Woordspel
‘Tafel.’
‘Lamp.’
‘Planeet.’
‘Hmm… Truck.’
‘Kerstmis.’
Dit woordspel, waarbij elk volgend woord begint met de laatste letter van het vorige, spelen ze zo goed als elke dag. Sasja schuift dichter tegen de muur op, zijn moeder komt op de rand van zijn bed liggen en dan beginnen ze woorden heen en weer te kaatsen. Soms schuift ze een tafel tegen het bed en zet op de laptop een film voor hem op. Vaak heeft de jongen er al genoeg van nog voor de film is afgelopen. Dan draait hij zich om naar de muur, terwijl zij nog even naast haar zoon blijft liggen en hem aait.
‘Krab hier eens,’ zegt hij, en zijn moeder krabt aan zijn neus, of aan zijn voorhoofd, schouder of kruin. Daarna trekt ze de deken hoger op, dichter bij het gezicht van haar zoon, en gaat zelf op de grond liggen, op een geïmproviseerd bed opgebouwd uit delen van de sofa op de gang.
Sasja trekt met zijn armstompjes het deken wat omlaag. Zijn rechterarm is onder de elleboog geamputeerd, daar gaat het vlotter mee. Van zijn linker resteert amper meer dan de schouder. De jongen en zijn moeder vallen in slaap.
De volgende ochtend zal ze hem een scheerbeurt geven.
In het Sint-Panteleimonziekenhuis in Lviv liggen heel veel militairen. Door de grote toestroom van gewonden vervaagt het onderscheid tussen militaire en civiele ziekenhuizen bijna volledig. Elk ziekenhuis verandert in een hospitaal voor duizenden soldaten die van het slagveld zijn geëvacueerd. Wanneer de gewonden aankomen in Dnipro, Zaporizja of Soemy – de grote steden die het dichtst bij de frontlinie liggen – wordt hun toestand gestabiliseerd en worden ze klaargemaakt voor de evacuatie, waarna ze verder worden verplaatst, naar het centrum of het westen van het land. De hoeveelheid gewonden die dagelijks aankomt in de ziekenhuizen die in de buurt van het front zijn gelegen is te groot om ze daar lange tijd te kunnen houden.
Op de derde dag van mijn verblijf in Stadsziekenhuis nr. 9 in Zaporizja stonden de bedden met nieuwkomers gewoon in de gang omdat alle ziekenzalen overvol waren. Op dag vier werden honderden militairen op een evacuatietrein gezet en richting Vinnytsja gestuurd. Daar heb ik nog eens vier dagen doorgebracht, tot ik naar huis kon vertrekken. Een week nadat ik gewond was geraakt kwam ik in Lviv aan en werd ik op de chirurgieafdeling van het Sint-Panteleimonziekenhuis opgenomen. Er lagen vijf militairen op mijn ziekenkamer. Ik was de eerste die zelfstandig kon lopen. Bij Tolja – mijn buurman van links – was één been afgezet, het lot van het andere bleef onzeker. Zijn gezicht zat nog vol blauwe plekken, zijn vrouw zat elke dag naast zijn bed, en ’s nachts, wanneer ze naar een gehuurd appartement vertrok, bleef Tolja alleen met fantoompijnen waar geen enkel spuitje verlichting tegen kon brengen. Later zou hij me vertellen dat hij door een vijandelijke FPV-drone was geraakt.
‘Die is praktisch vol tegen me aangeknald. Het is een wonder dat ik nog leef.’
Mijn buurman aan de rechterkant heette Vova. Een van zijn benen was tien centimeter onder de knie geamputeerd, het andere 15. Binnenkort mocht hij op degelijke protheses rekenen, nu kon hij wel steunen op zijn vrouw Alina, die bij hem zat en zelfs ’s nachts niet van zijn zijde week: dan klapte ze een veldbed uit en bleef naast hem slapen. Waar het nu op aankwam was om nog enkele maanden van bedrust en aanhoudende pijnen door te komen.
Tegenover Vova was het bed van Pasja, die half zat, half lag. Zijn rechterbeen lag gestrekt op het bed, gespiesd door de spaken van een Ilizarov-fixatieapparaat.
‘Een Russische sluipschutster heeft me te grazen genomen. Ik heb haar nog zien zitten, dat kutwijf.’
Op het bed tegenover mij vond de volgende ochtend een wissel van wacht plaats. Onze nieuwe medebewoner heette Andri. Geraakt door een geleide bom. Scherven in zijn rug en zijn benen, verminkt gezicht. Een keer per dag hielp zijn vrouw Tanja hem uit bed, omarmde hem van voren en zo bleef hij met haar hulp een paar minuten rechtstaan. Zijn eerste lessen om weer te leren lopen.
Onze ochtenden begonnen met een ziekenhuisontbijt, pillen en het verwisselen van verbanden, een pijnlijke procedure voor elk van ons. Volgende opdracht: de dag zien door te komen. Als de pijn te hevig werd ging een van de echtgenotes de verpleegsters zoeken voor een pijnstillend spuitje. Zolang de pijn draaglijk bleef dan praatten we met onze naasten. Vova gekscheerde tegen Alina dat zodra hij weer beter zou zijn hij jonge grietjes naar het ziekenhuis zou uitnodigen. Tanja en Alina vertelden elkaar over hun kinderen. Tolja en zijn vrouw hadden ook een kind, een dochtertje. ’s Avonds belde hij haar vaak. Hij kreeg zware pijnstillers, en wanneer hij zich beter voelde dan belde hij zijn moeder of zijn schoonmoeder, die de telefoon aan haar kleindochter doorgaf. Dan hoorde ik de kerel telkens dezelfde woorden tegen haar herhalen.
‘Taïsia. Jij heet Taïsia, toch? Jaaa. Zeg tegen papa dat je Taïsia heet. Komaan, zeg het.’
Dat deed ze dan. En dan moest hij lachen.
Elke gewonde wacht op het moment dat hij naar revalidatiecentrum Unbroken mag. Dat betekent dat het ergste lijden achter de rug is. Voor de jongens met geamputeerde ledematen is dat een teken dat hun stompjes voldoende genezen zijn om aan prothesering te beginnen. En mochten de revalidatiespecialisten daar toch nog hun twijfels over hebben, dan zouden ze ziekteverlof krijgen en voor een maand naar huis worden gestuurd. Door de regel hadden de patiënten met andere soorten verwondingen de meeste, zo niet alle, operaties al achter de rug eer ze werden doorverwezen.
Voordat ik bij Unbroken terechtkwam had ik er vier operaties op zitten. Het externe fixatieapparaat moest nog van mijn linker onderarm verwijderd worden, een zenuw van mijn been naar mijn arm getransplanteerd, het gebroken bot met een titaniumplaat vastgezet, en daarna zou nog een stukje bot van mijn bekken naar het beschadigde deel van mijn arm getransplanteerd worden. Maar voor het zover was moest er enige tijd verstrijken, dus stuurden de artsen me naar het revalidatiecentrum. Meer dan een maand had ik mijn vingers niet kunnen strekken, wat resulteerde in verkorte pezen, ernstige contractuur en minimale beweeglijkheid. Ik werd voorgesteld aan mijn ergotherapeute Jaryna en zo begon een lange periode van dagelijkse vingeroefeningen die steevast door pijn werden gevolgd. Maar ook een periode met nieuwe gezichten.
Kostja was een majoor van de medische dienst. Al kwam ik daar pas de dag voor zijn vertrek uit het centrum achter. Daarvoor wist ik alleen dat hij gewond was aan zijn linkerbeen. Nu had hij daar een groot litteken, plus problemen met de bloedsomloop voor de rest van zijn leven.
Sanja had bij de Derde Aanvalsbrigade gevochten. Hij raakte gewond tijdens een bestorming, zijn been was geamputeerd onder de knie.
‘Een van die klootzakken had zich verscholen en me met een kalasjnikov onder vuur genomen. Meerdere schotwonden in mijn been.’
De naam van mijn derde medepatiënt weet ik niet meer, maar hij had ook beenletsel. Als het nodig was kon hij wel blijven rechtstaan, maar lopen ging niet – hij verplaatste zich uitsluitend in een rolstoel.
En dan had je nog Vasja. Hij lag op een andere kamer, maar we zagen elkaar dagelijks. Elke dag kwam Vasja naar ons toe gerold en terwijl we lagen te slapen speelde hij met de knoppen van de hoogtestanden van de bedden, hij zette bij iemand de rug of de voeten omhoog en ging er dan weer snel vandoor in zijn rolstoel.
Zijn beide benen waren heel hoog geamputeerd. Ik zat een keer op de sofa naast zijn vader. Vasja kwam aangerold en zijn vader vroeg welke sigaretten hij voor hem moest kopen. Vasja haalde een pakje Marlboro Gold uit zijn zak en gaf het aan zijn vader. Die draaide het pakje in zijn handen, bekeek de achterkant en begon luid te lachen. Hij toonde het aan Vasja, die eveneens in lachen uitbarstte. Dan draaide hij het pakje naar mij toe. Naast een waarschuwing over de schadelijke gevolgen van roken was een beeld van een lijk in een mortuarium te zien. De foto was zo genomen dat je alleen de benen kon zien.
‘Suiker.’
‘Rivier.’
‘Rivier is al gezegd.’
‘Wanneer dan?’
‘Je hebt gisteren nog rivier gebruikt.’
‘Goed, rugzak dan maar.’
‘Kuiken.’
Ze komen uit de regio Soemy, dicht tegen de Russische grens. Hun dorp raakte aan het begin van de invasie bezet, maar de Russen werden daar snel verdreven. Tante Tanja, zoals we haar noemen, heeft twee zonen die allebei naar het front trokken. De oudste heeft een eigen gezin, zijn vrouw wacht op hem. De jongste, Sasja, is ongetrouwd.
Hij lanceerde drones. Wanneer hij in juni 2024 zo’n ‘vogeltje’ oppakte om het te helpen opstijgen, ontplofte het plots in zijn handen. Zijn strijdmakkers hadden hem kundig eerste hulp toegediend en hem snel geëvacueerd. Niet veel later lag de jongen in een Kyivs ziekenhuis. Toen tante Tanja bij hem raakte kreeg ze meteen te horen dat zijn afgerukte handen nog de minste van hun zorgen waren. Sasja was aan zijn buik gewond geraakt en had ernstige hoofdletsels opgelopen. Hij was aan zijn bed gekluisterd en kon niet meer spreken.
‘Achteraf zeiden de dokters me dat hij er alleen dankzij mijn gebeden weer bovenop is gekomen. Niemand gaf hem een schijn van een kans op herstel, op een volwaardig leven, hij zou nooit meer in staat zijn uit bed te komen. Maar zie hem nu: hij loopt, spreekt, lacht. Ik moet hem overal mee helpen, dat is waar, maar hij heeft zich al door het ergste heen geslagen. Ik bad elke godgegeven dag voor hem. Ik bleef maar tegen hem herhalen dat het ons zou lukken.’
In het revalidatiecentrum zitten veel patiënten die geholpen worden weer op te krabbelen, net zoals Sasja. Om hun cognitieve vaardigheden weer te herstellen en alle basishandelingen opnieuw aan te leren.
Een man zegt de revalidatiespecialist na: ‘Een, twee, drie, vier…’.
‘Wat komt daarna?’
‘…’
‘Wat komt na vier? Je weet het, je weet het wel.’
‘Drie, vier… Vijf.’
‘Goed gewerkt!’
Hij kan zich nog alle letters herinneren, maar de cijfers is hij compleet vergeten.
Een andere patiënt kan een balletje in zijn hand nemen, hij kan het vasthouden en het weer loslaten. Maar hij begrijpt niet hoe hij deze handelingen kan combineren en het balletje een stukje voor zich uit gooien.
In december 2022 liep een van mijn strijdmakkers ernstig hoofdletsel op in het stadje Jampil in de regio Donetsk. Hij is een van de mensen die weer opgekrabbeld zijn. Al is hij sindsdien niet meer de oude. We merken het aan zijn taalgebruik, aan zijn zinsbouw, aan zijn blik.
‘Ik zat in de ambulance en in de bochten voelde ik mijn brein vanbinnen klotsen en tegen mijn hoofdhuid aandrukken op de plek waar een stukje schedel miste.’
Zijn vader, die me kwam bezoeken, verwoordde het als volgt: ‘Alle soorten verwondingen zijn afschuwelijk. Jullie hebben het allemaal zwaar, ik bid voor elk van jullie. Jongens die hun handen kwijt zijn, hun ogen. Maar weet je, er is niets erger dan hoofdletsel. Misschien zou ik dit niet zeggen, mocht ik dit zelf niet met mijn jongen hebben ondervonden. Zo iemand verandert compleet, begrijp je. Zelfs als hij weer opkrabbelt, dan is hij compleet veranderd. Maar dat geeft niet, zolang hij maar weer opkrabbelt. Dat is wat telt.’
Zo ver staan Sasja en zijn moeder al. Soms wil hij de ziekenkamer niet verlaten, en toen hij laatst met zijn moeder naar een winkelcentrum ging, schrok hij zich daar rot van de roltrap. Maar dat geeft niet, zolang hij maar weer opkrabbelt. Van tijd tot tijd raakt de jongen ergens door gefrustreerd of wordt hij boos. Soms is dat heel concreet tegen zijn moeder gericht. Dan schuift hij verder weg en draait hij zich met zijn gezicht naar de muur toe. Zijn moeder gaat dan op de rand van het bed zitten en aait hem.
‘Zoontje van me, je weet toch dat ik het alleen goed met je voorheb. Je weet toch dat ik mijn leven voor je zal geven mocht dat nodig zijn. Vergeef me, toe, vergeef me als ik iets verkeerds heb gezegd. Sorry, soms denk ik niet na over wat ik zeg.’
Sasja duwt haar niet weg, hij zegt niet dat ze van zijn bed moet afgaan. Wellicht begrijpt hij dat hij eigenlijk niet boos is op háár. En ook zij begrijpt dit. Ze gaat naast haar zoon liggen en zegt:
‘Alles komt goed, Sasja. Het wordt alleen anders. Zoals het vroeger was zal het nooit meer worden. Maar het wordt ook iets goeds. Gewoon anders nu. Je kunt het allemaal aan, ik weet dat je het allemaal aankunt. Je hebt al zoveel doorstaan, zoveel ellende getrotseerd… Ik begrijp dat het niet makkelijk is voor je, zoonlief, ik begrijp dit beter dan wie ook. Maar je kunt het allemaal aan. Hoor je me? Ik weet dat je het allemaal aankunt.’
Een poosje blijven ze in stilte liggen. Sasja houdt zijn ogen dicht, en tante Tanja blijft hem aaien. Dan geeft hij op een of andere manier te kennen dat hij niet meer boos is. Door bijvoorbeeld te vragen om hem even te krabben of om een mandarijntje te pellen. Voor tante Tanja is het een pak van haar hart wanneer de plooien weer gladgestreken zijn, dat staat te lezen op haar gezicht. Ze doet wat haar zoon vraagt en daarna gaan ze weer samen iets doen. Hij heeft zo’n hulpmiddel dat op een knelverband lijkt om aan zijn stomp te bevestigen dat uitgerust is met een stylus om een smartphone mee te bedienen. Sasja trekt zijn knieën op, legt zijn smartphone op zijn benen en scrolt door zijn newsfeed, kijkt een filmpje of speelt een spelletje. Of anders schuift zijn moeder de tafel met de laptop dichter bij hem en zet een film op. Of ze liggen beiden op bed en spelen hun woordspel. Ze beginnen weer waar ze gisteren zijn geëindigd, als ze het woord nog weten. Anders noemt een van hen een willekeurig woord en gaat het spel verder.
‘Naam,’ zegt Sasja.
‘Weer met een m… Munt.’
‘Tijger.’
‘Rib.’
‘Boek.’
‘Komma.’
‘Alfabet.’
We zijn intussen drie maanden verder sinds ik op kamer 12 van de afdeling chirurgie ben beland. Meerdere operaties, wekenlange revalidatie en psychotherapie, kilo’s pillen, tientallen gewonden met wie ik het geluk heb gehad kennis te maken. Een blinde patiënt begint zich steeds beter zonder zicht in de ruimte te oriënteren, ik zie hem tijdens zijn wandelingen met een revalidatiespecialist. Bij iemand anders merk ik ineens nieuwe bionische protheses op. Nog iemand is niet meer aan zijn bed gebonden en racet al in zijn rolstoel door de gangen, zoals Vova.
Ik kijk ervan op hoe mensen dit alles een plaats weten te geven, maar ik geloof dat ik het mechanisme erachter al een beetje begin te begrijpen. Het belangrijkste is om weer op te krabbelen. Daarbij hangt veel af van de artsen, maar niet alles. Je moet iets in je hebben om uit die aanvankelijke, aartsmoeilijke toestand te klauteren. Je moet over een drang tot leven beschikken, hoe banaal dit ook mag klinken. Je moet iets hebben om naartoe te leven.
Daarnaast vindt iedereen ook steun in de strijd van anderen. Het is belangrijk om andere gewonden aan je zijde te hebben. Wanneer ik nu terugkijk op de eerste weken van mijn behandeling dan verbaas ik me erover hoe ik die heb doorstaan. Maar destijds keek ik naar de mensen om me heen. Vova lag zonder benen grapjes te maken over jonge grietjes. Tolja leefde met de onzekerheid of zijn ander been nog gered kon worden, maar liet wel eten uit de McDonald’s op de ziekenkamer bezorgen. Als ik hen zo zag, hoe kon ik dan zelf blijven janken over de gaten in mijn arm? Terwijl zij ondertussen aan kameraden dachten die nog meer verloren hadden. En die op hun beurt aan weer anderen dachten. Op de zwaarste ogenblikken halen wij uiteindelijk ook onze strijdmakkers die het niet gehaald hebben voor de geest. Een gewonde in het hospitaal in Zaporizja verwoordde dit als volgt: ‘Als het pijn doet, dan weet je dat je nog leeft.’
Mensen vinden houvast bij anderen en in woorden. Iedereen heeft iemand nodig die de juiste woorden zal vinden tijdens de zwaarste momenten van hun leven. Een echtgenote, die de hele dag bij je blijft en met je praat, om daarna een veldbed naast je ziekenhuisbed uit te klappen. Een broer of strijdmakker, die je elke dag opbelt om telkens weer dezelfde vragen te stellen, maar op zo’n manier dat je wel moet antwoorden. Je moeder, die weet dat zelfs wanneer je boos op haar bent, je eigenlijk helemaal niet boos bent op háár. En die weet dat het je allemaal beslist zal lukken..
Onze gewonde soldaten liggen in ziekenhuizen over heel ons land. En bij elk van hen zit iemand en praat. En als er niemand aan je bed zit, dan ligt er wel iemand in het bed naast je. Die ook zijn eigen strijd uitvecht. En die zich aan je optrekt, net zoals jij dat aan hem doet. En die met je praat.
Op de eerste verdieping van het Sint-Panteleimonziekenhuis is een grote hal met zachte sofaatjes, kleine tafeltjes, apotheken, cafés en een kapelletje. De patiënten die in staat zijn om hun kamer te verlaten ontvangen vaak hier hun bezoekers.
Er zijn bijna twee maanden voorbijgegaan sinds ik in het revalidatiecentrum ben aangekomen. ’s Avonds komt Marjana en laten we in de hal een pizza, hamburgers of nog iets anders wat ik aan het front heb gemist bezorgen. Daar zitten we dan op een kleine sofa net naast het kapelletje, niet ver van de trappen en de liften. Voor ons staat een kerstboom, een klein meisje loopt ernaartoe en roept iets terwijl ze naar de kerstversiering wijst. Tolja’s vrouw komt en neemt haar weer mee. Ik draai me om en zie hem in zijn rolstoel zitten, een glimlach op zijn gezicht, zijn been in het gips. We knikken naar elkaar, een oudere dame loopt naar Tolja toe, gevolgd door zijn vrouw en het kind en allemaal samen trekken ze richting de vrije sofa’s. Het meisje rent naast de rolstoel rond.
‘Heet je Taïsia?’ vraagt de man. ‘Mijn meisje, heet je Taïsia? Zeg tegen papa dat je Taïsia heet.’
Dat doet ze. En hij moet lachen.
P.S.
Enkele maanden na het schrijven van deze tekst kwam ik tante Tanja in de gang van revalidatiecentrum Unbroken tegen. Sasja en zij waren net terug van een maand verlof. Ze hadden een sociale woning in Lviv gekregen, Sasja’s vader in hun dorp bezocht, wat verstrooiing van het ziekenhuisleven gevonden. Tante Tanja bracht me naar Sasja’s nieuwe kamer, waar ze me een grote mooie medaille lieten zien. Tweede plaats op het Oekraïense nationale tennistornooi voor deelnemers met armamputaties. Het was Sasja’s eerste sportieve onderscheiding sinds zijn ongeluk. De eerste van vele prestaties die Sasja in zijn nieuwe leven nog zal bereiken.