9 januari 1918
Mama heeft weer geschreven. Ze zegt dat ik Kyiv beter zou verlaten en naar Zjytomyr trekken. Nonsens. Ik twijfel er natuurlijk niet aan dat ze het beste met me voor heeft, maar dat is uitgesloten. Ja, het is oorlog, ja, de bolsjewieken rukken op, en ja, een maand geleden werd er bij ons in Kyiv ook geschoten, maar om na zovele jaren hier weg te trekken… Nee. Vooral ook omdat niemand zeker weet of ze nog zullen blijven oprukken. Die opstand werd toch ook snel ontwapend. En zelfs als ik vertrek, wie zal er dan bij de zieken blijven? Als ik de verhalen van tante Tetjana mag geloven, dan zullen de bolsjewieken die zieke stakkers al helemaal geen genade tonen. Ik ga nergens heen. En daarmee uit. Zelfs als de bolsjewieken straks hier voor de deur staan.
Maar komt het wel zover?
Het dagblad Rada schrijft geruststellende berichten over de Vrije Kozakken. Er wordt ook een studentenbataljon gevormd. Het lijkt erop dat de stad er weer bovenop begint te komen, dat ze zich bewuster wordt van haar Oekraïense identiteit. Langs de andere kant, wanneer je naar Vira en haar vrienden luistert of hun kranten leest – de Proletarische gedachte of zo – dan krijg je een diametraal tegenovergesteld beeld. De Rada kan bij mij natuurlijk op meer vertrouwen rekenen. Ik hoop echt dat ze Kyiv alsnog niet zullen binnendringen.
Maar genoeg daarover, laat ik wat over mijn dag vertellen. Vandaag moest ik een dienst in het ziekenhuis draaien en daarna deel 3 tot 6 uit het handboek chemie afwerken. Dat eerste is me gelukt, al is dat niet zonder verrassingen verlopen, wat het tweede betreft, verder dan deel 4 ben ik vandaag helaas niet gekomen. Ik schrijf het op voor morgen.
Dit waren de belangrijkste gebeurtenissen (genummerd in chronologische volgorde):
1.
’s Ochtends had ik een beetje tijd voor het begin van mijn dienst in het Kyrylivka-ziekenhuis. Ik ging even langs de Markies, op de hoek van de Volodymyrivska en de Prorizna, en bestelde een kop sterke thee. Het was niet druk, wat in vroegere tijden opmerkelijk zou zijn geweest, maar de laatste weken hebben mensen andere prioriteiten dan koffiehuizen. Het lijkt erop dat de gespannen sfeer en de weergalm van de gevechten buiten de stad ook tot hier reiken en het vaste cliënteel afschrikken, dat gewoonlijk bestaat uit lichtvoetige jongedames en snelle beurstypes. Zodra ik plaats had genomen en het hete kopje in mijn handen nam, stapte er een jonge heer op me af. Lang van gestalte, licht gebogen postuur, maar met een uiterst delicaat, duidelijk afgetekend gelaat. Zijn donkere haren waren achterover gekamd, zoals bij de dandy’s uit vooroorlogse modebladen, zijn fijne snor vormde een rechte lijn. Alleen zijn ogen… Die waren enigszins bleek, diepliggend en onwaarschijnlijk indringend. Hij zou voor een spion uit zo’n roman kunnen doorgaan, als hij tenminste niet zo’n vermoeide gezichtsuitdrukking had, zoals je die dezer dagen bij ambtenaren en bankiers ziet. Hij hield eveneens een dampend kopje vast. Zijn handen waren bijzonder mooi en riepen het beeld van de recent aangekomen militaire chirurgen voor de geest. ‘Heeft u er iets op tegen als ik bij u kom zitten?’ vroeg hij.
Daar had ik geen bezwaar tegen – waarom ook niet? De heer bleek verrassend praatlustig, hij vertelde dat hij Anatol (iets Frans?) Petrovytsj heette en hij vroeg mijn naam, of ik hier vaak kwam en of ik toevallig geen ziekenzuster was (waarschijnlijk omdat hij mijn plunje had opgemerkt). Ik antwoordde bevestigend. Toen zei hij ineens: ‘Dus u verzorgt uitsluitend Sitsj-schutters en kozakken, Natalia Fedorivna? Of krijgt Hippocrates toch soms de overhand boven Michnovsky?’ – hij wees daarbij naar mijn exemplaar van Onafhankelijk Oekraïne, een invloedrijk pamflet waarin de noodzaak van een onafhankelijke Oekraïense staat werd bepleit, dat amper zichtbaar uit mijn tas stak. Ik kreeg niet de kans om me te herpakken en iets gevats te antwoorden want vlakbij hoorde ik een bekende stem krijsen.
Het bleek mijn eigen Oleksander Vladyslavovytsj te zijn. Een van de acute patiënten, dementia praecox die atypisch laat tot uiting was gekomen, contraire tegen de definitie van de ziekte zelf, zou je kunnen zeggen. Een uniek geval. Hij moest dus ontsnapt zijn. Hoe hem dat gelukt was, daar had ik op dat moment geen idee van. En hoe was hij in hemelsnaam ook in de Markies beland? Natuurlijk komen deze vragen nu pas bij me op, terwijl ik dit opschrijf, op het moment zelf was ik bevangen van de schrik. Ik kon de nare gevolgen die dit voor mij zou betekenen al voor me zien. Maar niets aan te doen, Oleksander Vladyslavovytsj had een psychose-aanval, er was geen tijd te verliezen. Godzijdank had ik mijn tasje met pillen bij de hand, en ondanks het feit dat bijna het hele etablissement zich om de patiënt heen had verzameld, kon ik me snel een weg naar hem toe banen. Ik greep zijn logge lijf vast en probeerde hem met zijn naam aan te spreken. Zonder resultaat. Hij bleef me alleen met die eigenaardige, wilde blik van hem aanstaren, zoals je dat bij psychotische patiënten wel vaker ziet. Hij leek heel erg op zo’n bebaarde Oud-Slavische figuur uit de lesboeken geschiedenis van de slavisten. Ik diende hem een gebruikelijke dosis bromide toe en niet veel later werd Oleksander Vladyslavovytsj’ lichaam al weker. Hij hield op met schokken en keek me kalm, gedwee en enigszins verdwaasd aan. De menigte was intussen alweer uiteengegaan, geloof ik.
Toen hoorde ik een onbewogen stem achter me zeggen: ‘Het is triest om te zien wat er van Oleksander Vladyslavovytsj is geworden, werkelijk triest.’ Het was Anatol Petrovytsj die het tegen mij had, zijn kop thee ingeruild voor een elegante wandelstok die hij ergens vandaan had getoverd. Hij stak een helpende hand uit, nam Oleksander Vladyslavovytsj bij de arm en samen begeleidden we hem naar buiten. Natuurlijk vroeg ik of hij de patiënt kende. ‘Een beetje, van mijn werk,’ was het enige wat Anatol Petrovytsj daarop te zeggen had. Daarna riep hij een koets voor ons, en toen die al bijna voor ons stond, zei Anatol Petrovytsj pardoes: ‘We leven in onzekere tijden, Natalia Fedorivna, het zou zonde zijn om zulke aangename nieuwe kennissen uit het oog te verliezen. Zou u er iets op tegen hebben mocht ik u uitnodigen om morgen samen in de Praag te lunchen?’ Zijn voorstel kwam zo onverwacht dat ik aanvankelijk even van mijn à propos was, maar dan dacht ik – waarom ook niet? En antwoordde dat ik er geen bezwaar tegen had.
De koetsier reed snel, de straten waren zo goed als verlaten, er lag ook geen sneeuw, hoe vreemd dit ook is voor hartje winter. Mijn gedachten gingen steeds maar terug naar die ontmoeting. Waarom had hij een onbekende jonge vrouw zomaar voorgesteld om samen uit lunchen te gaan? Was hij het die de menigte uiteen had gedreven? En hoe was het Oleksander Vladyslavovytsj toch gelukt om te ontsnappen?
2.
Hoe het Oleksander Vladyslavovytsj was gelukt om te ontsnappen, begreep ik zodra we bij het ziekenhuis waren aangekomen: er heerste een vreselijke chaos en kabaal, er werden net nieuwe gewonden binnengebracht, kennelijk werd er weer gevochten. Toch niet tegen het Rode Leger? Eerst wist ik niet goed wie deze gewonden waren – onze troepen of de Witten? Want dat maakte een wereld van verschil! Toen hoorde ik Oekraïens en kon ik weer opgelucht ademhalen. Het waren onze jongens. Eigenlijk zou ik toen de andere ziekenzusters moeten gaan helpen, maar ik had op dat moment mijn handen al vol. Ik bracht Oleksander Vladyslavovytsj naar de paviljoenen voor geesteszieken. De bromide was nog niet uitgewerkt en hij kwam moeizaam vooruit door de sneeuw, die hier op het gras was blijven liggen. Zonder de hulp van Anatol Petrovytsj was het veel lastiger om hem vooruit te krijgen. Langzaam sjokten we naar het paviljoen voor de acute patiënten.
Terwijl ik dit opschrijf moet ik aan het volgende denken: best curieus eigenlijk hoe het met Oleksander Vladyslavovytsj is gelopen. Ooit, in een vorig leven, was hij Aleksandr Vladislavovitsj Soechobroes, een respectabel man, die aan het hoofd stond van een van de departementen van het Kyivs gouvernementsbestuur. Mensen begroetten hem met een buiging, waarschijnlijk werd hij op allerlei bals en soirées uitgenodigd. Hij had een gezin, een echtgenote en twee dochters, geloof ik, in de zomer trokken ze samen naar hun buitenverblijf of naar zee. Sommigen zouden er veel voor over gehad hebben om een keertje zo arm in arm met hem te lopen zoals ik dat nu met hem deed, onderweg naar het paviljoen. Maar dan gebeurde er iets. Iets dat de ziekte uit zijn onderbewustzijn opriep. De ziekte bleef vorderen, mensen begonnen Aleksandr Vladislavovitsj te mijden, niet veel later werd hij naar ons ziekenhuis doorverwezen. En zo verhuisde Oleksander uit een groot huis ergens in het chique stadsdeel Lypky, vlakbij het landgoed van de gouverneur-generaal, naar een eenpersoonsbed in een ziekenhuiskamer. Niemand meer dan een gewone zieke bejaarde.
Het paviljoen kwam steeds dichter. In andere omstandigheden bleef ik er altijd bewonderend naar kijken terwijl ik erheen liep. Zo’n ontzettend mooi gebouw was het, zo stralend licht en met zo’n spits dak, het leek op een baksteen-en-hout versie van een buitenverblijf van een welgestelde aristocraat die zich de diensten van een bekwame houtbewerker kon veroorloven. Het ging mooi op in de massa kale, verstrengelde bomen eromheen. Toen we bijna bij de deur waren nam het personeel de patiënt van me over. Ik slaakte een zucht van opluchting en ging op zoek naar dokter Netsjaj.
Dokter Netsjaj doceerde bij ons aan de universiteit, hij was een van de twee professoren die met psychische aandoeningen werkten. Hij was het die me twee jaar geleden had voorgesteld om een tijdje in het Gouvernementele Kyrylo-ziekenhuis te komen werken, waar hij aan het hoofd van stond, en het was ook net op zijn aanraden dat ik me met het geval van Oleksander Vladyslavovytsj ging bezighouden. Ik was me er goed van bewust dat ik het getroffen had – dit werk in het ziekenhuis, alsook het onderzoek van het geval van mijn patiënt zelf. De meeste professoren zagen voor ons, vrouwelijke studentes, geen toekomst in het vak. Psychiatrie was immers geen plek voor een vrouw. Natuurlijk bestonden er uitzonderingen, maar het waren ook niet voor niets uitzonderingen. Met welk recht kon ik me daartoe rekenen? Daarom was ik me er ook dondersgoed van bewust dat ik me geen enkele misstap kon veroorloven. Ja, alles moest perfect zijn. Ik zie het nog zo voor me hoe ik de flesjes met pillen in mijn tas begon door te nemen, ze steeds opnieuw te ordenen. Dat werkte geruststellend, want toen al had het besef van de ernst van de situatie al mijn gedachten en mijn hele bewustzijn doordrongen. Nee, natuurlijk was het risico dat ik uit het ziekenhuis ontslagen zou worden onbestaande. Er waren niet genoeg ziekenzusters voor alle gewonden, zelfs als men de studentes die de cursussen eerste medische hulp volontairement liepen en de diensten erbij namen meerekende. Maar het was veel realistischer om mijn stageplek te verliezen en daarmee ook de toegang tot geesteszieken, en dan met name tot Oleksander Vladyslavovytsj. Langs de andere kant, de patiënt was niet tijdens mijn dienst ertussenuit geknepen. Wat niet wegneemt dat ik voor hem verantwoordelijk blijf – mijn werk met hem is zo goed als mijn enige belangrijke taak hier. Maar op dat moment had ik amper de tijd om over deze dingen na te denken. Dokter Netsjaj riep mijn naam. Zo luid als alleen hij dat kan.
‘Natalia Fedorivna!’
Het is wat het is, dacht ik nog.
‘Ik hoop dat u op de hoogte bent gebracht van het wedervaren van uw patiënt.’
Van binnen kreeg ik het ijskoud. Hij wist alles al. Langs de ander kant, natuurlijk zou hij alles wel moeten weten. Hij had zijn gebruikelijke grijzige, zorgvuldig gestreken kostuum aan, zijn aktetas met zilveren gespen onder de arm, en in het doffe licht onder de bewolkte hemel kwam zijn hele verschijning erg grijs voor: grijze handen, grijze kale plek die zijn groot voorhoofd alleen maar groter deed lijken, grijze rimpels. Alleen zijn naar beneden gekamde snor zag er vrij zwart uit. Ik had de indruk dat ik naar een film of naar het bioscoopjournaal stond te kijken. Waarbij ik de filmzaal het liefst zo snel mogelijk wilde verlaten.
‘Ik heb hem gevonden, Pavlo Ivanovytsj, hij is weer heelhuids terug op zijn kamer,’ antwoordde ik. ‘Hij had alleen wel een psychoseaanval, dus moest ik hem een dosis bromide toedienen.’
‘Heel goed, Natalia, uitstekend. Dan is de kwestie bij dezen afgesloten, niet?’ Zijn toon beantwoordde zijn eigen vraag eigenlijk al. Alle praktijkstudenten kenden die toon. De toon die aangaf dat hij geen antwoord behoefde.
Dan ging dokter Netsjaj nog even door, iets in de trant van ‘u bent een snuggere jongedame, Natalia, ik hoop dat u zich goed rekenschap geeft van de ernst van dit probleem.’
Zijn pauzes waren niet uit te houden, hij bezat de opmerkelijke vaardigheid om met zijn donkere ogen iemand zo aan te staren, alsof hij alles in zich opzoog wat die persoon zelf niet aan hem kon vertellen. De ernst van het probleem begreep ik wellicht zelfs beter dan hij, aangezien het niet dokter Netsjaj was die elk moment zijn enige kans kon verliezen om naam te maken in de psychiatrie. Ik deed mijn best om duidelijk en zelfverzekerd te antwoorden, zoals het een goed getrainde ziekenzuster zou betamen: ik ben me ervan bewust dat de patiënt reeds bromide met hyoscine krijgt toegediend, ik zal dit met de ziekenzuster van wacht bespreken, dit zal niet meer gebeuren. Pavlo Ivanovytsj luisterde aandachtig naar mijn betoog, maar ik kon zien dat hij niet hoorde wat ik zei. Hij zou inmiddels toch kunnen weten – hij zou inmiddels wel móéten weten – hoe plichtsbewust ik ben! In tegenstelling tot de andere ziekenzusters had ik mijn post niet een enkele keer verlaten. Geen afspraakjes, geen vriendinnen die tijdens mijn dienst langskwamen. Ik had zelfs tijd over om andere artsen te helpen met hun patiënten! Pavlo Ivanovytsj moest zich daarvan bewust zijn, want hij… Hij gaf me zijn toelating om te blijven!
Hij zei: ‘Goed, Natalia, ik zie dat u mijn standpunt in dezen deelt. Onder alle andere omstandigheden dan de onze had u alle aanbevelingen en de voortzetting van uw stage kunnen vergeten en zou ik u aanraden om bij dokter Brjoeno en zijn vroedvrouwen te gaan werken, of als ik heel vriendelijk zou zijn, bij Hroenja Joechymivna en haar kinderen.’ Hier moest ik bijna om lachen, en ik kon ook zien hoe de snor van de dokter zelf in een krul trok, want hoe belangrijk zowel de vroedkunde als de kinderpsychiatrie van Hroenja Joechymivna ook waren (het was net haar voorbeeld dat me tijdens al die vreselijke beproevingen op de been had gehouden), ze kwamen niet in de buurt van ons onderzoek. En daarbij waren ze in alle eerlijkheid ook een stuk minder interessant.
Ten slotte zei de dokter dit tegen me: ‘In de huidige omstandigheden bent u een bijzonder waardevolle aanwinst, Natalia. Een verstand als dat van u, en belangrijker nog, een dergelijke vasthoudendheid en oog voor detail zijn waarlijk zeldzame eigenschappen onder studenten, zowel mannelijk als vrouwelijk – Diogenes zelf waardig.’ Dat was wat hij zei! Daarom zou ik nog een kans krijgen, zei hij. Maar dan zou ik een manier moeten vinden om koste wat kost te voorkomen dat Oleksander Vladyslavovytsj weer zou ontsnappen. Voor zijn verblijf wordt nu zo al drie keer meer betaald dan voor de andere patiënten. Het is onze plicht om zijn echtgenote en zijn dochters niet te storen met zijn aanwezigheid.
Maar hoe moet ik dat precies aanpakken? Daar moest ik de hele tijd aan te denken terwijl ik mijn dienst afwerkte en de soldaten stond te verbinden. Het is oorlog, we hebben niet genoeg bromideoplossingen om hem in toom te houden, zelfs voor wie ze kritiek nodig heeft is daar een catastrofaal tekort aan, laat staan voor de grillen van een patiënt. Daarbij zou het ook haast onmogelijk zijn om zijn toestand te bestuderen als hij onder invloed van bromide stond. Hoe zouden we anders weten waar hij aan denkt en of hij nog steeds geplaagd wordt door die ‘duivelse stemmen’ als hij voortdurend zou slapen of dommelen? Uiteindelijk kwam ik tot een eenvoudig en logisch besluit: met Oleksander Vladyslavovytsj gaan praten en achterhalen wat hem zo van streek had gemaakt. Misschien zou ik op hem kunnen inpraten? Ik weet wel dat gesprekken met patiënten die aan dementia praecox lijden een hachelijke onderneming zijn. Wanneer ze zich niet in een acute toestand bevinden gaat het nog enigszins. Maar zelfs dan kun je niet altijd op een succesvolle uitkomst van zo’n gesprek rekenen. Patiënten kunnen de draad kwijtraken, van de hak op de tak springen, met woorden spelen, of zelfs in een catatonische toestand vervallen. Het is alsof ze in zichzelf zijn verdwaald en zich voortdurend uit die verwarring proberen te bevrijden. Soms is het dus gewoonweg onmogelijk om een rode draad in een gesprek te vinden, ook voor henzelf. Dat is ook net de reden waarom ik sinds ik met Oleksander Vladyslavovytsj werk, inmiddels al ruim een jaar, amper een twintigtal goede gesprekken met hem heb kunnen voeren. Wat ik daaruit heb opgestoken: de sleutel tot samenwerking met de patiënt ligt in de kunst om manieren te vinden om hem te helpen zijn tegenwoordigheid van geest vast te houden. Ik zal het er dus op wagen. Daarbij, met hem praten is momenteel de enige optie die ik heb.
Ik heb me dus voorgenomen om morgen naar hem toe te gaan en met hem te praten, wat er ook gebeurt. Misschien slaag ik er op zijn minst in om de reden te ontwarren waarom hij voor het eerst in drie jaar uit het ziekenhuis is weggelopen, de Kyivse vrieskou in.
3.
De laatste belangrijke gebeurtenis van vandaag: ik kwam Vira tegen en kreeg een uitnodiging voor een ‘bijeenkomst die elk nadenkend individu, vooral een met onze overtuigingen, zeker dient bij te wonen’. Ik kwam haar op weg naar huis tegen, op het Sinna-plein. Ze zag er enigszins bezorgd uit, maar ook heel blij. Ze vertelde enthousiast over haar goede vooruitzichten en haar plannen voor de nabije toekomst. Maar Vira was eigenlijk altijd een vrij enthousiaste vertelster. Zo’n meid die een en al beweging is, die haar zwarte haar volgens de nieuwste mode kort draagt, met bruine ogen die altijd fonkelen door een nieuwe bevlieging. Vira en ik zijn sinds ons eerste jaar aan de universiteit bevriend, en als streekgenoten met gelijklopende patriottische Oekraïense overtuigingen zijn we vrij hecht. Zelfs ondanks onze meningsverschillen wat andere thema’s betreft. Ik vroeg me nog af of Vira iets over de onafhankelijkheidsverklaring heeft opgevangen, of dat ze misschien de studentenbijeenkomst heeft bijgewoond die enkele dagen geleden in de Rada stond aangekondigd, maar uit de geheimzinnige toon die ze aansloeg wanneer die ter sprake kwam, begreep ik dat zij het over een verboden bijeenkomst had. Betekent dit dat er communisten aan zouden deelnemen? Vira is een socialiste natuurlijk, maar toch niet zo fanatiek dat ze met agitatoren uit Moskou zou omgaan? Ze zou er wel toe in staat zijn, maar ik hoop van niet. Ik hoop dat het om een gewone studentenbijeenkomst met een socialistische ondertoon gaat, zoals we die af en toe bijwoonden. Ik stemde dus in om mee te gaan. Wie in deze tijden politiek goed geïnformeerd is, is ook beter voorbereid. Morgenavond ontmoet ik Vira dus weer en dan gaan we er samen naartoe.
Na de ontmoeting met Vira kwam ik weer thuis en ben ik nog wat met mijn collegeaantekeningen van organische chemie bezig geweest, en met dit hier. We zien wel hoe het loopt morgen.