mijn evenbeeld en gelijkenis gemaakt en toen ik voor de eerste keer leven in zijn ogen zag, was het alsof ik in de spiegel keek. Alleen de asynchrone reflectie verraadde mijn vergissing. Ik had me niet ingehouden en hem aardig wat meegegeven: kracht, behendigheid, strijdlust, een buitengewoon strategisch inzicht. En to...
Translated from PT to NL by Anne Lopes Michielsen
Written in PT by Valério Romão
More in NL

Een lichaam opzetten

Er zitten hele werelden onder onze huid. Tenminste, als je de illustraties mag geloven. Soms weet ik het niet zeker. Ik pak mijn sleutelbeen vast. Het steekt naar buiten als je je schouders optrekt. Dat doe ik vaak. Het sleutelbeen is een stevig botje, maar dun. Ik zou het kunnen breken. Misschien niet met mijn blote handen, maar als ik iets zwaars ertegenaan sla, dat massieve stenen beeld bijvoorbeeld, dan zeker. Er is niet veel nodig om uit elkaar te vallen. Je hoeft je maar één keer te verslikken en het is gebeurd. Waar blijven de propjes die het verkeerde gat in schieten? Voorbij de amande...
Written in NL by Nikki Dekker

Op weg naar huis

Terwijl ze in de auto op weg naar huis de stad uit rijden, probeert hij de boel te relativeren door te stellen dat dit een van die onmogelijke situaties was, die hij Wat-zou-jij-doen-als noemt. Zij knikt. ‘Dat soort situaties zijn niet jouw sterkste kant,’ merkt ze op. ‘Wat wil je daarmee zeggen? Meer dan dat had ik verdomme toch niet kunnen doen?’ ‘Niet vloeken. Matteo herhaalt alles wat je zegt.’ Alice werpt een blik over haar schouder. Matteo ligt uitgeteld in zijn stoeltje. ‘Ga je me nog vertellen wat ik verkeerd heb gedaan?’ vraagt hij na een poosje. ‘Davide, je bent compleet doo...
Translated from IT to NL by Sandra Verhulst
Written in IT by Fabrizio Allione

De verandering

‘Gaat u maar met de lift, ik neem de trap wel,’ roept de jonge arts en stormt de trap af, traptreden overslaand. Hij moet er op tijd bij zijn. Een paar weken eerder, nog tijdens het kraambed, meldde de moeder zich bij de kinderarts: de baby huilde onophoudelijk. Bij het eerste consult kreeg ze te horen: ‘Geeft u hem maar eens goed te eten, dan zal hij wel kalmeren.’ In een andere kliniek zeiden ze: ‘Het zijn darmkrampjes. Laat gebakken gerechten staan, dan wordt uw melk beter en zal het kind niet meer zo tekeergaan.’ In een privékliniek barstte een arts in lachen uit: ‘Waarom zou hij niet ...
Translated from PL to NL by Charlotte Pothuizen
Written in PL by Joanna Gierak Onoszko

Verwrongen

Die avond riep hij me, en het zag er niet naar uit dat hij zou stoppen. ‘Mama. Mama!’  Dat bracht hij uit tegen mij en tegen zijn kamertje, terwijl hij zich  opkrulde in een wassen duisternis vol speelgoed (zijn enige bezit). Hij riep  me opnieuw, dit keer veel harder, en ik wendde mijn blik af en streek langs  de onderkant van mijn whiskyglas, tot de condens op het topje van mijn  vinger gleed.  Het woord zat sinds zijn babytijd stevig in zijn brein genesteld. Roerloos staarde ik naar de onveranderlijke, iriserende vorm van de  druppel. Het was geen misdrijf om hem te leren wat kou was, om di...
Translated from ES to NL by Heleen Oomen
Written in ES by Matías Candeira

Laat het opklaren

Voor ik naar haar cel loop – ik zal langzaam lopen zodat ze het wringende geluid van mijn laarzen hoort naderen, ik wil dat ze weet dat ik eraan kom – draai ik het peertje in de plafondlamp boven mijn bureau. Als ik voel dat het vastzit zet ik extra kracht. Onmiddellijk hoor ik in de fitting dat knerpende geluid als van sneeuw. Een minuscuul geloei dat ook iets zegt over mij, over hoe ik de zaken hier regel.     Ik sla de gang op de tweede verdieping in. De cellen zijn hier vlakbij. Naast het witte raam zit Im met zijn armen over elkaar op zijn stoel te dommelen. Als ik mijn wijsvinger onder z...
Translated from ES to NL by Heleen Oomen
Written in ES by Matías Candeira

Een bom in de nacht die de bergen verlicht

Mijn vingers, gezwollen van hard werk en ouderdom, schuren over mijn wangen telkens wanneer ik de tranen droog die blijven stromen. Ik ben ervan overtuigd dat de zee eindeloos is en begrijp niet hoe het kan dat ik steeds opnieuw door een golf van verdriet overvallen word terwijl ik al dood ben vanbinnen. Is er dan geen rust na het einde van alles? De zee heb ik nog nooit gezien, maar ik weet hoe men wegen baant. Water is ongrijpbaar, gaat altijd waar het wil, maar ik kan het langs geulen leiden en zijn koppigheid in mijn voordeel laten werken, voor het me weer door de vingers glipt om de die...
Translated from PT to NL by Finne Anthonissen
Written in PT by Daniela Costa