Vira Petrivna besluit de bijeenkomsten van hun leesclub Valse tanden op dezelfde manier aan te pakken als op school met haar leerlingen zoveel jaren geleden. Net zoals de oudjes nu legden zij destijds maar weinig enthousiasme voor het lezen aan de dag. Ergens tijdens het derde jaar van haar loopbaan als lerares had de jonge Vira Petrivna bij hen op school een leesclub opgericht, ’Boeiende bladzijden’ genaamd, voor 12- tot 14-jarigen. Ze had zelfs een affiche met de naam van de club getekend. Maar een van de leerlingen had er stiekem wat bijgekrabbeld, en Boeiende bladzijden waren overnacht ‘vermoeiend’ geworden.
Dan besloot Vira Petrivna om listiger te werk te gaan. Ze hoefden zich thuis niet voor te bereiden voor hun bijeenkomsten. In plaats daarvan verzamelde ze de hele groep in de schoolbibliotheek en las zelf aan hen voor. Uit de boeken die daar voorhanden waren koos ze wat een sceptische tiener volgens haar het meeste zou boeien: Het geheimzinnige eiland en De kinderen van kapitein Grant van Jules Verne, Schateiland van Robert Louis Stevenson en Tomek op oorlogspad van Alfred Szklarski, en natuurlijk ook Vsevolod Nestajko’s De torero’s uit Vasjoekivka, een immens populair jeugdboek van eigen bodem. En zo was het ijs gebroken. Eerst morden ze nog, maar ze bleven wel luisteren. Gaandeweg zou het gemopper alsmaar stiller worden. Tot ze ten slotte geleidelijk aan ook zelf begonnen te lezen.
Deze doeltreffende, op haar leerlingen beproefde methode past Vira Petrivna nu ook toe op Valse tanden. De boekkeuze voor de eerste gezamenlijke lezing is best verrassend – Harry Potter. Het verhaal over de jonge tovenaar koestert ze sinds de eerste keer dat ze het aan haar Polina heeft voorgelezen, vier jaar geleden. Ze kregen haar kleindochter maar niet aan het lezen. Toen liet Tolja, die goed wist dat zijn moeder een talent had om kinderen verliefd te laten worden op boeken, Polina de vakantie bij haar doorbrengen en had eveneens de eerste drie delen uit de Harry Potter-reeks meegegeven die haar kleindochter in de boekenwinkel had uitgekozen.
Oma las Polina elke avond voor. De kleine was dolenthousiast. En Vira Petrivna ook. Twee lezeressen met een leeftijdsverschil van zestig jaar. Dat hele verhaal over de tovenaarsschool was van zoveel hoop en positiviteit doordrongen dat toen zijn moeder en Polina de drie delen uit hadden, Tolja ook de rest moest komen brengen. Daarom twijfelde Vira Petrivna er om een of andere reden niet aan dat de bejaarde deelnemers van hun leesclub het verhaal van Harry Potter ook leuk zouden vinden – want hoe ouder je wordt, hoe kinderlijker.
Maar de oudjes vinden deze boekkeuze toch maar gek.
‘Pff,’ reageert Nina Mykolajivna als eerste, ‘ik dacht dat we iets spannends over de liefde zouden lezen, en dan komt u aanzetten met iets over magie.’
‘Magie is net goed,’ laat Venijn van zich horen. ‘Misschien komen we uit dat boek wel te weten hoe we uw tong kunnen bevriezen.’
‘Als het jullie niet interesseert, hou het dan voor jezelf,’ werpt Demydovytsj het tweetal nors toe voordat Nina Mykolajivna de kans krijgt om iets nijdigs te terug te zeggen. ‘Begint u maar met lezen, Vira Petrivna, let u maar niet op hen.’
En Vira Petrivna begint voor te lezen. Het leesproces wordt echter voortdurend vertraagd door allerlei opmerkingen, die overwegend van haar kamergenote en van Platvis komen. En terwijl San Sanytsj het nog bij een weliswaar veelvuldig herhaalde, maar korte reactie ‘wat een onzin’ houdt, leeft Nina Mykolajivna volop mee met de hoofdpersonages. En dan bij voorkeur hardop.
‘Oh nee, wil dat zeggen dat hij een wees is? Lieve hemel, arm kind toch!’
‘Wacht even. Zijn ouders, zijn die zo beroemd omdat ze artiesten waren, of zo?’
‘Wat een namen heeft die schrijfster toch allemaal verzonnen! Het verbaast me dat uw tong nog niet in een knoop zit, Petrivna. Zolang u dat allemaal blijft uitspreken, hoeft u geen Alzheimer te vrezen.’
‘Waarom pesten ze hem de hele tijd zo? Omdat hij een brilsmurf is, of wat?’
Nina Mykolajivna levert commentaar op alles wat ze hoort: het uiterlijk van de personages, de eigenaardigheden van hun gedrag, hun onderlinge relaties en hun namen, de namen van de afdelingen, de mogelijke plekken waar het echte kwaad zich schuil zou houden. Vira Petrivna moet er alleen om glimlachen. Haar kamergenote doet haar met haar vragen en reacties erg aan Polina denken. Venijn daarentegen is helemaal niet geamuseerd door het commentaar van de praatlustige Nina Mykolajivna, het irriteert haar alleen maar. Tot ze het ten langen leste niet meer trekt.
‘Zo, ik heb genoeg gelezen,’ zegt ze luid terwijl ze overeind komt. ‘Voor mezelf verklaar ik de zitting van de leesclub gesloten voor vandaag. De volgende keer kom ik alleen als jullie deze platenspeler uitzetten.’ Ze knikt demonstratief in de richting van Nina Mykolajivna.
‘Pff, heb ik soms iets verkeerds gezegd?’ windt zij zich op haar beurt op. ‘Dit is wel een club, hé. Of moeten we hier soms als dooie pieren zitten en zwijgen?’
Maar Venijn luistert al niet meer naar haar, ze schuifelt traag, maar luidruchtig weg richting de deur. Om de spanning een beetje weg te nemen vraagt Vira Petrivna aan de leden van Valse tanden of er vragen zijn, zodat ze die samen kunnen bespreken.
‘Ik heb er een,’ laat Nina Mykolajivna van zich horen.
Er valt een korte pauze, alsof iedereen verwacht dat iemand ‘Ja, wie anders?’ zal zeggen, maar het blijft stil in het zaaltje.
‘Als jullie zo’n toverstok hadden als ons Harry’tje,’ – zoals Nina Mykolajivna Harry Potter persistent blijft noemen – ‘wat zou dan één ding zijn dat jullie ermee zouden willen toveren?’
‘Dat de oorlog voorbij zou zijn, natuurlijk,’ antwoordt Vira Petrivna als eerste.
‘En dat er nooit meer iemand zou sterven,’ voegt Demydovytsj toe aan haar wens.
‘Ik zou nog wensen dat mijn hand weer zou kunnen schilderen,’ zegt de Schilder.
‘En dat iemand jullie allemaal de mond zou komen dichtnaaien, al was het maar voor tien minuten,’ werpt Venijn hun plots toe terwijl ze al in de deuropening staat.
Verder wordt er niets meer gezegd. Alleen Platvis die luidkeels begint te lachen. Hij vond deze Valse tanden zo al niks, en nu heeft er iemand eindelijk een punt achter gezet. En dan nog op zo’n komische noot. Maar Vira Petrivna vindt hier helemaal niets grappigs aan. Ze kan zich amper bedwingen om niet tegen hem uit te varen. Platvis daarentegen doet geen enkele moeite om zich in te houden.
Later die dag, wanneer zijn medebewoonster in de tuin asters water staat te geven (om een of andere reden voelde Vira Petrivna een sterke opwelling om wat met haar handen te werken, en Stepanivna had haar plechtig de tuinslang overhandigd), rolt hij in zijn rolstoel voorbij en werpt haar schamper toe:
‘En waar is uw toverstok dan? Kan die dit klusje niet even klaren?’
‘Wat een flauwe grap,’ antwoordt Vira Petrivna beheerst.
‘Hoezo? Ik vind het wel een goeie,’ giechelt hij.
Vira Petrivna legt langzaam de tuinslang neer, draait zich om naar de ouwe Platvis en kijkt hem recht in de ogen, of beter gezegd – recht in zijn ene oog.
‘San Sanytsj, kunt u me eens vertellen waarom u voortdurend op mij zit te vitten?’ vraagt ze en dan, terwijl ze de intonatie van Nina Mykolajivna precies imiteert, slaat ze hem plots knock-out: ‘Bent u soms verliefd op mij, is dat het?’
‘Ik?!’ loeit de overdonderde Platvis het uit.
‘Wie anders?’
In plaats van te antwoorden, loopt Platvis roze aan, waarna zijn gezicht scharlaken, karmozijn en alle andere mogelijke tinten rood begint aan te nemen. Net of hij geen oude opa is die een heel leven achter zich heeft, maar een overmoedige twaalfjarige knaap die zonet door zijn klasgenote op zijn plaats werd gezet en in een hoek gedreven.
‘Ik ben helemaal op niemand verliefd!’ bijt hij van zich af, duidelijk in verlegenheid gebracht, wat het alleen maar komischer maakt. ‘Mevrouw hier denkt dat ze het helemaal is en haalt zich van alles in haar hoofd.’
Vira Petrivna glimlacht alleen: zo is het – hoe ouder je wordt, hoe kinderlijker. Ze voelt dat dit een mooie kans is om eindelijk eens normaal met Platvis te kunnen praten, want achter zijn façade van immer kribbige ouwe knar schuilt duidelijk iets menselijks.
‘San Sanytsj, heeft u eigenlijk nog familie?’ vraagt Vira Petrivna zelfverzekerder.
‘Ik heb een dochter en een kleinzoon,’ antwoordt hij zonder zelf goed te weten waarom.
‘En waar zijn die nu?’
‘Ergens in Engeland of in Ierland, geloof ik. Hoeveel omzwervingen hebben ze al niet doorgemaakt!..’
Dan begint Platvis uit zichzelf over zijn dochter te vertellen. Tot 2014 heeft Joelja in Donetsk gewoond, ze werkte in een fabriek, had een degelijke baan en goede vooruitzichten. Al stond ze er alleen voor met haar zoontje. Haar man had haar in de steek gelaten na de geboorte van de kleine. Platvis was ook geen grote hulp geweest. Ten eerste was zijn relatie met Joelja nooit goed te noemen. Als kind heeft hij haar met harde hand opgevoed. Hij zegt dat hij nooit goed is geweest in al dat ‘gepamper’. Nu beseft hij dat dat wellicht fout was. Zijn dochter had weinig redenen om van hem te houden.
En ten tweede, zelfs al had San Sanytsj haar een beetje financieel willen helpen, hij had daar het geld toch niet voor. Ja, goed, in zijn jongere jaren verdiende hij niet slecht. In de tijd dat ‘de Donbas heel de Sovjet-Unie onderhield’. Maar sinds Gorbatsjov ging het alleen maar steeds verder bergaf. De lonen werden te laat uitbetaald, de werkomstandigheden in de steenkoolmijn waren loodzwaar, het ene ongeval volgde het andere op. Elke keer daalde je in die schacht af zonder te weten of je weer boven zou komen. En dan haalt Platvis met een zekere opvallende verbitterdheid herinneringen op aan de stakingen van 1989, hoe ze toen met hun helmen tegen het asfalt klopten om een menswaardige behandeling te eisen.
‘Dat wij mijnwerkers gingen staken, dat was uit pure wanhoop,’ zucht hij. ‘Het is pas later dat mensen voor het minste of geringste “op het Majdan-plein zouden gaan staan hossen”, maar wij hadden geen eens geld om brood te kopen. Dus gingen we met onze helmen kloppen.’
Aan de mijnwerkersprotesten van begin jaren negentig zou Platvis niet meer meedoen. Er deed zich een ongeval in hun steenkoolmijn voor. Uitgerekend die dag zat hij in de mijnschacht. Vijf mensen kwamen om, een tiental anderen raakten gewond. Platvis werd invalide voor het leven. Hij hield er een gebroken ruggengraat aan over, en een van zijn ogen raakte zo beschadigd dat het niet meer gered kon worden. Zo kwam hij zonder job, zonder oog en met een miezerig invalidenpensioen – waar ook nog heel wat getouwtrek voor aan te pas moest komen – in een rolstoel terecht. Zijn dochter studeerde net aan een hogeschool in Donetsk. Om haar financieel te kunnen bijstaan had zijn echtgenote Kateryna haar baan bij de toegangspost van de mijn (waar Platvis en zij elkaar voor het eerst hadden ontmoet) opgegeven en was ze helemaal naar Chabarovsk, diep in Siberië, getrokken om meer geld te verdienen. Het was zwaar werk, in erbarmelijke omstandigheden. De mensen leefden er ‘als vee’ in barakken. Op een gegeven moment brak er ’s nachts brand uit in hun barak. Katja raakte bevangen door koolstofmonoxide en kon niet wegkomen. Haar lichaam kwam pas een maand later bij haar familie aan. Daarop raakte Platvis, die zo al nooit vies was geweest van een glaasje, finaal aan de drank. Hij dronk alles wat brandbaar was, vertelt hij.
‘Om eerlijk te zijn, ik wilde gewoon creperen. Was dat nog een leven te noemen? Ik had zeventien jaar als een trekpaard in die mijnen gezwoegd. En dan pats – je zit in een rolstoel en niemand die nog naar je omkijkt. Iedereen had me toen aan mijn lot overgelaten.’
Al kwam zijn dochter toch van tijd tot tijd op bezoek. Ze nam hem een paar keren mee naar Donetsk, naar een of andere volksgenezeres, zegt San Sanytsj, die hem met hypnose van de drank moest afhelpen. Soms werkte het zowaar, tot hij zijn tong weer in alcohol doopte en herviel. Zo ging het jaren door.
‘En toen begon de oorlog,’ gaat hij verder. ‘We hadden niet meteen door wat er gaande was en hoe de vork in de steel zat. Op het hoofdplein werden er wat rake klappen uitgedeeld, en dan? Dat komt ervan, van al dat “gemajdan”, verdomme, wanneer je de macht omverwerpt. En toen begonnen de beschietingen. Er vlogen voortdurend Grad-raketten boven ons dorp.’
Platvis’ dochter was met haar zoon meteen uit Donetsk vertrokken. Eerst naar Kyiv. Daar hadden ze een tijdje bij verschillende kennissen onderdak kunnen vinden. Hij vertelt dat huiseigenaars destijds niet bepaald happig waren op huurders uit Donetsk. Maar dan had ze werk gevonden en toch een appartement kunnen huren, en drie jaar geleden had ze eindelijk ook een eigen stekje gekocht – in Irpin. Maar Platvis zelf was niet onmiddellijk uit de Donbas vertrokken. Bijna een jaar had hij in niemandsland doorgebracht, hij dacht dat het snel weer afgelopen zou zijn. Maar in 2015 had zijn dochter hem alsnog kunnen overhalen en hem geëvacueerd. Rechtstreeks hierheen – naar het bejaardentehuis. Dat ze samen zouden wonen kwam zelfs niet ter sprake. Ze zouden het toch niet met elkaar kunnen uithouden – incompatibele karakters. Al waren die eigenlijk identiek. Dat zei zijn kleinzoon ooit tegen hem. Toen die hem nog belde. Maar nu lijken ze hem vergeten te zijn. Voor het laatst hebben ze San Sanytsj nog gebeld toen ze naar het buitenland vluchtten. Platvis gelooft er niet in dat ze ooit nog zullen terugkeren. Hun appartement is beschadigd geraakt, wanneer het weer hersteld zal zijn – niemand die het weet. Daarbij is Platvis’ kleinzoon al zeventien. Nog een jaar en hij is dienstplichtig. Het is dus beter dat hij blijft waar hij zit. Hopelijk komen ze over wanneer hij de pijp uitgaat, misschien krijgt hij dan een waardige begrafenis. Niet dat hij dat echt verdiend heeft door een goede vader en grootvader te zijn, maar bloed is nu eenmaal dikker dan water.
Vira Petrivna was niet meteen voorbereid op zoveel openhartigheid – ze knikt en zegt niets. En denkt na. Hoeveel geheimen schuilen er nog in dit tehuis? denkt ze. Hoeveel klein groot ongeluk leeft er wel niet in deze oude stekelige mensen?
‘Ik ben dus helemaal niet verliefd op u,’ zegt Platvis ineens. ‘Het is gewoon een echt hondenleven, dan begin je vanzelf anderen af te blaffen en tegen iedereen te grommen.’
Vira Petrivna zegt enkele seconden niets, draait zich dan naar hem toe en zegt:
‘Blijft u naar onze leesclub komen. Tenslotte noemen we die dankzij u nu niet anders dan “Valse tanden”. Dan zullen we verder lezen.’
‘Die onzin van daarnet weer?’ vraagt hij, en zonder een antwoord af te wachten voegt hij eraan toe: ‘Nee, dank u. In het echte leven zijn er geen wonderen. Waarom ze dan in boeken zoeken, verdomme?’
Platvis legt bruusk zijn handen op de wielen en rijdt fluks in de richting van het tehuis. Vira Petrivna kijkt hem zwijgend na terwijl hij wegrolt. Ze kijkt en denkt: ‘Misschien zijn er inderdaad geen wonderen, maar je zou toch zo graag willen geloven dat ze wel bestaan’.