View Colofon
Translations
Published in edition #1 2017-2019

Het gaat over

Written in NL by Maud Vanhauwaert

Het gaat over een man die de weg naar huis niet wil verliezen. Hij is ge maakt van brooddeeg. Hij vertrekt. Elke paar meter plukt de man een krui meltje van zichzelf, en laat het vallen. Eerst plukt hij een arm weg. Daarna  zijn oren, en zijn neus. Vervolgens plukt hij een gat in zijn buik. In het vol gende beeld kijken we door het gat van de man. In het gat zien we, in de  verte, een kleine huisje. Achter het raam staat een oude vrouw aan een tafel.  De vrouw kneedt een klomp deeg. Aandoenlijk muziekje. Einde. 
Het gaat over iemand die gelukkig is, maar niet zo gelukkig dat het  iets is om over naar huis te schrijven. 
Het gaat over iemand die verdrietig is, maar ook weer niet zo verdrie tig dat hij erover naar huis kan schrijven. 
Het gaat over iemand die net op het moment dat hij iets heeft om over  naar huis te schrijven, geen huis meer heeft. 
Het gaat over een man die de weg naar huis niet wil verliezen. Hij  spreekt alle bakkers aan van zijn dorp. Die bakken samen een reuzebrood.  De man bindt het reuzebrood op zijn rug en vertrekt. Elke paar meter plukt  de man een kruimeltje, en laat het vallen. Achter de rug van de man pikken  de mezen de kruimels op. Na een dwaaltocht van vele maanden blijft de  man staan aan de rand van de ravijn. Hij draait zich om, en ziet dat er geen  kruimelpad is. Er zijn wel heel veel mezen. De mezen tillen de man bij de  armen op en vliegen hem naar huis. Aandoenlijk muziekje. Einde. 
Het gaat over een moeder, met in haar hand een sleutel van een huis  dat niet meer bestaat.


Het is niet de naaktheid van zijn vader die Arhus verontrust. Tamaz loopt  wel vaker halfnaakt rond in huis en de jongen kent de bast van zijn vader  maar al te goed. Zijn smalle schouders. Zijn kogelronde pens puilend en  glimmend glad. Zijn navel een donker verdwijngat, waarin Arhus, zeker op  saaie zondagmiddagen, soms zit te staren hopend dat het hem opslokt en  hem, als een put van Vrouw Holle, meevoert naar een wonderland. De  navel als vluchtpunt. Het is een bijzondere plek, dat weet Arhus wel zeker.  Want het is ook via de navel dat kinderen worden geboren. Dat heeft  Bebbia hem eens verteld. Daarom dat mama een klein bolletje in haar navel  heeft. Dat is het oorlelletje, of een pinkje, of ja, misschien al het naveltje,  van een klaarzittend broertje of zusje. 
Arhus staat in de deuropening van de kleine badkamer. Hij ziet zijn  vader zitten op zijn knieën naast de badkuip. De kraan staat open. Arhus  kan de buik van zijn vader niet zien, want hij zit met zijn rug naar hem toe gekeerd. Elke maand onthaart Medea de rug van haar man met hete suiker wax. Het was haar opgevallen dat de haartjes op zijn rug niet altijd  hetzelfde patroon vormen, maar in verschillende patronen verschijnen. Ze  vergeleek het met spreeuwen zwermend in veranderende formaties. De spreeuwen vormen nu een grote wolk rond de linkerschouder. In de bad kamer hangt een hete waterdamp. Het lijkt op ochtendnevel, maar het is  avond al. ‘Papa, wat ben je aan het doen,’ wil Arhus vragen. Zijn mond  voelt droog aan, ook al is het hier heel vochtig. Zijn hart klopt in zijn keel.  Hij krijgt de woorden niet gevormd. Ze blijven ergens hangen achter in zijn  strot. Zijn benen slap als een vod. 
Achter de badkuip staat het toilet, met daarboven een raampje. Als  hij ’s avonds zijn tanden poetst gaat hij vaak op het toiletdeksel staan, om  door het raampje nog even naar buiten te kijken, naar het pleintje waar de  mannen ’s avonds chatka drinken en nardi spelen (sommige mannen  spelen het spel met hun nierstenen, heeft Bebbia hem eens samenzweerde rig toegefluisterd), en waar de vrouwen, terwijl ze de nieuwste roddels aan snijden, alvast de groenten schillen voor de volgende dag. Als het raampje  is beslagen na een heet bad, maakt Arhus er tekeningen in, soms gedachte loos, soms geconcentreerd, en soms daagt hij zichzelf uit om een huisje te  tekenen waarvan het dak nog niet mag zijn verdampt voor het laatste ven stertje is afgewerkt. 
Arhus kan zich niet herinneren wanneer hij voor het laatst in de  damp heeft getekend. Dat komt niet omdat hij zich er nu te oud voor voelt,  maar simpelweg omdat ze al een hele tijd geen warm water meer hebben  gehad. En als dat toch eens het geval is, dan is het meestal maar voor een  halfuurtje, nooit lang genoeg om het raampje te bewasemen. 
Het was een onuitgesproken afspraak onder de bewoners van de  wijk. Als een van hen merkte dat er weer eens warm water was of elektrici teit, dan mochten de kinderen blikjes aan hun fietsjes hangen en zo rondrij den, om een hels kabaal te maken. Al snel volgden de andere kinderen en in  een mum van tijd reed er een slordig peloton door de wijk. Arhus zou zijn  kans moeten nemen. Hij zou naar buiten moeten rennen, zijn fietsje  nemen, er snel wat blikjes aanbinden, en kletterend door de wijk moeten  fietsen. Hij zou de nieuwe bellenman zijn. Alle kinderen zouden hem  volgen en ’s avonds zou iedereen hem complimenteren en waarschijnlijk  zou hij die avond veel later naar bed mogen. Maar er is iets wat hem tegen houdt. 
‘Papa, wat ben je aan het doen?’ Hij kan de rug van zijn vader goed  zien, maar zijn hoofd niet, want dat hangt half over de badrand. Arhus  zoekt steun bij de deurlijst. Zijn handen zijn klam. Hij is vergeten wat hij  nu ook alweer kwam doen in de badkamer. Hij herinnert zich dat hij eigen lijk al in bed lag en al aan het slapen was. Waarom is hij dan opgestaan? Wat  heeft hem uit zijn slaap gescheurd? Moest hij plassen? Hij zet druk op zijn  onderbuik, maar voelt geen spanning op zijn blaas. De muren van de bad kamer zijn nat van de damp. Op de rug van zijn vader glinsteren de spreeu wen.

Het hete water blijft uit de kraan stromen. Nu pas merkt Arhus het  oranje licht dat door het raampje naarbinnen valt. Het moet het licht zijn  van de lantaarn buiten. Er is kennelijk ook weer even elektriciteit. Het hele  tafereel heeft iets theatraals. Tamaz op zijn knieën in een nevelige damp, in  tegenlicht. Waar blijft de eerste bellenman toch? Zijn alle kinderen dan al  gaan slapen? Hoe laat is het dan? Is er een centrale dienst in de stad die niet  alleen het gas en de elektriciteit, maar ook zijn lichaam aan kan zetten? 
Arhus begrijpt pas wat er gebeurt, wanneer Tamaz plots de kraan  dichtdraait. Hij ziet dat het bad vol ligt met de gipsen figuurtjes van zijn  vader. De vuurtoren, de duikboot, het luchtschip, de wereldbol... De fi guurtjes waar zijn vader jarenlang aan heeft gewerkt en die hij in de glazen  kast in de woonkamer bewaarde, boven het plankje waar mama haar  Svarovskikristallen in de vorm van Disneyfiguurtjes tentoonstelt. Even  denkt Arhus nog dat zijn papa de figuurtjes aan het dopen is. Ja, er hangt  een plechtige sfeer in de badkamer en misschien is zijn papa wel een priester  die een mikveh uitvoert. Misschien zit papa hier wel elke nacht en weet hij  dat niet omdat hij op dat moment meestal allang in dromenland vertoeft.  Arhus weet hoeveel deze beeldjes voor zijn vader betekenen, dus het zou  hem niet verwonderen als zijn papa elke nacht de tijd nam om ze te dopen  en te zegenen. De badkamer, een plek van vreemde rituelen, waarvoor hij  nog te jong is om ze helemaal te begrijpen. 
Arhus ziet hoe de gipsen figuurtjes blijven drijven op het oppervlak  en onrustig op en neer duikelen. ‘Natuurlijk,’ denkt Arhus, ‘papa wil ze  redden’. Het bad is een ark van Noah die de figuurtjes van de zondvloed zal  beschermen. Maar er klopt iets niet aan dat verhaal. Is het niet vreemd dat  de ark zelf al is volgelopen? 
Papa steekt zijn grote handen in het water en brengt alle figuurtjes  bij elkaar. Arhus haalt opgelucht adem. Papa zal de figuurtjes er terug uit halen, mooi afdrogen, en terug in de glazen kast zetten. Maar dan ziet hij  hoe zijn vader het vuurtorentje pakt, en het beeldje in tweeën breekt. Tamaz  
zit er verslagen bij, een onbeholpen harig hoopje op de grond, maar in zijn  handen zit een krampachtige bezetenheid. Ook de andere beeldjes moeten  eraan geloven. Hij breekt ze, een voor een. De kapotte stukjes drijven rond  in het badwater dat steeds troebeler kleurt, tot een melkachtige substantie.  Dan brengt hij de brokstukjes samen met zijn handen en perst ze samen tot  een grote, witte klomp. 
‘Papa!’ roept Arhus nu luid en duidelijk. Tamaz kijkt om, maar niet  verschrikt. Misschien voelde hij dat zijn zoontje hier stond. Arhus ziet de  tranen in de ogen van zijn vader. Hij kijkt zijn zoon even aan, en gaat dan  verder met zijn kleine beeldenstorm. Arhus weet niet wat hij moet doen.  Hij weet niet of hij over de drempel van de badkamerdeur moet en hard handig aan de schouders van zijn vader moet trekken om hem tegen te houden. Misschien kan hij nog een paar beeldjes redden en uit het badwa ter vissen. Of moet hij zijn papa niet tegenhouden, maar naar zijn kamer  rennen, zijn eigen gipsen Mickey Mousje uit het schrijntje halen en het  mee in het badwater gooien? Zijn hart slaat een tel over. Wat als zijn vader  zelf al zijn Mickey Mousje uit zijn kamer heeft gehaald? Misschien is hij  daarom wakker geworden daarnet. Omdat zijn papa in zijn kamer stond. 
Arhus wil naar zijn kamer rennen, maar het voelt alsof dat verraad  zou zijn. Hij moet hier blijven staan en getuige zijn van wat papa doet. Hij  stapt naar zijn vader toe. Hij stroopt de mouwen van zijn pyjamahemdje  op, gaat rechtop op zijn knieën zitten, buigt zijn bovenlijf dan ook over de  badrand en met zijn mollige kinderhandjes helpt hij zijn vader met het  stuktrekken van de gipsen figuurtjes, die langzaam afbrokkelen in het hete  water. 
Ze zwijgen en Arhus weet nog niet wat hiervan precies de bedoeling  is, maar hij voelt dat het belangrijk is. Misschien wordt het water beetje bij  beetje een dikke, witte pap. Een badkuip vol natte, vloeibare gips. Dan zal  hij zijn vader samenzweerderig aankijken. En hij zal weten wat van hem  verwacht wordt. Hij zal rechtstaan, een been over de badrand tillen. De  gips zal heerlijk zacht en warm aanvoelen. Hij zal zijn tweede been erbij  brengen en uiteindelijk gehurkt in het bad gaan zitten. 
Tamaz zal intussen Medea gaan halen. Ze zal hier komen staan, in de  badkamer. Haar ogen zullen nog naar slaap staan. Ze zal haar slaapjapon  uittrekken en je zal haar buikenbolletje kunnen zien, misschien verder  teruggedrongen dan ooit. Of net niet. Ook zij zal in het bad komen zitten.  Ze zal haar benen laten openvallen, en dicht tegen haar zoontje aankrui pen. Als laatste komt Tamaz erbij. Hij zal achter zijn vrouw gaan zitten.  Het bad is niet groot, maar als ze elkaar stevig omhelzen passen ze er alle maal net in, Arhus op kop. De natte gips zal tot over de randen van het bad  komen. Het zal in hun oren vloeien, in hun neusgaten, door hun ogen, en  in hun navels. En zo zullen zij blijven zitten. In die warme, weldadige gips.  Ze zullen blijven zitten tot de gips stijft. Het zal nog altijd nacht zijn, maar  alles wordt steeds witter en lichter. Alles wordt lichter, ook als het oranje  licht van de lantaarnpaal weer dooft. Alles wordt lichter, ook als ze tot in  de verste verte geen bellenman horen rinkelen en alleen zijn in een geruis loos niets. Ze weten niet wie er op hun gips zijn naam komt schrijven, maar  dat is van geen belang. Helemaal ingegipst zullen zij gewapend zijn. En ze  hoeven het niet uit te spreken, omdat ze het alle drie al weten: niets zal ooit  in hen nog breken.

More by Maud Vanhauwaert

Maar het huis woont nog in mij

Een doop. Een nieuw begin. Over mijn schouders een zwarte cape, als een  ceremonieel gewaad. Ze neemt mijn hoofd vast en kantelt het voorzichtig  naar achteren. Het water voelt veel zachter dan het water in mijn douche thuis. Haar vingertoppen masseren mijn hoofdhuid. Mijn hoofd. Dit  hoofd van mij. Dit hoofd waar ik maar niet buiten kan. Dit zware hoofd.  Dit hoofd dat zich aandient. Dit hoofd waarin gedachtes. Altijd onaange kondigde gedachtes. Nooit afwikkelende gedachtes. Ik sluit mijn ogen en  probeer me in te beelden dat ze met mijn hoofd ook mijn gedachtes mas seert, alsof ze met de dru...
Written in NL by Maud Vanhauwaert
More in NL

We hebben altijd in dit dorp gewoond

We zijn verveld. Dat zeg ik tegen mezelf in de spiegeling van het water dat in de trog staat. Er zijn geen koeien meer in het dorp, dus deze drenkbak is van ons, zoals bijna alles om ons heen. Van ons en van niemand. Nagelaten aan wie blijft en zich verzet. Mijn dochter, die stukjes dode bladeren en modder in haar haren heeft, klampt zich aan mijn lichaam vast als een klein dier. De kinderwagen hebben we al lang niet meer gebruikt omdat dat geen doen is op de stenen paden en mijn spieren hebben zich aangepast aan haar, aan haar gewicht en vorm, en hebben nieuwe, atletische, ondenkbare vormen a...
Translated from ES to NL by Joep Harmsen
Written in ES by Aixa De la Cruz Regúlez

Het communisme gezien door de allerkleinsten

Ik ben vier jaar oud en ben nooit hoger geweest dan de eerste verdieping. Ik  ben ervan overtuigd dat de blauwe slang van de leuning oneindig is, dat hij  hoger en hoger en hoger klimt, totdat hij door het geteerde dak van ons  flatgebouw heen breekt en onzichtbaar naar de hemel rijkt. Dat is een ge dachte die ik met niemand deel. Mijn angst warmt zich bij de vlam van deze gedachte.  De mensen dalen af van de hogere verdiepingen, aan de kant van  hemel, sommigen spreken op een fluistertoon met elkaar en ik versta niet  wat ze zeggen. Maar nooit heerst er stilzwijgen tussen hen. Nooit is er  st...
Translated from RO to NL by Jan Willem Bos
Written in RO by Andrei Crăciun

24

Deze tekst bestaat uit hoofdstuk 17 en 18 van 24, uitgegeven door Partizanska knjiga in 2018. 22.12.2014 Diario de Vida  Het onwerkelijke karakter van Plaza de España wordt veroorzaakt doordat deze de grandeur weerspiegelt van een vroegere beschaving die in de moderne tijd zijn betekenis heeft verloren. Wat moet een koloniale grootmacht met zo’n groot plein, pompeus gerangschikt op verschillende Spaanse provincies en ingericht voor ceremonies uit het verleden? Koetsen reden rondjes om de fontein, een goedkope manier voor toeristen om zich even van adel te wanen. Gelukkig zijn er hier tenmin...
Translated from SR to NL by Pavle Trkulja
Written in SR by Marija Pavlović

Een wildvreemde stad

Een wildvreemde stad Amsterdam was tegen het vallen van de herfst kleurig en grillig. Zon en regen wisselden elkaar af als de weesgegroetjes op een rozenkrans. Tijdens een felle hoosbui stond ik onder een brug en wachtte tot de regen stopte. Ik had een fietstochtje in de omgeving van Amsterdam gepland. Ik wilde de beroemde polders zien, de door slootjes doorkruiste diepgroene weilanden met dominante windmolens die hun wieken uitstrekken als vogelverschrikkers. Het zou mijn eerste uitje worden in een nieuwe stad. De eerste ervaring waarmee min of meer het begin werd ingeluid van de vriendschap...
Translated from CZ to NL by Annette Manni
Written in CZ by Anna Háblová

Het dilemma van de bruine paraplu Eerste deur rechts Niets

Er was eens een keer, in de werkelijkheid, een bruine paraplu gevonden.  Het was een van die grote paraplu’s die ruimte biedt aan twee mensen, en  hij had een houten handvat. Hij verbleef in een ijssalon, in een stoffig  hoekje. Erin huisde een stel langpootspinnen. Op een avond… – het was  een zomeravond – opende de paraplu zijn ogen en zei: ‘Ik vertrek.’ Het  probleem was dat de bruine paraplu geen benen had en nergens in zijn  eentje naartoe kon. Iemand moest hem meenemen.  De volgende ochtend opende Carl zijn winkel zoals altijd en pos teerde zich achter de toonbank, in afwachting van klan...
Translated from RO to NL by Jan Willem Bos
Written in RO by Anna Kalimar

Ballingschap

Het bed was als een schip dat de wateren van de nacht doorkliefde. De twee, in elkaars armen, hadden de structuur van een duistere golf, af en toe doorbroken door een lichtstraal. Mysterieus en kalm dobberde het schip, en rondom was er niets dan de aanblik van de eindeloze uitgestrektheid van het water, zonder dat dit angstaanjagend was. Ze hadden elkaar pas kortgeleden teruggevonden.  Soms speelden ze tennis. Soms dronken ze zelfs een biertje na afloop. Dergelijke vergankelijke vriendschappen ontstonden vaak tussen de eenzame loontrekkers die naar deze stad waren overgeplaatst. Over het alge...
Translated from RO to NL by Jan Willem Bos
Written in RO by Anna Kalimar