De dag dat mijn vader dacht dat hij de duivel zag, was ik niet thuis. Sterker nog, ik had al een eeuwigheid niets van mijn familie vernomen.
Vijftien jaar zonder over de gebroken tegels van de drempel van Huize Mirakel te stappen. Het was een bewuste keuze geweest. De lucht veranderde in modder als ik weleens aan terugkeren dacht. Hen een brief of een ansichtkaart schrijven zou gelijk staan aan een oog uitrukken. Waarom draai ik er nog omheen? Mijn huis is nooit een thuis geweest. Mijn huis was een gekkenhuis. Met weldenkende gekken. Gekken die redeneren, discussiëren, weerleggen, overtuigen. Weldenkende gekken zijn het ergst. En wat nog erger is: de krankzinnigheid in mijn familie gaat meerdere generaties terug. Mijn ouders, mijn grootouders, mijn overgrootouders, mijn betovergrootouders, allemaal kozen ze ervoor om verankerd te blijven aan dat stukje land aan zee, vastbesloten om nooit te verhuizen, om zoutpilaren te worden, trouw aan het idiote doel van het bewaken van een verlepte appelboom. Het lot van de familie Miralles is en is altijd geweest, luister goed, mijn zoon, en knoop dit in je oren, veeg die frons van je voorhoofd, steek je borst vooruit, wees trots, het lot van de familie Miralles is en is altijd al geweest om waakhonden te zijn.
Ik ben vertrokken. Ik ging naar Barcelona, Kopenhagen, Addis Abeba, Manaus, Johannesburg, Luang Prabang, Boekarest, Jakarta, Zacatecas, Shanghai, naar zoveel plekken, nooit genoeg plekken. Tankstations in een of andere uithoek waar mensen terecht kunnen om hun behoefte aan bier te stillen. Stiekem oksels wassen en baard bijknippen in een openbaar toilet. Door een vreemde stad lopen, omringd door vreemde mensen – vreemde huidskleur, vreemde kleding, vreemde gewoonten – en beseffen dat jij in feite de vreemde bent. Ik deed het tegenovergestelde van wat mijn familie van me verwachtte: altijd in beweging blijven. Ik trok van het ene land naar het andere alsof mijn leven ervan afhing. Als ik toevallig langer dan een paar maanden in dezelfde stad bleef, in hetzelfde gat met lemen huisjes, in hetzelfde hutje ergens in de rimboe, werd ik ziek. Mijn benen gingen trillen en na elke maaltijd braakte ik een dikke, witte gal die leek op half gestremde melk. De misselijkheid trok pas weg nadat ik mijn rugzak had gepakt en weer op pad ging. Geen bestemming, geen thuis, geen vrienden, geen euro-dollar-peso-dirham-roepie yuan op zak. Ik heb het zwaar te verduren gehad. Dat kan ik je wel vertellen. Door de jaren heen zag ik me gedwongen om dingen te doen waar ik niet trots op ben. Maar wat dan nog? Serieus. Wat dan nog. Dat is de prijs van vrijheid. Ik weet nu dingen. Ik weet bijvoorbeeld dat straatkinderen in Khartoem een geheime taal spreken die rendók heet. Ik weet dat op Zanzibar het plankton in de zee ’s nachts oplicht als glitter. Ik weet dat sigaretten in Potosí langer meegaan omdat de stad op vierduizend meter hoogte ligt en de tabak door het gebrek aan zuurstof langzamer brandt. Ik weet dat travestieten in India zowel heiligen als bedelaars zijn. Ik weet, tot slot, en om niet te veel uit te weiden, dat je in Californië een aardig dagloon kunt verdienen met het oogsten van marihuana.
De dag dat mijn vader dacht dat hij de duivel zag, zat ik tienduizend kilometer verderop. Om precies te zijn in Bangkok, nog preciezer in de wijk Sukhumvit, in een smerige flat die ik huurde van een Kantonese speculant. Om twee uur ’s nachts ging mijn telefoon. Half slapend nam ik op. Dat was het moment waarop een onbekende vrouw me vertelde dat mijn vader dacht dat hij de duivel had gezien. Het was de eerste keer in vijftien jaar dat ik iemand zijn naam hoorde noemen.
De vrouw stelde zich voor als mevrouw Nissenbaum. Ze zei dat ze de administratieve contactpersoon was van Antich & Associates, een bedrijf dat zich bezighoudt met stadsontwikkeling. Het betrof een uiterst belangrijke kwestie. Dat zei mevrouw Nissenbaum door de luidspreker van de telefoon. Uiterst belangrijk.
‘Bent u Mozes Miralles? Is uw vader Noach Miralles? Niet ophangen. Ik moet u iets uiterst belangrijks mededelen.’
Terwijl ik naar haar luisterde, overviel me een onwerkelijk gevoel waarvan mijn vingertoppen gingen tintelen. Mijn vader. De appelboom. De heilige missie van de Miralles. Mijn vertrek vroeg in de ochtend. Alles kwam in één keer terug, als een stokslag op mijn oog.
Dat was twee dagen geleden. Sindsdien moet ik de hele tijd aan mijn vader denken. Ik heb gemerkt dat ik me zijn gezicht niet meer kan herinneren: het is alsof ik probeer een gat vast te pakken. Wat ik me wel verrassend helder voor de geest kan halen, is elk van zijn talloze manieën, de onwrikbare automatismen van de koppige man die hij was. Wat zeggen goede zonen ook alweer op begrafenissen? O ja: mijn vader is altijd een man van gewoonten geweest. Toen mevrouw Nissenbaum, de administratieve contactpersoon van Antich & Associates, me belde, kwam ze meteen ter zake. Ze wist niet veel details over hoe mijn vader dacht dat hij de duivel had gezien, of wilde die niet geven. Maar ik, die de routines van mijn oude huis nog steeds uit mijn hoofd ken, twijfel er niet aan hoe het die oktoberochtend is gelopen.
Om tien voor half zeven deed mijn vader zijn ogen open. Precies tien minuten voordat zijn wekker zou afgaan. Mijn vader wordt al zijn hele leven wakker als een soort robot. Het ene moment slaapt hij, het volgende moment splijt een bijl zijn gesnurk in tweeën en springen zijn hersenen aan, klaar voor actie. Te veel nachtwaken als kind, als tiener, als oude man. Ik word op dezelfde manier wakker. Mijn broer Zacharia wordt op dezelfde manier wakker. Mijn broer Gabriël wordt op dezelfde manier wakker. Mijn vader heeft ons allemaal geleerd om vakkundig als een kat van slaap naar waaktoestand te schakelen. Mijn zus Ruth niet: zij is een vrouw. God heeft haar niet geschapen met een wachtersziel; hij heeft haar met andere taken belast, voornamelijk die van het baren van nieuwe Miralles. Had ik dat nog niet verteld? Mijn familie is niet alleen gek, maar ook een stelletje gedateerde seksisten. Dus om tien voor half zeven, tien minuten voordat de wekker rinkelde – ik ben ervan overtuigd dat het zo is gegaan – werd mijn vader wakker alsof hij zijn slaap domweg afkapte en bleef met open ogen roerloos onder de lakens liggenwachten tot de wijzers van de klok half zeven zouden aangeven. Mijn moeder lag aan de andere kant van het oude tweepersoonsbed te slapen. Ze snurkte zachtjes. Door het raam viel het licht schuin naar binnen, alsof het van een glijbaan naar beneden gleed.
Kauwbaar, mediterraan licht, dat opeengepakt en loom opkomt, met de kleur van mandarijnen.
Ik heb de wereld rondgereisd en nergens anders heb ik zulk licht gezien. Een seconde voordat de wekker afging, stak mijn vader zijn hand uit om hem uit te zetten. Vervolgens stond hij stilletjes op, zoals hij na vele jaren van samen slapen had geleerd. Hij trok zijn pyjamabroek en T-shirt uit, vouwde ze op en legde ze op het kussen. Poedelnaakt liep hij daarna naar de kledingkast op zoek naar schone kleren. Mijn vader is altijd een lange, magere man geweest. Héél lang en héél mager, bedoel ik. Naakt moet hij eruitzien als een dorre boom. Opeens dringt het tot me door dat er vijftien jaar zijn verstreken. Het kan haast niet anders dan dat mijn vaders vlees in die tijd vloeibaar is geworden, zijn wervels aan elkaar zijn gaan plakken en hij minstens zeven of acht zeven of acht centimeter aan lengte is kwijtgeraakt. Maar hij zal nog steeds een lange man zijn, daar twijfel ik niet aan, en mager tot op het bot. Wat het meest opviel aan mijn vader waren zijn enorme handen. Lange vingers die wel vijfentwintig kootjes leken te hebben. Vingers als de takken van de dorre boom die mijn vader was, en ongetwijfeld nog steeds is. Als ik door de jaren heen over hem droomde, zag ik nooit zijn gezicht – dat gat – maar wel zijn handen. Ik zag ze op de tafel voor me rusten, prehistorisch en lang, achtergelaten naast het glas wijn of het kopje koffie dat naar carajillo stonk. Er gebeurde verder niets in mijn dromen. De handen lagen er gewoon. Opgezet. Alsof ze ergens op wachtten.
Normale mensen gaan op de rand van het bed zitten om hun broek en schoenen aan te trekken, maar mijn vader niet, mijn vader gaat alleen zitten als hij de wacht moet houden. Daarom weet ik dat op de dag dat mijn vader dacht dat hij de duivel zag, hij zich staand aankleedde, misschien leunend op het dressoir van mijn overgrootmoeder, misschien tegen de deurpost. Een ribfluwelen broek en een wit katoenen onderhemd. Ook een trui, als het een frisse ochtend was. Aan zijn voeten een paar espadrilles. Mijn vader verliet de kamer en ging naar beneden. In bed deed mijn moeder haar ogen open, zag dat haar man was vertrokken om zijn plicht te doen en ging weer slapen.
In plaats van naar de badkamer te gaan, liep mijn vader naar de keuken. Hij draaide de kraan van de gootsteen open en verfriste ter plekke zijn gezicht. Ik zie het zo voor me. Elke dag hetzelfde ellendige riedeltje. Om zich af te drogen gebruikte mijn vader de rug van zijn hand, geen handdoeken of lappen. De keuken is groot en oud, houtje-touwtje opgeknapt. De grenen planken buigen door onder het gewicht van keramische borden en tinnen kruiken, de uitzet van meerdere generaties die zich opstapelt zonder orde of maat; in dit huis wordt niets weggegooid: geen lekkend azijnflesje, geen kitscherig bord, geen kromme opscheplepel. Een overvloed aan pannen, vismolens, groene glazen korfflessen, rieten manden; er is geen plaats voor al die rommel. Achterin bevindt zich de voorraadkast, verborgen achter een stoffen gordijn. De oven, ingebouwd in de muur, dateert uit het begin van de negentiende eeuw, uit een tijd waarin de meeste mensen zich geen oven konden veroorloven. Die oven met zijn bronzen klinknagels is een symbool. Een herinnering dat, lang geleden, het huis van de Miralles een voorname hofstede was.
Hofstede: zo noemen ze in Valencia de kasteelachtige landhuizen waarmee welgestelde boeren vroeger hun buren duidelijk maakten dat zij in geen enkel opzicht, op geen enkele manier gelijk waren aan de hongerlijders om hen heen. In haar tijd moet Huize Mirakel een prachtig landgoed zijn geweest. Vandaag de dag is het een relikwie. Spinnenwebben en scheuren.
Mijn vader at zijn ontbijt staand – zoals ik al zei, gaat mijn vader alleen zitten als hij de wacht moet houden – met zijn buik tegen het aanrecht gedrukt, zodat de kruimels in de gootsteen vielen. Een sneetje brood en een paar plakjes schapenkaas. Koude koffie van de avond ervoor. Hetzelfde heilige menu als elke heilige ochtend.
Toen hij gegeten had, liep mijn vader naar buiten, de binnenplaats op. Daar werd hij begroet door de honden die al wakker waren. Misschien sprongen ze wat op en neer of kwispelden ze driftig met hun staart, maar in geen geval, daar ben ik zeker van, werd er geblaft. De honden van Huize Mirakel zijn grondig getraind en blaffen alleen als daar reden toe is. Op het moment dat ik vertrok, hadden we er negen. Ik kan hun namen nog steeds in één adem opnoemen: Exodus, Pinksteren, Korinthe, Offerande, Tabernakel, Farizeeër, Jericho, Lam en Caritas. Ik vraag me af hoeveel honden er nu zijn. Meer? Minder? Vast meer. Ja, vast veel meer.
In ieder geval: de binnenplaats. Uiteindelijk liep mijn vader de binnenplaats op.
Het middelpunt van het huis. Het middelpunt van het universum. Letterlijk: het middelpunt van het universum.
De binnenplaats van Huize Mirakel is rechthoekig. De muren die haar omringen – de muren die het middelpunt van het universum omringen – zijn robuust. Ze passen niet bij een huis, eerder bij een gevangenis. Boven de randen van de muren tekenen zich de gekartelde contouren van prikkeldraad af, en stukjes glas van flessen vermengd met mortel die met alle kwade wil van de wereld hier en daar zijn neergelegd. Af en toe scheurt een meeuw haar vleugel aan het prikkeldraad of snijdt ze haar poot aan de scherven, en dan zijn ze in Huize Mirakel blij omdat er die dag tenminste iets te bespreken valt tijdens de lunch. De oostelijke muur van de binnenplaats grenst pal aan de Middellandse Zee, aan een klif die zeven meter steil naar beneden stort. Ondanks de onneembare ligging is deze oostelijke muur net zo stekelig als de andere, net zo wreed voor dezelfde hypothetische, onzichtbare vijand.
Midden op de binnenplaats – midden op het middelpunt van het universum – staan een parasol, een plastic tafeltje en een schommelstoel.
Dat is de schommelstoel van de Wachter.
Daar tegenover prijkt die verrekte appelboom, badend in het zonlicht. Respecteer hem. Groet hem. Sla een kruis. Luister, mijn zoon, let goed op: die appelboom is onze verantwoordelijkheid, die van de Miralles, van ons en van niemand anders; wie ook maar in de buurt van die appelboom komt, krijgt een kogel door zijn hoofd, we steken hem in zijn nieren, we snijden zijn buik met één haal open, we gooien hem in zee, amen en uit.
(…)