Wie heeft gezegd dat het altijd warm en goedkoop moet zijn. Vandaag is het warm en duur.
Ik stop de producten in mijn mandje: een doosje eieren, worst, ham, waarom ook niet. We zouden ons houden aan een dieet zonder vlees, maar toch niet met de feestdagen. En ik loop te rekenen.
Vorig jaar kon je voor hetzelfde bedrag twee keer zoveel kopen. Of misschien twee jaar geleden? Of misschien drie keer zoveel?
Wat moest je ook alweer nog meer kopen? Wat had mama in haar mandje gestopt als ze hier was geweest?
Mierikswortel, een mierikswortel-bietenslaatje. Na enig nadenken leg ik er mayonaise bij, de eerste de beste, maar bij nader inzien wissel ik hem om voor die uit Kielce, omega drie. Poolse kwaliteit gegarandeerd. Mama zou hem ook hebben omgewisseld. Nee, mama zou meteen al de juiste hebben gepakt.
Ik ben benieuwd, zou die ook in de regio Kielce worden gemaakt?
Zoveel vragen.
Het antwoord op die laatste vraag is binnen handbereik, letterlijk, maar ik controleer het niet. Wat maakt het uit. Misschien ben ik bang dat ik op het etiket Radom, Łomża, of Staniątki zie staan.
Ik gooi er nog twee grafkaarsen bij, van ons allebei één. Nu Maria bij mijn vader is, heb ik wat tijd, misschien ga ik even langs het kerkhof, dat is hier tenslotte tegenover. Want ik ben in Mościce boodschappen aan het doen, om de Biedronka te ontwijken met zijn massa klanten, die enthousiastelingen die inslaan voor Pasen als voor apocalyptische tijden.
Ik zoek een suikerlammetje.
Die van suiker zijn er niet meer, zegt een winkelmedewerkster die ik bij de snoepwaren aanschiet. Wel die van chocolade.
Maar zo een wil ik er niet. Van de chocoladefiguurtjes neem ik een haas die er als Sinterklaas uitziet.
Ik wacht mijn beurt in de rij af, betaal, laad de boodschappen in de auto, maar haal eerst de grafkaarsen eruit.
Voorbij de ingang van het kerkhof is het stiller. Ik ben hier lang niet geweest, wat een laantjes, ze zijn allemaal anders, maar lijken allemaal op die waar ik de laatste keer liep. Of eigenlijk: waar wij liepen. Die laatste keer, ik meen op haar sterfdag, wees papa de weg. Bijna een half jaar geleden.
Zou hij nu de weg ook nog kunnen wijzen?
Ik laat die vraag schieten en neem een van de met gras begroeide paadjes, dat aan de rechterkant, het dichtst bij de omheining. Ik loop te dwalen, de tijd gaat voorbij, ik struikel over graven, ongelijke stenen, scheve klinkers. Ik laat mijn blik over de opschriften glijden.
Van bovenaf gezien leek het labyrint eenvoudig. Eenvoudiger.
Tijdens haar begrafenis waren meer mensen nog in leven. Bijvoorbeeld zij allemaal, die me op dit moment omringen. Met verse sterfdata van het afgelopen decennium, een jong gestorvene. En sommige van de hier met hun lichaam aanwezigen waren toen nog niet eens geboren.
Uiteindelijk vind ik het, al had ik geen methode.
Ik sta en lees de inscriptie. Ik verzamel de opgebrande grafkaarsen in de vorm van kerstboompjes van verschillend formaat. En een kerstkrans, verbleekt plastic dat een sparrentak moet voorstellen. Zeker van een van haar vriendinnen uit de polikliniek, ze bleven bij elkaar tot de dood en zelfs daarna nog. Een van hen ligt in een aangrenzend graf, meen ik me te herinneren.
Kerstboompjes, ja natuurlijk, we waren hier in december, ik was het vergeten. Ik herinner me dat mevrouw Ewa de glazen boompjes ergens in de aanbieding voor ons had gekocht, ze was er toen nog. We hadden er een heel bosje van aangelegd. Nu zijn er nog drie. Ik zet ze in een rijtje achter het kruis, bij het hoofdeinde.
Toen ze overleed, stond vader aan het voeteneinde van het bed en huilde, en ik ging naar buiten met mijn telefoon. Om iedereen te bellen. Ik deed mijn best bondig en redelijk zakelijk te zijn.
Ik steek de kaarsen aan die ik heb meegebracht. Ik klap het bankje uit, het is oncomfortabel, te laag. Of ik ben te lang.
Dan een sigaret.
Het voelt een beetje alsof ik een bekende van vroeger ben tegengekomen.
Uit het oog verloren.
Er zijn geen suikerlammetjes, ik laat die zin door mijn hoofd gaan en weet niet: zijn ze niet op voorraad of behoren ze al tot het verleden?
*
Luister eens naar wat positievere muziek, zei Elżbieta. Weet ik veel, naar My favourite things misschien. Dus ik zet Coltrane weer op.
Zondag, Eerste Paasdag, een lange dag. Het voorportaal van de maandag. Daarom houd ik er niet van; een overblijfsel uit mijn schooltijd.
We zitten in vaders kamer driehoeken te kleuren. Dat wil zeggen: hij is aan het kleuren en ik teken met een geodriehoek in de hand de spiraal van Theodorus.
Zojuist heeft Grażyna gebeld, het toestel is nog heet.
Eerst een kleine rechthoekige, gelijkbenige driehoek. Daarnaast een volgende, waarbij de langere rechthoekszijde de schuine zijde van de eerste is. Ik teken er een kortere bij, de grotere driehoek steunt op de kleinere. Daarna nog een. De schuine zijdes van de vorige worden de rechthoekszijden van de volgende. En zo zestien keer. Met elke keer wordt de driehoek steeds puntiger en samen creëren ze een vorm die op een slakkenhuis lijkt, een schelp. Mollusca, Conchifera, Gastropoda, meen ik me te herinneren. Ik teken er wat onbeholpen een lichaam en voelsprieten bij, het ontbreekt me aan dat talent. Tot slot bewerkt mijn vader de geometrische buikpotige met een kleurpotlood.
Hij zegt niks, is onachtzaam. Henio, je gaat buiten de lijntjes, zou je willen zeggen.
Met Ola lukt dat beter.
Ik zet de plaat opnieuw op. Na zeven minuten van de titelsong, dus precies halverwege, gaat de deurbel.
Wie is daar? Ik krabbel op, trek een sweatshirt aan en ga opendoen.
Op de veranda staat mevrouw Piwońska met een taartplateau: een mazurek-paascake, een gebakken kwarktaart, maanzaadcake en een paastulband met glazuur. Naast de tulband liggen wilgentakjes en buxus; een bescheiden boeketje en decoratie.
Natuurlijk, een paastulband! Dat was wat in de supermarkt door mijn hoofd speelde, dat was wat ik me niet kon herinneren.
Ik pak het plateau met beide handen vast, zet het op een tafeltje dat op de veranda staat, neem haar wensen in ontvangst en breng mijn wensen over; de beste die in me opkomen. Mevrouw Piwońska slaat de uitnodiging voor koffie af, want er wachten thuis gasten. Ze vraagt naar mijn vaders gezondheid, ik antwoord ontwijkend. Voor mij telt zijn conditie. Die van hier en nu, van vandaag, is goed.
Het eindigt wat onprettig, Heidi komt haar groeten, een welkom of afscheid, en laat pootafdrukken op haar legertentkleurige trenchcoat achter. Ik bied aan de reinigingskosten te betalen, maar de buurvrouw wuift en weg is ze.
Dus mevrouw Piwońska doet het tuinhekje dicht, de hond is zichtbaar teleurgesteld, rent langs de omheining, ik zit op de trap te roken. En achter mijn rug, kom ik zo dadelijk te weten, likt Die Ander het glazuur van de tulband en vertrapt met zijn pootjes de overige lekkernijen.
Het begint te miezeren, voorlopig komt er niks van een wandeling terecht, ondanks die goede conditie. Bovendien heb ik Maria voor het middageten uitgenodigd. Dat moet ik gaan voorbereiden.
Dit is niet haar feest, in Oekraïne is het later Pasen. Ze heeft om verlof gevraagd, ze vertrekt woensdag en blijft acht dagen weg. Ik heb vrij genomen.
Het is ook niet mijn ding, dus maak ik tomatensoep met rijst of vermicelli en als hoofdgerecht spaghetti met tomatensaus. Maar zodat het niet helemaal ontraditioneel is, heb ik een groentesalade gemaakt. Of eigenlijk ben ik er nog mee bezig, want hij is nog niet klaar.
Ik kom overeind van de trap en neem de schade op die de kat heeft aangericht. Maakt niet uit. Zo gewonnen...
Ik ben er klaar voor.
Ik ga aan de keukentafel zitten en snijd de in schil gekookte aardappels, de wortels, peterseliewortel en selderijknollen in zo klein mogelijke blokjes. Eieren en gefermenteerde augurken. Zure appels, witte ui. Pietluttig, gelijkmatig, zeer langzaam.
Ik voeg alles aan mijn nachtelijke bereiding toe.
Dan twee blikjes doperwten. Kruiden. Tot slot sareptamosterd en mayonaise.
Mijn vader volgt mijn bewegingen vanaf rechts, de hond vanaf links. Zo gaat de zondagmiddag en vroege namiddag voorbij, zo ging een brok van de nacht voorbij.
Rustig.
*
Maandag, een volgende Paasdag, nog een lange dag. Die is als een tweede zondag op rij, een voorportaal. Een tijdlus. En weer belt er iemand aan.
Mijn vader zit te doezelen, ingedut door Cohen. Ik verwacht geen gasten.
Piwońska?
In de deuropening staat Kasia, op de achtergrond Sylwia.
Wat is ze dun, ik had haar bijna niet herkend. Ingevallen wangen. Rood haar, zoals dat van Joanna, het glanst in het bleke zonnetje.
Hoi.
Hoi, zeg ik, ik geef haar een hand, zij mij een slap handje. Compleet anders dan Sylwia die bemoedigend naar me lacht.
Kom binnen, komen jullie toch binnen.
Ze komen binnen en staan in het halletje tussen de honden- en kattenbakjes met hun jas aan en identieke schoenen. Ik in een pyjamajasje, spijkerbroek en blootvoets. Ineens stapelt de stilte zich op, want Cohen is net klaar. Kasia staart naar mijn knokige voeten, ik naar de tatoeage op Sylwia’s hand. Indiase patronen op haar vingers en onder haar pols een woord, zeker een acroniem: yolo. En Kasia heeft bovenaan haar linkerduim een vraagteken – is hij nou gespiegeld? Ja, ik houd mijn hoofd schuin. Iets nieuws?
Uiteindelijk doet Sylwia haar jas uit en helpt ze Kasia met haar rits die vast is komen te zitten.
Van buiten is het gekrab van de hond te horen.
Dank. En opa?
In zijn kamer. In de vroegere woonkamer, ik wijs met mijn hand naar het eind van de gang, ik sla mijn vaders fleece om me heen, doe sneakers aan mijn blote voeten en van de vensterbank pak ik de sigaretten. Er zitten er nog vier in het pakje.
Ik doe de deur open, de hond rent naar binnen.
Ik ga naar buiten.
*
Daarna zou er middageten moeten zijn. Maar dat is er niet.
Het beetje soep en het restje pasta met saus zijn voor mijn vader. Ik had niks voor mezelf gepland en al helemaal niet voor onverwachte gasten.
Op tafel staat een langwerpige schaal met de traditionele groentesalade en er middenin staat een lepel rechtovereind als een mast. Daarnaast wat oud brood. Voor een paastafel ziet het er treurig uit.
En er zijn chocolade-karamelkoekjes, als toetje. Die hadden de meiden gekocht. En er is die chocoladesinterklaas. Maar het had zoveel beter kunnen zijn, nijdig kijk ik naar de kat. Die zit zich ontspannen te wassen.
Als decoratie: wilgentakjes en buxus. Dat alles op het feestelijke tafelkleed van oma Zofia, met piepkleine geborduurde narcisjes en vele vlekken. Een kroniek van alle paasongelukjes van de laatste twee decennia van de vorige eeuw en de eerste twee van de huidige. Zuid-Polen.
Kasia zegt niks en eet niks, ze heeft rode ogen. Links van haar, dus aan mijn kant, heeft ze een muur van pakjes zakdoekjes gebouwd. Het moet vreemd voor haar zijn, want vanuit het boekenrek kijken verschillende Kasia’s van alle leeftijden naar haar. Een stuk of tien en allemaal lachend. Een verering van zijn kleindochter, opa’s altaar.
Vader-opa mompelt iets over dat er rook van het tapijt opstijgt, dat er brand is en dat Zenia, Zenia staat achter het raam! Ik stel hem gerust dat ik de brand zo zal blussen. En knik bevestigend dat ik haar zal roepen. Hij antwoordt iets in zijn eigen taaltje.
Vandaag heeft hij niemand herkend.
Sylwia ratelt onvermoeibaar over performativiteit, haar belangrijkste interessegebied. Breeduit, niet alleen over podiumkunst, maar ook over rituelen en dagelijkse gedragingen. Het herhalen, naspelen. Waarom doen mensen wat ze doen. Haar droom: een beurs in de States, voor Performance Studies aan de universiteit van New York. Ze heeft de aanvraag al ingediend.
Ik kijk naar Sylwia als naar een schilderij en zet de kan met kompot zo ver mogelijk van haar vandaan. Laat haar niet zoveel drinken, laat haar niet toevallig weer weggaan.
Want we hebben nog kompot van gedroogde appels, best lekkere zelfs.
Als Sylwia stilvalt, schud ik een volgende reddingsboei uit mijn mouw, mijn vakgebied: taal, pragmatisme, pragmatiek en performativiteit in de filosofie. Performatieve taaluitingen in de humanistiek. De theorie van taalhandelingen. Semiotiek en semantiek. De verbanden met poststructuralisme en fenomenologie. Belichaamde cognitie. Concepten van het subject. Rorty, Apel, Habermas, Butler. Van die laatste heb ik amper iets meegekregen, maar goed, het is wel effectief – genderperformativiteit is een schot in de roos. Feministische filosofie. De heteroseksuele matrix. Genderturbulentie. Queer theory.
Tussendoor warm ik de soep op, laat ik de pasta met de saus aanbranden en vind ik ijs in de vriezer.
Daarna voer ik mijn vader met een lepeltje.
Kasia’s muur brokkelt zienderogen af.
Sylwia’s gespreksthema’s slinken.
Mijn reddingsboeien raken op.
En wat betekent die tatoeage, fluistert mijn wanhoop mij in, die afkorting op je hand?
yolo? You only live once, ze lacht naar me.
O ja, daar heb ik iets over gehoord, ik knik en voel – waarom toch? – dat ik rood word.
Het is laat.
We brengen ze naar het station in Mościce.
Geef een seintje als jullie weer thuis zijn, zeg ik.
Hop paardje hop, over hekken breek geen benen, voegt vader eraan toe.
*
Een tijdje zonder Maria. Bila Tserkva.
En mevrouw Ola is ziek. Er is iets ontstoken, haar keel, bronchiën, zenuwwortels, ik weet het niet.
Acht dagen en wij met z’n tweeën, met z’n drieën, want de hond is er ook, met z’n vieren, want ook nog een kat.
De dagelijkse routine. Wakker worden om een willekeurig tijdstip na een doorwaakte, actieve nacht. Een vieze smaak in de mond. Rugpijn. Een bonzend hoofd. Brandende ogen.
Rituelen geven de dag een ritme waardoor er een kans is om je veiliger te voelen in de chaos. Ze structureren de wanordelijke stroom gebeurtenissen in doelgerichte reeksen die ergens heen leiden, of tenminste ogenschijnlijk. Ze reduceren de noodzaak om lastige besluiten te nemen, hoe nu verder, wat aan te pakken. Keer op keer hetzelfde, zoals de medicatie, die blijft onveranderd. De tijden en doseringen. En zoals de rookpauzes.
Eerst de badkamerrites. De gebutste gietijzeren badkuip met het gehate plastic inzetstoeltje. Geglibber. Fysiek contact, een perkamenten huid. De zeep heeft alles gewassen, de spons geboend. Tandenborstel, tandpasta, een beker. Geworstel in het water. Een lange, onnauwkeurige scheerbeurt. Problemen. Uiteindelijk hygiëne, de onmannelijke geur van een bloemenweide. Een glans. Een schittering van zijn door brillenglazen vergrote, kleurloze ogen.
Dan de kamer-, garderoberites: aankleden en uitkleden, vastmaken en losmaken. Knopen afrukken. Schoenen aandoen en uitdoen. Op blote voeten lopen.
Dan de keukenrites: de ontbijtlunchavondmaaltijd. Een boterham? Roerei? Een zachtgekookt ei? Hardgekookt? Kaasspread? Visspread? Een slaatje? Muesli? Havermout? Yoghurt? Honden- en kattenvoer.
Later een telefoontje en pizza.
Daarna is er vermaak. En wie door vuur, wie over water, wie in het zonlicht, wie in de maneschijn, wie op het laatste oordeel, wie door mensenrecht, wie in de mooie, mooie maand van mei, wie in welk ander jaargetij, wie in het rijk van de liefde, wie in het rijk van de hel, wie van honger, wie met toestemming, wie gewoon toevallig, wie in deze spiegel.
En als er al iemand belt, dan is het Grażyna. Want ze weet dat we alleen thuis zitten. Aardig.
Dan verf, kleurpotloden, aap noot mies.
Ik doe de gordijnen open en dicht.
Per ongeluk heb ik de actuele jaarkalender verbrand, dat was die met die geurtjes. De dagen verliezen hun contour. Het internet hapert. Doet soms de stoppen doorslaan. Alles vervloeit, draait in cirkels. Ik onderscheid de dag niet meer van de nacht. In mijn dromen Kasia niet van Sylwia. De hond niet van de kat.
Die acht bleek het teken van oneindigheid.
De deadline nadert, als het even kan, als hij slaapt, worstel ik me door de handboeken heen. Op zogenaamde vrije momenten. Ik heb er bergen van. Boeken, niet momenten. Helse rijken. Slachtoffers. Geneeskunde. Galton, Watson en anderen. Sociaal darwinisme. Rassenhygiëne en de hele stoet. De ruiters van de Apocalyps, die tweede brengt ons oorlog, je zult nooit meer rust hebben. Noteer dat.
Je moet ergens beginnen, ik begin met de cavia’s.
Ik heb altijd van knaagdieren gehouden. Mijn vader ontfermde zich over afgedankte exemplaren. Mijn moeder haatte ze. Ze marcheerden ’s nachts over me heen. Ik droomde over de landmacht. Bloeiende rozemarijn. De infanterie.
Mijn vader eet niet. Ik eet niet. En zo wel, dan pizza. Dat is tenslotte een Italiaans gerecht.
Daarna slaapt hij in de kamer, ik zit in de keuken, terwijl er woorden en beelden door mijn hoofd schieten.
Ik blader door de boeken, maak notities, werk lemma’s uit. Ik drink liters koffie, slik pillen tegen de hoofdpijn. En ik beplak de koelkast met briefjes. Die ziet eruit alsof hij van papier is. Nieuwe lagen bedekken de oude.
Zo raken mijn to-do-lijstjes in de vergetelheid.
*
De praktijk
Het verschil tussen geneeskunde ten tijde van het nationaalsocialisme met hoe het daarvoor en daarna was, is dat arts-wetenschappers met hun patiënten mochten doen wat ze maar wilden. Voor hun proeven kregen ze van de heersers van het Derde Rijk mensen in plaats van muizen of cavia’s. Zij die als proefpersonen werden gebruikt, behoorden tot de categorie onbruikbaar, dus minderwaardig voor het ras, de maatschappij en de economie. Een van de meest cruciale sleutelrollen speelde de categorie productiviteit. Voor de onproductieven werd een toepassing gevonden, er werd gebruik van hen gemaakt in naam van de gezondheid van de toekomstige generaties. Een praktische geest.
Onder de planners, uitvoerders en handlangers van de uitroeiing waren ook medici.
De relatie tussen arts en patiënt vond plaats op de perrons van de kampen.
Een doktersbezoek was een selectie voor het leven.
In een van de boeken over geneeskunde tijdens het Derde Rijk waarin de experimenten in de kampen werden behandeld, stond als motto de zin: ‘De artsen die in dit boek besproken worden, beklemtonen in hun verklaringen dat ze nooit de medisch ethische code hebben geschonden.’ Dat is een aanwijzing om verder te lezen. Een praktische geste.