View Colofon
Original text "Que el cielo quede despejado" written in ES by Matías Candeira,
Other translations
Published in edition #1 2017-2019

Laat het opklaren

Translated from ES to NL by Heleen Oomen
Written in ES by Matías Candeira

Voor ik naar haar cel loop – ik zal langzaam lopen zodat ze het wringende geluid van mijn laarzen hoort naderen, ik wil dat ze weet dat ik eraan kom – draai ik het peertje in de plafondlamp boven mijn bureau. Als ik voel dat het vastzit zet ik extra kracht. Onmiddellijk hoor ik in de fitting dat knerpende geluid als van sneeuw. Een minuscuul geloei dat ook iets zegt over mij, over hoe ik de zaken hier regel.
    Ik sla de gang op de tweede verdieping in. De cellen zijn hier vlakbij. Naast het witte raam zit Im met zijn armen over elkaar op zijn stoel te dommelen. Als ik mijn wijsvinger onder zijn neus houd, beroert zijn ademhaling die slechts lichtjes, alsof ze in staat is zichtzelf te beteugelen, zich met muren te omgeven. Kun je een ademhaling met geduld en volharding temmen? Ik zou denken van wel. Hoe dan ook, als Im in zijn slaap knikt, ontwaar ik vlak achter zijn pezen nog iets anders: de statische broosheid van een porseleinen ballerina die haar sprongen oefent aan de rand van een ravijn. Ze laat haar voet eroverheen glijden, alle vingers van haar hand, maar wat voor rand kan dat zijn. Iedereen zou zich afvragen of het een wet is die ze steeds opnieuw openbreekt en pelt als een stuk fruit. Of dat het misschien hoort bij zijn spijt; zoals Im soms veel te diep voor een meerdere door zijn knieën gaat, tot op het onaangename af. Hij is de enige kindermoordenaar die we weer hebben vrijgelaten onder de normale mensen. Voor alle duidelijkheid: ik was daar niet verantwoordelijk voor.
    Hij heeft de schaar, het scheermes en de tondeuse al klaargelegd. Ik houd hem in mijn hand. Het is een degelijk apparaat, gemaakt in München. Alles wat ze daar maken is goed: het zware bier – met een volle smaak – en als het om misdadigers gaat, de donkerste wetten om ze te bestrijden. Op avonden dat Im deze vrouwen scheert, wijzen we hem er soms zo vriendelijk mogelijk op dat hij vooral niet moet fluiten, want de gevangenen beven nog heviger als ze voelen dat die muziek van zijn lippen in hun binnenste kruipt en zich daar een weg baant.
    Ik buig voorover tot vlak bij zijn oor.
    ‘Wie weet kortwiek ik die dikke kop van je nog eens.’
    Met een hysterisch, vochtig gilletje valt hij van zijn stoel. Onmiddellijk verontschuldigt hij zich. Hij staat overhaast op en slaat het stof van zich af.
    ‘In welke cel zit die Hongaarse?’ vraag ik.
    ‘Gaat u het doen? Het is ondergeschikt werk.’
    ‘Ik wil weten hoe het is om ze klaar te maken. Bovendien heb ik vandaag verder niets meer te doen.’
    Hij wrijft in zijn ogen om de laatste slaap te verdrijven.
    ‘U zult het leuk vinden,’ zegt hij. ‘Ze heeft heel lang haar.’

Als ik binnenkom zit ze al op het bankje op me te wachten.
    ‘Ik hoorde u al aankomen.’
    ‘Dank u,’ zeg ik, ‘Het is goed om te laten horen dat je er bent.’
    ‘Iedereen probeert vanaf hier uw kantoor te zien, maar het lukt nooit.’
    Voordat ik verderloop doe ik de deur geluidloos achter me dicht.
    ‘Het ligt uit het zicht.’
    Dit onaangename schemerdonker wast hen met zijn eigen spons. Soms laten we ze in het donker zitten. Dan mogen ze aan de motten denken.
    ‘Hoe lang zit u hier al?’ vraag ik.
    ‘Drie dagen.’
    ‘Dat is wel lang genoeg.’
    Het enige wat ik op dit moment fatsoenshalve kan doen is de lamp aanknippen en kennis met haar maken. Ik loop om haar heen om haar van alle kanten te bekijken. Haar donkere haar komt tot haar middel. De misdaad heeft haar haar sterk gemaakt. Ze komen hier binnen als halve vrouwen die gebukt gaan onder hun schuld – een belletje dat wij laten rinkelen – en komen er piepklein weer uit. Als ze er tenminste uitkomen. Willoze lieveheersbeestjes met opgetrokken pootjes. Deze vrouw is anders. Ze droomt in meerdere talen en soms kunnen mijn ondergeschikten geen wijs uit wat ze zegt. De verslagen die ik van ze krijg staan vol ergerlijke lege plekken.
    ‘De andere gevangenen hebben het over u,’ zeg ik.
    ‘Misschien moet u eens beter op uw bewakers letten. Er zit er een bij die zijn handen niet thuis kan houden.’
    Die zaak – de bewaker Gobein en zij – had een oog gekost. We konden ons toen niet voorstellen dat ze de verbeeldingskracht had om het gevaar af te doen als een simpel anatomisch probleem.
    ‘Uw tijd met hem zit erop, bekijk het maar zo. Bovendien is die man berispt. Daar heb ik persoonlijk voor gezorgd.’
    Ze beweegt haar gezicht nauwelijks maar kijkt me aan zoals nog nooit iemand me heeft aangekeken.
    ‘Dat zal wel, maar u voorkomt niet dat er geen anderen komen.’
    Als ze haar cel heeft opgemeten weet ze tot op de centimeter nauwkeurig waar ik me bevind. Ik mag mijn aandacht geen moment verliezen. Ik leg mijn hand in haar nek tot iets van haar kou op me overslaat. Als ik haar nog eens in me opneem, dit keer langzamer, is haar hoofd nog maar een ovaal met lauwwarme randen. Dit is mijn manier om haar abstract te maken. Eerst neem ik haar steeds dunner wordende lijnen, dan zoek ik het meetkundig middelpunt. Nu zet ik de tondeuse aan en zonder ruw te zijn buig ik haar hoofd voorover voor de eerste haal. Haar huid wordt rood als ik kracht zet. Nog een keer.
    Even later, bij de vijfde of zesde baan, stuit het apparaat op iets hards. Daar vind ik hem, dicht tegen haar hoofdhuid geplakt. Het is een sleutel, maar hij is te klein. Het is moeilijk voor te stellen dat er een slot is waar hij gemakkelijk in past. Nee, zelfs dit brengt me niet uit mijn evenwicht. Iemand met sleutels in zijn bloed ter voorbereiding op iets in de toekomst? Misschien heeft ze de andere vrouwen opgezocht in het gezamenlijke uurtje. Is dit een collectieve provocatie. Maar wij weten zelfs de meest verborgen hoekjes te vinden. 
    ‘Waarom heeft u die? Hij is niet van deze cel.’
    ‘Dat hoeft ook niet,’ zegt ze. ‘Ik weet toch al dat ik doodga.’
    Met mijn laarzen veeg ik haar lokken op een hoop. Ik houd niet van de chaos die hun lichamen veroorzaken, al weet ik dat die rommelige materie moet bestaan, dat het leven zich juist daarin bevindt. Ze beweegt haar hoofd en het licht van de plafondlamp spat van de sleutel als schitterend glas, alsof er een verre zee in wordt weerspiegeld.
    ‘En dus?’ zeg ik.
    ‘Ik krijg er vast wel iets mee open.’
    ‘En als u er niets mee open krijgt?’
    ‘Dan blijf ik doodgaan en naar andere plekken gaan.’
    ‘Maar wat…?’
    Er zitten luchtbellen in mijn eigen stem. Onmiddellijk kalmeer ik mezelf.
    ‘Ik zou het al best vinden als ik er een kist mee open krijg. Dat is mooier. Een kist aan de andere kant. En daar dan wat in rondsnuffelen.’
    Ik moet haar schedel zo snel mogelijk kaalscheren. Daarna hoef ik alleen nog de stoffen tas open te doen, al haar haren van de grond op te rapen en ze weg te brengen. Ik zal een lok uitkiezen. 
    ‘Hou uw hoofd voorover tot ik weg ben.’
    Als ik de trap afloop blijf ik in het schemerdonker staan. De lichtkoepel in het dak doet me denken aan een oog, maar het kijkt uiteraard niet naar ons, naar de mensen die ervoor moeten zorgen dat de gloeilampen branden of er de brui aan geven. Een koude tochtvlaag trekt langs mijn rug, wentelt daar rond, snijdt door me heen. Ik kan de snee zelfs voelen. Im moet ergens een raam open hebben laten staan. Het zal niet lang meer duren voor het gaat sneeuwen. We zullen onze handen in stilte op de verwarming leggen en er daarna aan ruiken. Op het bankje in hun cel zullen de zwakste vrouwen een koele, weke waas uitademen met dezelfde kleur als hun huid. En met die ademtocht zullen ze figuurtjes proberen te blazen: het haar van hun dochters, de kop van een hond. Wie weet wat voor kunstwerk, wat voor gloeiende vonk er kan ontsnappen uit de mond van iemand in hun situatie.

Maar dit alles is niet genoeg. Nee. Bij lange na niet. ’s Avonds, als niemand me ziet, niemand let op mijn aanwezigheid of mijn ademhaling en niemand mijn onrust voelt, sluip ik mijn kantoor uit naar het magazijn. Ik denk aan haar. Ik heb gevraagd of ze haar lichaam niet willen verbranden. Voordat ik de trap afloop en naar binnen ga, gun ik mezelf een blik op de stille welving van de hemel. De wolken lijken flarden van een doorweekt laken. Ze bewegen niet. Liever nog dan ze los te rukken voor mijn verzameling zou ik ze steviger vast willen plakken, hun vorm aan de instructies toe willen voegen. Overal in mijn kantoor heb ik lijstjes verstopt. Opdrachten die ik graag toevallig tegenkom en niet wil vergeten. ‘Aan een deurknop draaien tot je bij de kern van zijn geluid komt.’ ‘Ims haar van heel dichtbij bestuderen; hem daarna straffen.’
    Als ik het laken optil stijgt er nog een ring van warmte uit haar op. Iemand heeft haar ogen gesloten, maar ik leg mijn vingers op haar oogleden – eerst het linker, dan het rechter. Ik zet ze wijd open. Mijn handen zweten. Ik zou willen dat ze me zag. Met enige moeite draai ik haar om tot ik haar achterhoofd kan zien. Met drie vingers trek ik de sleutel eraf en stop hem in de binnenzak van mijn uniform. Ik zal het met sleutel en al wassen. Ik wil vergeten waar hij is; het me later misschien weer herinneren. Mezelf een nieuwe opdracht geven, zoals iets zoeken om te openen.
    Voordat ik wegga sleep ik een stoel tot onder de lamp, ga erop staan en luister hoe het peertje knerpt.
    Ik wou dat ik geboren was in de vorm van een spin.

More by Heleen Oomen

Communie

‘Zou het hier zijn?’  ‘Dit is het adres op het briefje, komt het je niet bekend voor?’ ‘In mijn herinnering is dit een stuk braakland. We hadden meer  gehad aan de naam van het restaurant.’  ‘Ze heeft het je gegeven toen ze belde.’  ‘Het moet hier zijn. Er staan een hoop auto’s,’ antwoordde ik, ter wijl ik al richting aangaf om te parkeren.  ‘Bel je zus even, dan weten we het zeker.’  ‘Ik heb het niet opgeschreven omdat ik dacht dat we niet zouden  gaan. Ik ken dat kind niet eens.’  ‘Het is attent van ze dat ze ons hebben uitgenodigd. Misschien is  het wel een goed moment voor jou om… Je weet ...
Translated from ES to NL by Heleen Oomen
Written in ES by Roberto Osa

Verboden de apen te voederen

Luz stond al meer dan een halfuur in de zon te wachten. Af en toe liep ze  over de stoep heen en weer om de stijfheid in haar benen te verdrijven en  minder last te hebben van haar zware buik. Haar ogen gleden razendsnel  over het drukke autoverkeer in de laan, vooral wanneer er ergens een op  trekkende motor klonk. Maar nee, niets.  Ze besloot beschutting tegen de hitte te zoeken onder het afdak van  het gebouw. Op dat moment kwam er een kleine rode auto achter een bus  vandaan gezigzagd. Luz zag hoe Jaime vol op de rem trapte en een paar keer  toeterde, alsof hij al een hele tijd op haar sto...
Translated from ES to NL by Heleen Oomen
Written in ES by Roberto Osa

Verwrongen

Die avond riep hij me, en het zag er niet naar uit dat hij zou stoppen. ‘Mama. Mama!’  Dat bracht hij uit tegen mij en tegen zijn kamertje, terwijl hij zich  opkrulde in een wassen duisternis vol speelgoed (zijn enige bezit). Hij riep  me opnieuw, dit keer veel harder, en ik wendde mijn blik af en streek langs  de onderkant van mijn whiskyglas, tot de condens op het topje van mijn  vinger gleed.  Het woord zat sinds zijn babytijd stevig in zijn brein genesteld. Roerloos staarde ik naar de onveranderlijke, iriserende vorm van de  druppel. Het was geen misdrijf om hem te leren wat kou was, om di...
Translated from ES to NL by Heleen Oomen
Written in ES by Matías Candeira

Hydro

‘Niets beter dan thuiskomen,’ zegt Saúl, en hij doet zijn ringen een voor  een af.  Ivanka loopt naar het midden van de hut en blijft daar staan. Ze  wacht nog even. Ze kijkt toe hoe hij in de weer is aan de rand van het bed,  haastig, zodat het rode licht zijn zwaarlijvigheid verzacht en zijn ademha ling versmelt met het geruis van de oceaan. Hij heeft de kamer zelfs zorg vuldig bezaaid met kleine eilandjes van zichzelf. Hij heeft snel zijn  schoenen uitgetrokken. Zijn colbert valt slap over de staande kapstok. Zijn  manchetknopen en zijn vlinderdas legt hij op het nachtkastje. Wat voorko men...
Translated from ES to NL by Heleen Oomen
Written in ES by Matías Candeira

Monsterboom Boomjongen

We weten nog steeds niet hoe Oscar het zaadje heeft kunnen inslikken en  we zijn er nooit achtergekomen waar hij het vandaan had. Het is ons al he lemaal een raadsel hoe de boom binnen in hem kon gaan groeien, hoe het zaadje ongehinderd kon ontkiemen, zei de dokter, bij de ingang van zijn  maag, waar het zich alleen kon voeden met de spijsverteringssappen van  het kind. Want op zevenjarige leeftijd, dat zei de dokter ook, functioneert  de maag al uitstekend. Het lichaam van onze Oscar – het was toen nog  onze Oscar – liet de boom gedijen, met wortels die zijn darmen in groei den, een stam die ...
Translated from ES to NL by Heleen Oomen
Written in ES by Mariana Torres

De levenden

Mama is eenzaam en langzaam gestorven.  De doodsoorzaak, zeggen de artsen, was vergiftiging. Vergiftiging,  mama.  Wat een idiote gedachte.  Ik ben niet met de dokters in discussie gegaan, ik heb alleen de pa pieren getekend en de begrafenis geregeld. Als mama iets goed kende, was  het wel haar huisapotheek. Ze doseerde altijd heel zorgvuldig. Ze vergiste  zich nooit. Aan het kind heb ik zolang de officiële versie verteld, dat ze zich zelf per ongeluk had vergiftigd. Op een dag zal ik wel tegen haar zeggen dat haar oma zelfmoord heeft gepleegd.  Het meisje is overal bij geweest, we hebben het ...
Translated from ES to NL by Heleen Oomen
Written in ES by Mariana Torres

Parenthese

Ik vermoed dat we zelfs het betrouwbaarste wat we hebben – onze zintuigen, oftewel, de dingen die we zien, horen, met ons lichaam waarnemen – onder bepaalde omstandigheden niet kunnen vertrouwen, zoals bij de dood van een ouder, de geboorte van een kind of het moment vlak voordat we overreden worden. Nu we papa eenmaal begraven hebben en ik eindelijk alleen ben met mijn gedachten, stel ik vast dat de tijd gisteren in het mortuarium, net als dertig jaar geleden, stil heeft gestaan. Goed, een paar seconden. Maar het was al eerder gebeurd. En ik wist meteen dat ik hetzelfde verschijnsel als kind ...
Translated from ES to NL by Heleen Oomen
Written in ES by Mariana Torres
More in NL

(geen titel)

Sinds de kinderen waren geboren, of misschien wel sinds ik mij op sociale media begaf, of evengoed sinds ik vanwege mijn werk genoodzaakt was op een heldere en uitnodigende manier te communiceren, om dus aan bekende dingen te refereren in plaats van ze zelf te verzinnen, verdeelde ik mijn tijd in echte tijd, namelijk die waarover ik mezelf in mijn echte taal kon vertellen, en valse tijd, die waarin ik moest spreken in categorieën, binnen registers of door gedrag te imiteren. In romans las ik van vastberaden en wilskrachtige mannen die om vier uur ’s ochtends opstonden, een koude douche namen...
Translated from IT to NL by Sandra Verhulst
Written in IT by Arianna Giorgia Bonazzi

Een lichaam opzetten

Er zitten hele werelden onder onze huid. Tenminste, als je de illustraties mag geloven. Soms weet ik het niet zeker. Ik pak mijn sleutelbeen vast. Het steekt naar buiten als je je schouders optrekt. Dat doe ik vaak. Het sleutelbeen is een stevig botje, maar dun. Ik zou het kunnen breken. Misschien niet met mijn blote handen, maar als ik iets zwaars ertegenaan sla, dat massieve stenen beeld bijvoorbeeld, dan zeker. Er is niet veel nodig om uit elkaar te vallen. Je hoeft je maar één keer te verslikken en het is gebeurd. Waar blijven de propjes die het verkeerde gat in schieten? Voorbij de amande...
Written in NL by Nikki Dekker

De brug

Op alle treinstations hangt een klok. Eigenlijk wel meer dan een. Boven het  loket hangt de moederklok. Dan heb je nog de kleinere op de perrons. De  praktische, die je zo lui maken dat je je telefoon niet meer uit je zak haalt of  op je horloge kijkt. Kinderen worden gefascineerd door deze klokken.  Omdat de secondewijzer zonder te stoppen rondgaat, is dat de enige  manier om te zien hoe de tijd verstrijkt. Ze kijken hoe de secondewijzer  naar boven glijdt en dan, als hij bijna verticaal staat, gaat hun hart sneller  kloppen en worden hun ogen groot. Wanneer de kleine wijzer eindelijk een  sp...
Translated from PT to NL by Anne Lopes Michielsen
Written in PT by João Valente

De viltstift

Eerst zit Robert alleen op de bank, links van de vlek die Sven er een paar maanden geleden met een rode viltstift op heeft gemaakt. Hij vraagt me hoe het gaat, of de apotheken en de winkels open zijn, of ik alles heb wat ik nodig heb, of ik weet wat ik moet doen als er iets gebeurt. Het gaat goed, ze zijn open, ja dat heb ik ja, ik heb alles, er gaat niets gebeuren. Elke dag vraagt hij me hetzelfde, elke dag geef ik hem dezelfde antwoorden. Er valt hier na vijf uur ’s middags niets meer te beleven. Het hele punt van een lockdown is dat er niets gebeurt, wil ik eraan toevoegen, maar ik weet dat...
Translated from SR to NL by Pavle Trkulja
Written in SR by Jasna Dimitrijević

Dagboek

21 augustus  Mijn naam is Erik Tlomm en dit is mijn dagboek. Het schrijven is me aanbevolen door mijn psychiater, blijkbaar om het herstel te bevorderen. Maar tot wie moet ik me eigenlijk richten? Tot hem? Tot mijn vrouw Lina? Hij zal mijn notities toch niet aan haar laten zien? Op mijn twijfels reageerde hij met: ‘Richt u maar tot uzelf.’ Ik heb dus een lederen notitieblokje gekocht en heb me achter mijn bureau gezet om een dagboek te schrijven, maar ik kan me niet onttrekken aan het vreemde gevoel dat ik nog voor iemand anders schrijf – maar voor wie dan?  22 augustus  Laat me mijn eerste d...
Translated from SL to NL by Staša Pavlović
Written in SL by Mirt Komel

Very Important Person

Ik staarde weer de hele dag… naar de lichtgevende cijfers boven de lift. 8… 7… 6… 5… 4… 3… 2… 1… ‘Goedendag, mijnheer Seljak.’ Ik zeg hem altijd gedag, want ik doe mijn werk professioneel. Hij beantwoordt mijn groet met zwijgen, ook hij gedraagt zich professioneel. Als ik geluk heb, licht in zijn stenen gezicht een rimpeltje op. Als hij een goede dag heeft, fronst hij zijn rechter wenkbrauw, wat betekent: ‘Ik weet dat je er bent, maar mijn gedachten zijn die van een directeur.’ Ik heb al zo vaak besloten dat ik hem met rust ga laten. Dat ik zijn negeren met negeren zou beantwoorden. Maar mijn...
Translated from SL to NL by Staša Pavlović
Written in SL by Andraž Rožman