Proloog
Alles kan ik voor jullie schrijven. Alles wat jullie maar willen. Advertenties, pamfletten, sociaal-civiele contracten. Alles. Zeg maar wat, en ik zal het schrijven. Soms moet ik even nadenken, maar niet lang. Een aantal, zo’n tiental seconden, en dan komen de woorden als een lawine uit een literaire vulkaan. Jullie zullen versteld staan van de volle vaart waarmee het uit me stroomt. Ik ga zitten, al schijnen sommigen staand te schrijven, maar ik ga toch zitten, pak een potlood, een vulpen, ballpoint, of wat jullie dan ook bij je hebben, en ik ga schrijven. En jullie zullen tevreden zijn. Dat beloof ik.
Ik geef eerlijk toe dat ik mijn hele leven precies dit heb willen doen. Schrijven op bestelling. Dat iemand me een sleutelwoord aanreikt, ik hup ga zitten (schijnbaar staan sommigen, maar ik ga altijd zitten!) en ga schrijven. Maar zo’n beroep bestaat niet, niemand wil daarvoor betalen. De journalistiek? Zeker niet, journalist zijn is niet hetzelfde. Een journalist krijgt geen sleutelwoord op, een journalist krijgt een heel spectrum aan thema’s en bespreekt ze, diept ze uit, informeert beleefd, bekritiseert en maakt verwijten. En hij schrijft niet over alles. Over machtsmisbruik, over corruptie, een gat in de weg, nepotisme, een afvalschandaal, werkloosheid in provinciestadjes. En ik? Ach, ik kan een klassiek auteur citeren en met enige gêne slechts zeggen (en ik ga het niet driemaal herhalen), dat ik geen reet om provinciestadjes geef. (*)
Zo’n beroep bestaat niet, punt uit. Je kunt meer verdienen met roerloos op de markt staan dan met op bestelling je arm heen en weer zwaaien over een briefje. Daar moet je je bij neerleggen, tenminste, dat zeiden mijn ouders me altijd, want jullie moeten weten dat ik al sinds mijn vroege jeugd pogingen ondernam om met juist dit beroep een fortuin te vergaren. Op de naamdagen van mijn oma’s, ooms of neven hing ik rond tussen wijde rokken en het gerinkel van kopjes, en wachtte tot een van mijn tantes me zou opmerken en in mijn wang zou knijpen. Dat lijkt misschien vreemd, maar vroeg of laat kneep een van de vrouwen me altijd wel in mijn wang, aangezien het lot me had begiftigd met zo’n bijzonder rond gezicht dat het gewoon tot knijpen uitnodigde. Zelfs nu heb ik soms nog het gevoel dat vrouwen me in de tram of op het postkantoor bekijken en een innerlijke strijd voeren om me maar niet te knijpen. Blijkbaar zien mijn wangen er, ondanks de ruwe stoppelbaard, nog steeds imponerend uit. Maar waar waren we gebleven: wanneer dat geknijp was begonnen, kwam ik in actie en vroeg ik of lieve tante niet geïnteresseerd was in op bestelling geschreven literatuur in korte prozavorm. Dit was honderd procent effectief. Want wie wilde er nou geen artistieke prozatekst krijgen van een vijfjarige met enorme wangen? Dus ik schreef en nam de betaling in ontvangst, soms zelfs met fooi, maar tegenwoordig weet ik dat ik te weinig vroeg; slechts een zloty per tekst.
In die fase volstond dit, aangezien mijn kosten voor levensonderhoud erg laag waren. Maar na verloop van tijd begonnen de zaken bergafwaarts te gaan, ik maakte steeds minder indruk op mijn tantes, ze knepen me steeds minder vaak, en mijn inkomsten werden steeds kariger. Ik had moeten nadenken over een nieuwe afzetmarkt, maar in plaats van daaraan te denken, dacht ik aan andere dingen waar mensen in hun tienerjaren aan moeten denken.
Na mijn schoolperiode begon het me wat beter af te gaan. Ik ging water- en sanitaire techniek studeren. Het was een geweldige tijd, want ik ontdekte in mijn branche een grote behoefte aan het woord. Mensen die in hun werk direct contact hebben met buizen, hebben enorm respect voor literatuur. Ze hebben een honger naar kunst, een honger die de motor werd van mijn zaken in die korte periode van betrekkelijke bloei. Klanten en werknemers van het loodgietersbedrijf waar ik werkte, stonden perplex van mijn kunnen, bestelden teksten bij me en kwamen vaak met de vreemdste sleutelwoorden. Ik had wat moeite met een ode aan een gasleiding. Ook waren de sleutelwoorden ‘leverbloempje’ en ‘epicurisme’ een uitdaging, beide moest ik in het woordenboek opzoeken. Met trots kan ik zeggen dat ik overal raad mee wist. Ik had niet heel veel bestellingen, maar ik geloofde dat de zaken op dreef zouden komen. Ik noteerde ze nauwgezet in een rood schrift waarop ‘bestellingen’ stond, net zo een als de directeur van ons bedrijf had. De levertijd was een dag. De betaling inde ik vooruit. Degelijk werk, betaalbare prijzen, geen kortingen – dat zei onze directeur altijd en ook ik hanteerde die principes.
Eén keer ben ik ervan afgeweken en de gevolgen daarvan zijn tot op heden pijnlijk voelbaar. Ik stond bij de tramhalte. Ik herinner me dat het die dag bloedheet was, ondanks dat juni nog maar net was begonnen. De hitte steeg op van het zachte asfalt, de zwoele lucht was vochtig en zwaar. Er stond een man op de hoek en schreeuwde: ‘Goedkope sokken, speciale aanbieding!’ Ik pijnigde mijn hersens over wie er bij zulke temperaturen nou aan sokken zou denken en precies toen zag ik haar. Ze droeg een witte jurk met een blauwe riem om haar taille. Een dikke blonde vlecht reikte helemaal tot halverwege haar rug. Ze zag eruit als een herderinnetje dat zojuist haar kudde schapen in de wei had achtergelaten. Ik zag niet haar hele gezicht, alleen haar grijsblauwe ogen. Haar neus en lippen had ze bedekt met een kleurige waaier met een oosters motiefje. In plaats van ermee te wapperen, gluurde ze erachter vandaan, zoals achtenswaardige matrones doen op bals in kostuumfilms. Ik keek naar haar en stelde me voor dat er aan de andere kant van die waaier een brede meisjeslach schuilging.
Maar ik vergiste me verschrikkelijk. Het gezicht achter die waaier was zeer ernstig en veel ouder dan ik aanvankelijk had geschat. Toen ik haar probeerde over te halen een bestelling bij mijn eenmanszaak te plaatsen, nam de vrouw me met een koele blik op, wat prettig was op zo’n bloedhete dag. Ze hoorde me aan, waarna ze antwoordde:
‘Dat is uitgesloten, beste meneer. Ik lees niet.’
‘Niemand leest, mevrouw, maar het is belangrijk om te schrijven,’ verklaarde ik, maar noch dat, noch de royale korting die ik haar aanbood, hadden effect. Ze was onverzettelijk, er hing een zinderende hitte en ik had al drie trams gemist. Net toen ik van plan was af te druipen, schitterde er iets ondeugends in haar ogen en met een sluwe lach vanachter haar oosterse waaier zei ze:
‘Vooruit maar. Ik zal een tekst bij u bestellen, al geef ik u geen sleutelwoord, maar inspiratie. Ik zal die morgen naar een afgesproken plek brengen.’ Ik dicteerde haar mijn adres en ging mijn woning opruimen. Ik stelde me voor dat dit alles het begin was, het begin van iets goeds, en omdat ik heel erg van beginnen hield, had ik een uitstekend humeur. Ze kwam om stipt twaalf uur. Ze had geen waaier meer, maar wel een parasol. Een Japanse, verklaarde ze, een echte Japanse parasol. Een hondje dribbelde achter haar aan.
‘Wat is dat?’ vroeg ik, terwijl ik naar het dier keek.
‘Inspiratie,’ zei ze en ze vertrok. Het hondje bleek een buitengewoon lelijk en lastig teefje te zijn. Ze betrad mijn woning alsof ze er thuis was en begon over het vloerkleed te rollen terwijl ze van top tot teen vies was en bovendien verhaarde. In het algemeen houd ik heel erg van dieren, maar het wezen waarover ik een kort prozastuk moest schrijven, wekte geen sympathie bij me op. Het had een onderbeet; de rij ondertanden was altijd zichtbaar in een onbeweeglijke psychedelische grijns of misschien drukte het eerder agressie uit. Het teefje was kalend, haar lange, grijze vacht verspreidde zich door de hele woonruimte. Ze had korte pootjes en een langwerpig, dik lijf. Haar ogen waren helemaal niet te zien, zo harig was dat beest, ondanks de haaruitval. Ze kefte onophoudelijk en krabde zich voortdurend waardoor er plukken vacht de lucht in vlogen.
Ik zat lang naar de hond te kijken, maar er kwamen geen passende woorden in me op. Ik vocht de hele middag met haar, want ze probeerde steeds op mijn bed te klimmen samen met een heel leger van haar vlooien. Tegen de avond gaf ik toe, toen ik begreep dat de onbekende met de Japanse parasol niet terug zou keren en dat Inspiratie deze en alle volgende nachten in mijn bed zou slapen.
De lelijkste hond die ik van m’n leven heb gezien, bracht twaalf jaar met me door. Ik heb een fortuin aan haar uitgegeven, want Inspiratie leed voortdurend aan nare huidziektes. Mijn hele leven heb ik in de loodgieterij gewerkt en ik houd van dat werk, ik mag niet klagen. Toch droom ik nog steeds van schrijven op bestelling en eens in de zoveel tijd plaats ik een advertentie in de lokale krant. Maar de telefoon zwijgt. Sinds die pechdag waarop ik dat meisje met die Japanse accessoires ontmoette, heb ik geen enkele opdracht meer ontvangen. De tijden zijn veranderd, het geschreven woord wordt niet meer op waarde geschat en ik weet dat ik me daarbij moet neerleggen. Ik heb nog geprobeerd voor mezelf te schrijven, maar daar kwamen vreemde dingen uit voort. Die waren te lang en vrij sentimenteel. Nergens goed voor.
Gisteren heeft Inspiratie de geest gegeven. Ze was ons hele gezamenlijke leven ziek en onlangs had ze een vermoeiend hoestje opgelopen. De dierenarts diagnosticeerde kinkhoest, maar veel meer kon hij niet doen. Mijn arme teefje hoestte, rochelde, gaf over en veranderde mijn woning in een hondenziekenhuis waar ik nerveus ronddoolde en haar steeds maar weer nieuwe medicijnen toediende. Sinds ze dood is, eet ik niet, slaap ik niet en drink ik absoluut te veel. Ik kan het niet uitleggen, maar het voelt alsof ik van een schuin dak afglijd en alleen woorden ervoor kunnen zorgen dat ik op het laatste moment door een regenpijp word gered. Ik weet niet of jullie begrijpen wat ik bedoel.
Ik bedoel dat als jullie met een sleutelwoord komen, ik zal schrijven, wat jullie maar willen. Advertenties, pamfletten, sociaal-civiele contracten. Alles. Ik ga zitten, denk even na en ik schrijf het. En jullie zullen tevreden zijn.
Tiener
Toen ik kind was, hield ik van het regelmatige ritme van de trein. Het maakte me slaperig; ik kon binnen een kwartier indutten nadat we met de hele familie een wagon in waren gestapt, een overdreven hoeveelheid bagage en eten met ons meezeulend. Ik ging dan op de stapel koffers of op mijn moeders mollige dij liggen en werd door het ritmische geratel van de wielen in slaap gewiegd.
Het was hoogzomer. Achter het raam was het groen van de bomen zo sappig groen, dat als je je tanden erin zou zetten, het sap langs je kin zou druipen. Het was de hitte nog net niet gelukt de zomerse ansichtkaart te doen verschrompelen. Her en der stonden vervallen stulpjes, het voelde idyllisch, vredig aan. En alles was uitgeveegd, onduidelijk, beduimeld, zoals een raam dat is besmeurd met het vet van honderden mensenhanden en niet is schoongemaakt door het treinpersoneel.
Tegen die achtergrond stond niemand minder dan dat grietje. Zo sprak iedereen over haar; ik hoor mijn moeder die zin nog zeggen: ‘Er is daar een grietje, jullie zullen elkaar wel mogen.’ Toen zaten we ook in de trein, op weg naar de familie van een oom of zwager, dat weet ik niet meer. Geen van de personen bij wie ik toen verbleef, had ik daarvoor en heb ik daarna ooit nog gezien. Wat het idee achter die vakantie was, weet ik niet – overigens zit de kindertijd vol gebeurtenissen die een kind niet uitgelegd hoeven te worden, ze hebben geen reden, geen doel en ze worden niet door een inleiding voorafgegaan. De zalige wereld van onwetendheid, ontdaan van besluitvorming.
Ik vond ‘grietje’ een leuk woord, het had de klanken en vrolijkheid van ‘melodietje’ de zorgeloosheid en lichtheid van een trampoline of schommel. Maar het idee om de vakantie met een meisje door te moeten brengen stond me tegen. Ik had de leeftijd waarop je uren kon doen alsof een stok een geweer of zwaard was, maar je kon niet doen alsof een meisje een persoon was als alle anderen.
Het schijnt dat je mensen beoordeelt op basis van de indruk die ze maken in de eerste vijftien seconden. Als dat waar is, had die vakantie een verschrikking moeten zijn, aangezien Anielka, want zo heette ze, Engeltje, een verschrikkelijke eerste indruk op me maakte. Ze had twee miezerige vlechtjes, lange en dunne armen en benen, en droeg een jurkje met gestrikte schouderbandjes. Haar lichaam was zo mager dat haar knieën en ellebogen onnatuurlijke bulten op haar ledematen leken. Dit was echter geen ziektebeeld, eerder een overgangsfase waarna Anielka’s figuur vorm zou moeten krijgen en als bijeffect ook massa. Ze had grote ogen, een beetje een wipneus, en haar hele gezicht was overdreven volwassen en ernstig, ook al was ze nog maar net acht.
‘We gaan met een balletje spelen,’ zei ze. Dat verkleinwoord irriteerde me, toen wist ik nog niet dat Anielka elk zelfstandig naamwoord verkleinde en dat ook volwassenen, als ze tegen haar praatten, diezelfde rare taal begonnen te gebruiken, alsof Anielka tot een ander soort behoorde, het soort van schattige teddybeertjes en roze ballonnetjes, waarin alleen die poeslieve nieuwspraak gebruikt kon worden.
Ik ontdekte al snel dat achter de beleefde volzinnen die Anielka in gesprekken met volwassenen uitte, een wreed persoon schuilging, ze zwolg gewoonweg in haar wreedheid. Het spel met het balletje bleek niks anders dan gewoon trefbal, waarbij ik, een jongen die drie jaar ouder was dan zij, geraakt moest worden, en wel zo geraakt, tot ik bont en blauw zag, zoals ze dat zeggen. Ik weet nog dat ik precies toen ze me voor de zesde keer met die harde bal in mijn gezicht raakte met een kracht die ik nooit van zo’n breekbaar kind als Anielka had verwacht, ophield naar haar te kijken met die mengeling van verachting en toegeeflijkheid waarmee ik haar bij de begroeting had onthaald, en haar begon te bezien met een bewondering die gedurende die twee vreemde bloedhete maanden steeds verder toenam en die op het moment van vertrek zijn hoogtepunt bereikte.
Anielka bedacht elke dag steeds weer nieuwe spelletjes voor ons en elk daarvan kwam neer op het verwonden van onschuldige wezens die we onderweg tegenkwamen, of bij gebrek daaraan, op het verwonden van mij. Mijn nieuwe vriendinnetje, dat kon doorgaan voor een naïef, puur naïef kind, bekeek met wilde vreugde en voldoening het leed van bange kleine poesjes die ze me in het hoogste ooievaarsnest van de omgeving had laten zetten. Terwijl ze staarde naar de uit hun kassen puilende ogen van kikkers die aan hun achterpoten aan een tak hingen, liet ze een tevreden schaterlach horen die mij rillingen bezorgde. ‘Maak eens een carrousel van de kikkers,’ had ze geëist, en terwijl ik mijn tranen bedwong, luisterde ik gehoorzaam en had ik zwijgend met een touwtje lusjes om de dunne kikkerpootjes gebonden die sprekend op die van Anielka leken. Ik voerde al haar opdrachten uit en droeg bij aan het onwaarschijnlijke leed van vele onschuldige schepsels, waarbij ikzelf trouwens mijn gezondheid, zo niet mijn leven riskeerde. Ter verdediging kan ik slechts zeggen dat ik me soms, als Anielka een kopje thee ging drinken of haar ouders hielp, stiekem naar de plaats delict begaf en dan de meestal al stervende dieren bevrijdde. Ik praatte mezelf aan dat dit alles was wat ik voor ze kon doen.
Ik had de leeftijd waarop het beeld van straf voor je zonden een diepe angst aanwakkerde die je van binnen wegvrat. In mijn woonplaats vervulde ik de functie van misdienaar in een nabijgelegen parochie en de kwestie van Gods toorn nam ik heel serieus. In plaats van elke avond een gebedje op te zeggen, liet ik mijn tranen stromen terwijl ik op mijn buik lag met mijn gezicht in het kussen. De gedachte aan de onvermijdelijke biecht tegen het eind van de zomer was een kwelling. Aan mijn gewetensonderzoek voegde ik steeds weer nieuwe feiten toe. De lijst bewaarde ik in de spleet tussen het matras en het houten bedframe. Er was geen dag dat ik er niet twee of drie keer naar greep om er met een afgekloven potlood een volgend punt bij te krabbelen. Het noteren van mijn zonden bracht me kortdurende opluchting, alsof het feit alleen al dat die lijst bestond hoop gaf op vergiffenis. Al begon na een tijdje de lengte van de lijst me te beangstigen. Elke keer als ik genoodzaakt was er iets aan toe te voegen, zag ik de biechtstoel voor me terwijl ik daar een oneindige litanie van mijn zonden stond te prevelen. Totdat ik uiteindelijk, tijdens een van mijn slapeloze nachten, in een vlaag van machteloosheid de lijst opat die ik daarvoor in piepkleine stukjes had gesneden. Misschien hoopte ik dat de spijsverteringsproblemen, veroorzaakt door het papier dat in mijn maag lag, als een vorm van boetedoening kon worden beschouwd en zou bijdragen aan de vergeving van toch ten minste een paar van mijn zonden. Maar diep in mijn ziel wist ik en ik ben daar nog steeds zeker van, dat er geen God bestaat die zou vergeven wat ik die zomer had gedaan.
*
Citaat uit het gedicht ‘Zaterdag’ van de dichter Andrzej Bursa (1932-1957).