View Colofon
Original text "A aprendizagem" written in PT by Valério Romão,
Other translations
Published in edition #1 2017-2019

De leerschool

Translated from PT to NL by Anne Lopes Michielsen
Written in PT by Valério Romão

Toen ik de eerste had gebouwd, dacht ik een meesterwerk te hebben geschapen. Zoals een schilder de laatste toetsen op het inaugurele canvas van zijn carrière aanbrengt, dat hij met dezelfde vurigheid zal verstoten waarmee hij het in eerste instantie heeft omarmd. Ik heb hem naar mijn evenbeeld en gelijkenis gemaakt en toen ik voor de eerste keer leven in zijn ogen zag, was het alsof ik in de spiegel keek. Alleen de asynchrone reflectie verraadde mijn vergissing. Ik had me niet ingehouden en hem aardig wat meegegeven: kracht, behendigheid, strijdlust, een buitengewoon strategisch inzicht. En toch had ik hem in slechts tien minuten met de grond gelijk gemaakt. Het leek alsof ik met een scheel en ziek kind vocht. Ik walgde van hem. Van mezelf.  
Bij het bouwen van de tweede dacht ik aan alle fouten die ik bij de eerste had begaan. Ik maakte hem behendiger, sterker en bovenal wreder. Ik wilde dat hij totaal niet bang was om me pijn te doen, zonder scrupules. 
Het is niet makkelijk de eigenschappen te determineren die een mens tot een buitengewoon goede strijder maken. De bouw is wellicht het minst belangrijke aspect. De slag wordt in het hoofd beslist. Een strijder die niet in staat is om zijn tegenstander nog voor hij de eerste klap uitdeelt volkomen te doorzien, is blind. Die is gedoemd te verliezen. Zo niet dat gevecht, dan een ander. Hij zal niet altijd winnen. En ik win altijd. 
Toen ik begon te vechten, voorspelden ze me een toekomst van kosmische proporties. Ik keek verder. Ik keek zwaarmoediger. Ik wist dat ik was voorbestemd om al mijn gevechten te winnen. Mijn zorg was: en dan? Als ik ze allemaal heb verslagen, wat kan ik als strijder dan nog nastreven? De anderen zagen de top van de berg bezaaid met lichamen en overwinningen; ik zag een meedogenloze woestijn die zich rondom me uitstrekte tot in het oneindige. De enige uitweg was mijn eigen tegenstanders te maken.
De tweede hield het maar iets langer uit dan de eerste. Desondanks was het een opmerkelijk wezen, voor zolang het duurde. Bloeddorstig, bedreven, ongelofelijk sterk. En toch heeft hij me geen enkele keer geraakt. Hij leek een dronken marionet die de weg naar huis zocht. Ik had medelijden. Ik walgde. 
Twee jaar lang bouwde ik mislukking na mislukking. Ik kwam niet verder dan dat ze me schramden, en dan nog alleen omdat ik het liet gebeuren. Ik wilde ze niet louter verslaan. Ik vernederde ze. Ik verwoestte ze. Wat er uiteindelijk overbleef van het duel was een hoopje wrakstukken. Die machines, zo perfect, zo onmenselijk, stuk voor stuk in staat een willekeurige strijder die ze tegenkwamen met gemak te verslaan, waren niet goed genoeg voor mij. Niks was goed genoeg. Niks zou ooit genoeg zijn. 
Ik heb nooit een waardige tegenstander gevonden. Zelfs helemaal in het begin, ver voordat ik mijn huidige toppunt bereikte, slaagden mijn tegenstanders er slechts in me oppervlakkig te raken. Als dat gebeurde lachte ik. Dan voelde ik dat ik leefde. Er bestond dan toch een kans dat ik verslagen zou worden. Zelfs al was hij klein, ver weg, er was een kans. En de kans om verslagen te worden maakt het spel echt. Dat is hetgeen waar het in een verslaving om draait. Zonder is de tijd niets meer dan een dodenmars. 
Op een avond kreeg ik een ingeving. Misschien was ik wel helemaal verkeerd bezig. Ik was altijd degene die hun eigenschappen en de manier waarop de machines vochten programmeerde. Wat als ik het niet in me had ze adequaat genoeg te maken? Alsof ik, zonder het door te hebben, een blokkade in mij had die me ervan weerhield een machine te bouwen die me kon verslaan? En als ik het nu eens allemaal anders deed?
Ik bouwde een robot zonder aangeboren vaardigheden. Een grote, domme baby, maar wel een die kon leren. En belangrijker nog, met erfelijke cognitieve functies. Alles wat de ene robot leerde tijdens zijn korte bestaan werd doorgegeven aan de volgende. Alles behalve zijn identiteit, natuurlijk. Ik veronderstelde dat de traumatische ervaring van al die herhaaldelijke nederlagen hun vechtersvermogen niet ten goede zou komen. 
De eerste kreeg er niet eens een reactie uit, de arme ziel. Mijn snelle, harde vuist daalde zo vaak op hem neer als ik maar wilde. Hij verdedigde zich niet, hij wist niet wat er gebeurde. Terwijl ik hem afranselde, zag ik eerst de schrik in zijn ogen, en vervolgens het onbegrip. Gebogen, verbijsterd.
Na een stuk of tien wilde ik bijna de handdoek in de ring gooien. Ze gaven helemaal niks aan elkaar door. Ze maakten niet eens de aanstalten zich te verdedigen. Steeds dezelfde verbazing als ik aanviel, hetzelfde onbegrip. 
Ik gooide het over een andere boeg. Ik begon met ze te praten. Leerde ze vechten, behandelde ze als mijn eigen kinderen. Ik wijdde me volledig aan dit alleenstaande vaderschap, en – ik kan het niet ontkennen – met behoorlijk wat affectie. Als ik mijn geduld verloor omdat een van hen niet volgens schema vooruitgang boekte, dan vernietigde ik hem. En dan bouwde ik een andere. Maar nu hoefde ik niet meer bij nul te beginnen. 
Op een gegeven moment maakten ze opmerkelijke en onverwachte vorderingen. Ze leerden niet alleen, maar improviseerden nu ook. Ze werden steeds minder machine en meer mens. En er een eind aan maken werd steeds pijnlijker. Maar de uitbarstingen die voortkwamen uit mijn ongeduld voor perfectie kon ik niet beteugelen. En zij, verrast door het onverwachte geweld, probeerden zich te verdedigen. Ze probeerden te ontsnappen, gingen in de tegenaanval. Afhankelijk van mijn razernij hielden sommige het zelfs zo’n tien minuten vol. En hoe langer ze het uithielden, hoe furieuzer en agressiever ik werd natuurlijk. Maar de uitkomst bleef altijd dezelfde. Mijn pijnlijke handen op mijn benen, hun lichaam in stukken voor me, een vreselijke waaier aan tegenstrijdige gevoelens. De verleiding om op te geven en het gevoel steeds dichterbij te zijn. 
Twee jaar zijn in een mum van tijd verstreken. Twee jaar in volledige afzondering. De wereld daarbuiten had kunnen vergaan en ik zou het niet eens hebben gemerkt. Ik weet niet of we in oorlog zijn, of de economie weer bloeit of wegkwijnt, of we een middel tegen kanker hebben gevonden, of dat we juist weer bezwijken onder nieuwe, verschrikkelijke ziekten. Geen idee en het boeit me niet. De mensheid staat ver van me af en kan me weinig schelen. Ik ken al haar gebreken en zwakheden en de paar uitzonderlijke mensen die op mijn pad zijn gekomen waren uitzonderlijk door het contrast met deze misselijkmakende jaloerse kuddedieren. 
Eerste verrassing: een voltreffer. Ik was niet moe of afgeleid. Hij trof me vol in mijn gezicht. En lachte. En ik met hem. Ze hadden me nog nooit zo getroffen. Eindelijk.
Tweede verrassing: een armklem waaruit ik alleen kon ontsnappen omdat ik ik ben. 
Derde verrassing: een allereerste knock-out. 
Ik stopte een paar dagen om na te denken. Ik had nog nooit zulke precieze en meedogenloze klappen gekregen. Alles wat ik had voorgedaan, was geïmplementeerd en fijntjes bijgesteld. In tegenstelling tot de eerste paar, die ik had geprogrammeerd met al mijn kennis, hadden deze zelf geleerd. Ze hadden met de beste strijder ter wereld getraind en in plaats van mijn stijl te kopiëren, verbeterden ze hem. Voor de eerste keer in mijn leven was ik bang. 
Toen het moment eindelijk daar was, kende ik geen angst meer. Een vreemde rust daalde over me neer. Het leek alsof ik alles in slow motion zag: zijn stoten in mijn gezicht, mijn onvermogen om een gedegen reactie te produceren, mijn handen, eerst zo behendig, zwaar als nutteloze ankers, mijn benen die bogen onder de uitputting van de strijd, mijn hoofd dat tolde bij elke klap en probeerde in die misselijkmakende maalstroom een vast punt te vinden, mijn nederlaag, mijn ongekende en zo verlangde nederlaag, en hoe hij me van de grond tilde, me boven zijn hoofd hief alsof ik niets woog en me ruggelings tegen zijn knie smeet.
Ik voel mijn benen niet, denk ik. Ik zal nooit meer lopen. Hij heeft mijn ruggengraat gebroken. Ik zal nooit meer lopen. Als ik mijn ogen opendoe, zijn mijn benen los van mijn lichaam. Er is geen bloed, er liggen geen ingewanden over de vloer. Mijn open buik toont een berg slangen, metaal en knetterende draden waar vonken uit schieten. Er is geen bloed. Ik zal nooit meer lopen.

More by Anne Lopes Michielsen

Om je maar niet te zien

Je weet al dat ik de kinderen heb meegenomen, hun kleren, toilettas, kleine  porties biologisch eten verdeeld over vershoudbakjes in schreeuwerige  Benettonkleuren, hun boeken heb ik ook mee omdat ik Rogério ’s avonds  alleen in slaap krijg door hem voor te lezen, en zoals zo vaak schrikt hij dan  uren later wakker uit een nachtmerrie die zijn adamsappel verdrukt en  neem ik hem in mijn armen zoals ik jou in mijn armen nam, Marta, toen  we samen zo’n perfect nestje vormden dat we van boven gezien makkelijk  kon worden verward met die zwart-witte, Chinese symbolen waarin de on sterfelijkheid en...
Translated from PT to NL by Anne Lopes Michielsen
Written in PT by Valério Romão

Natalya

Zodra ik wist dat het probleem belastingontduiking was, belde ik mijn  boekhouder  hé, Zeferino, wat is dit nou, verdomme, zeg jij me ver domme wat dit is, je zei dat je alles onder controle had, dat ik de brieven  van de belasting gewoon kon negeren en dat jij alles zou regelen, wat is dit  verdomme,  en tegen Misé, die ik net twee dagen daarvoor een heel degelijke zir konium ring had gegeven,  we moeten de ring terugbrengen, prinsesje, ik leg het je  later allemaal uit  ik spoelde mijn maag met twee kalmeringstabletten en een halve fles  wodka, ging languit op de bank liggen en ik zette mijn...
Translated from PT to NL by Anne Lopes Michielsen
Written in PT by Valério Romão

De kleine schrijvers

Bijna alles wat die dag gebeurde, speelt zich hier af. Ik houd mijn wijsvin ger tegen mijn slaap. Vele jaren later, wanneer ik mijn zoon voor het eerst  meeneem om het ijs te ontdekken, denk ik aan alle gebeurtenissen van die  ene dag terug als ‘de executie’.  Er ging niemand dood. De mensen waren gevaarlijk, vooral de  kleine kinderen, die in de bomen hingen. Hun voeten bungelden – en de  ergste misdrijven zouden van de tongen uit het midden van de monden  komen.  Luisteren doet pijn, wandelen is een truc. Laten we wandelen. Zelfs kleine dictatortjes worden groot. Kinderen wonen samen met  hu...
Translated from PT to NL by Anne Lopes Michielsen
Written in PT by José Gardeazabal

Eindelijk heb je een kamer voor jezelf

Ik zit ongemakkelijk, maar ik durf niet te bewegen omdat ik je niet wakker  wil maken. De zeurende pijn bedaart als ik mijn rug recht. Ik zit half op de  rand van het bed en laat het matras helemaal voor jou. Nu je in een diepe  slaap bent gevallen, kan ik je eindelijk zachtjes door je haar strelen. Je vindt  het maar niks als ik dat doe als je wakker bent.  Op de bank haalde ik de schade in. Wanneer je bijna in slaap viel, in  slaap gewiegd door een dag vol rennen en spelen, zette ik je voor een teken film. Dan bleef ik je door je haren woelen. Mijn liefkozingen liet je toe  omdat je half bui...
Translated from PT to NL by Anne Lopes Michielsen
Written in PT by João Valente

De brug

Op alle treinstations hangt een klok. Eigenlijk wel meer dan een. Boven het  loket hangt de moederklok. Dan heb je nog de kleinere op de perrons. De  praktische, die je zo lui maken dat je je telefoon niet meer uit je zak haalt of  op je horloge kijkt. Kinderen worden gefascineerd door deze klokken.  Omdat de secondewijzer zonder te stoppen rondgaat, is dat de enige  manier om te zien hoe de tijd verstrijkt. Ze kijken hoe de secondewijzer  naar boven glijdt en dan, als hij bijna verticaal staat, gaat hun hart sneller  kloppen en worden hun ogen groot. Wanneer de kleine wijzer eindelijk een  sp...
Translated from PT to NL by Anne Lopes Michielsen
Written in PT by João Valente

Na het laatste avondmaal

Het zijn geweldige dagen geweest. Zo gaat dat, sterven, ik herinner me elke minuut. Alsof je op een reliëfkaart van het nu ligt. Ik lig op mijn rug zodat ik elke bergtop, elke vallei, alle vlakten kan voelen. Het leven gaat niet voorwaarts of achteruit, er is alleen nu, nu, nu. Na een tijdje doet het pijn op een heel specifieke plek, als een dolksteek, en ik schrik op net als toen de rechter me ter dood veroordeelde. Zo gaat dat, het gebeurt verschillende keren, maar een ervan is definitief. Voor je gevoel kan het einde lang duren, voor mij is het al gaande sinds het vonnis van de rechter op h...
Translated from PT to NL by Anne Lopes Michielsen
Written in PT by José Gardeazabal
More in NL

Ik deel de lucht met de vogels

Soms wordt het echt ondraaglijk. Ze smakken zo luid dat ik er wakker van werd. Daarnaast kibbelen ze over wie de lekkerste hap gaat krijgen, dus terug in slaap vallen kan ik ook niet. Ik hoor alles, hoewel de ramen dubbel glas hebben en goed sluiten. De ene wil een pompoenpit, de andere lijnzaad, want die zijn zo knapperig, de jongsten grijpen naar broodkruimels, de vrouwtjes hebben geen zin in een vetbol. Wie had ooit gedacht dat zanglijsters, roodborstjes, pimpelmeesjes en groenvinken niet alles wat hun snavels tegenkomen in hun buikjes willen proppen. Die bewoners van ons park zijn behoorli...
Translated from SL to NL by Staša Pavlović
Written in SL by Agata Tomažič

Paarden en demonen

Ik herinner me gisteren nog als de dag van gisteren. In Brussel nam ik de trein – twee treinen eigenlijk, want ik moest overstappen – naar Den Haag, en dat alleen om één enkel schilderij te zien.     Ik werd bezeten door een demon van obsessief verlangen, er was geen keuze, dus ik moest gewoon gaan.     Maar mijn reis verliep helemaal niet zoals ik verwacht had – een mooie, ontspannen reis naar Nederland – en dat besefte ik zodra ik het hotel uit liep, waarmee ik ook alles en iedereen achter me liet.     Op station Brussel-Noord stapte ik bijna op de verkeerde trein, omdat ik naar de vertrekti...
Translated from SL to NL by Staša Pavlović
Written in SL by Mirt Komel

Cathedra of hoe je slagroom maakt

Sommige mensen dromen niet wanneer ze vliegen. Ze zakken weg in hun kunstleren stoel, trekken de grijze fleecedeken tot vlak onder hun kin, zetten een koptelefoon op hun hoofd en laten het zachte gebrabbel van een film met Eddy Murphy hun oren binnenstromen. Ze slapen zelfs, maar niets in hen maakt beelden aan. Geen enkele gedroomde, wonderlijke ervaring weet hun hersenen (die gevangen in hun hoofden in het vliegtuig razendsnel vooruit bewegen) te vinden. Hun slaap is even plat en uitgestrekt als de bovenkant van de wolken. Anderen dromen in vliegtuigen juist heftig en veel. Ze woelen in hun ...
Written in NL by Joost Oomen

Communie

‘Zou het hier zijn?’  ‘Dit is het adres op het briefje, komt het je niet bekend voor?’ ‘In mijn herinnering is dit een stuk braakland. We hadden meer  gehad aan de naam van het restaurant.’  ‘Ze heeft het je gegeven toen ze belde.’  ‘Het moet hier zijn. Er staan een hoop auto’s,’ antwoordde ik, ter wijl ik al richting aangaf om te parkeren.  ‘Bel je zus even, dan weten we het zeker.’  ‘Ik heb het niet opgeschreven omdat ik dacht dat we niet zouden  gaan. Ik ken dat kind niet eens.’  ‘Het is attent van ze dat ze ons hebben uitgenodigd. Misschien is  het wel een goed moment voor jou om… Je weet ...
Translated from ES to NL by Heleen Oomen
Written in ES by Roberto Osa

Aantekeningen over het leven van Frances Donnell

Proloog In 1945 werd Frances Donnell, schrijfster en bekend vogelkweekster, geboren in de Verenigde Staten. In 1983 veinsde ze te zijn overleden aan lupus, de ziekte waardoor ze al sinds haar jeugd werd geteisterd. Maanden na haar gesimuleerde dood ontdekte men dat het slechts een verzinsel was geweest. Na kortstondige ophef, waarover te zijner tijd meer, speelde Frances’ leven zich enkele decennia af in de anonimiteit. We spreken inmiddels over de eenentwintigste eeuw, toen ze aankwam in Spanje, en het ergste van haar ziekte, die zich alleen maar verder had verspreid in haar lichaam, achter ...
Translated from ES to NL by Joep Harmsen
Written in ES by Adriana Murad Konings

Alle mensen worden broeders

Toen ik Andrei zag weglopen, begon ik van hem te houden. Ik zag zijn zwarte rugzak, die uitpuilde, hij droeg hem als een schild op zijn rug. Het was zo’n volle rugzak dat je wist dat hij niet onderweg was, hij ging nergens heen. Als hij zo de bergen was ingegaan, had de rugzak hem misschien wel achterover getrokken, de afgrond in. De ritsen van de rugzak waren verduurd, ze konden elk moment loslaten en openbarsten, en ik stelde me voor dat de rugzak zich zou openvouwen, als een airbag, een luchtkussen, steeds groter en groter, een parachute die hem naar boven trok en meevoerde naar waar hij mo...
Written in NL by Yelena Schmitz