Rebecca, maart 1943
Het was zes maart in de ochtend – twee dagen nadat het nieuws kwam dat we het land zouden worden uitgezet – toen mijn vader me vertelde dat er momenten waren waarop niks van ons afhangt en we ons dus ons lot moesten ondergaan. Ik vroeg ‘m of dit zo’n moment was.
‘Ik weet het niet, Becca...’ antwoordde hij, en streelde me over m’n hoofd. ‘Ik wilde dat ik je kon zeggen dat we zelfs nu een keuze hebben. Ik wilde dat ik je kon vertellen dat we altijd een keuze hebben. Maar ik heb je niets te vertellen.’ ‘Je hebt me geleerd nooit te wanhopen, toch?’
‘Ja.’
‘En dat het altijd de moeite loont om nog een kans te wagen.’
Hij knikte.
‘En nu? Waarom loont het nu dan niet de moeite, papa? Net nu!’
‘Ik weet echt niet wat we kunnen doen.’
‘We kunnen vluchten.’
‘Waar kunnen we naartoe, ons in de bergen verstoppen? De winter is nog niet voorbij.’
‘We kunnen iemand vragen om ons bij hen thuis te verstoppen. Oom Mitko en tante…’
‘We kunnen hen toch niet in gevaar brengen. Het kan bijna niet anders dan dat ze ons vinden.’
‘Verzin dan iets anders, je bent toch volwassen? Als zelfs maar een tiende van alles wat Aäron heeft gelezen waar is…’
‘Ik weet het, Becca.’
‘Nee papa, je weet het niet!’ Ik stampte met mijn voet en onder me versplinterde de bevroren plas. ‘Je weet helemaal niets!’
En ik geloofde het echt.
Zes dagen eerder was het een maand geleden dat Leon voor mij Schuberts Serenade had gespeeld (1). We stonden er niet bij stil wat die dag precies betekende, maar twijfelden er niet aan dat hij belangrijk was. We brachten het instinctief niet onder woorden, alsof woorden het minder luchtig zouden maken. We wandelden steeds samen naar school en als we de kans kregen wandelden we ook samen terug. Soms, als er niemand in de buurt was, hielden we elkaars hand vast. Zelfs dit deden we lang niet altijd – we raakten al wandelend elkaars vingers aan, vervlochten ze in een oogwenk, als bij toeval, wisselden blikken uit. Daarna liepen we in het halfdonker langs de gesloten djoekjans (2) tussen de Kapija en Adjoendar (3). We waren zo door de emoties van de muziek overspoeld dat we moesten gaan wandelen om te kalmeren. Op andere momenten praatten we: over onze gezinnen; of hij over muziek, en ik over literatuur. In die tijd schreef ik mijn eerste gedicht, en las het enkel aan hem voor. Ik begon in verzen te denken – zelfs mijn meest banale observaties kwamen rijmend in me op. We wisten dat er over ons werd geroddeld, dat we door het slijk baggerden, dat er een oorlog werd uitgevochten, dat we omgeven waren door onrecht en lijden. We wisten het, maar we lieten het aan ons voorbijgaan. We lieten het de riolen inlopen. We hadden onze eigen wereld gebouwd – kleurrijk en prachtig.
Maar papa had daar geen oog voor. Hij was zodanig verzonken in zijn volwassen gedachten, in het nieuws over de oorlog, in de toon die anderen tegen hem aansloegen, dat ik er het nut niet van inzag het hem uit te leggen. “Ik weet echt niet wat we kunnen doen,” vertelde hij me terloops, zonder te beseffen hoe wreed dat was. Ik haatte hem op dat moment, wilde hem pijn doen zodat hij me zou begrijpen, stampte machteloos op het ijs onder mijn voeten. Mijn vader was geen vijftien jaar. Hij en mama hadden hun liefde beleefd, hun belangrijke momenten gedeeld. Ze koesterden samen mooie herinneringen. Niemand kon hem dit afnemen.
‘Als we naar Polen gaan en niet bij elkaar in de buurt zouden wonen, zal ik sparen voor een fiets en elke dag na het werk zal ik je komen opzoeken.’ had Leon me die ochtend gezegd.
Ik zei hem niet dat ik het niet geloofde – mijn vader stond erop dat ik zweeg. Ik draaide alleen mijn hoofd weg.
Het gerucht over de deportatie had zich al verspreid. Al op de vierde avond kwam er een advocaat – een oude klasgenoot van mijn vader, bij ons thuis langs. “Zullen we er één roken in de tuin?” – stelde hij voor aan papa. “In die kou?” – was het verbaasde antwoord. Maar het gezicht van de gast sprak boekdelen. Ik hield hen door het raam in het oog. Ze waren achter de pruimenboom gaan staan, de man sprak hem ernstig aan, legde zijn hand op zijn schouder, en hij stampte woest tegen de gevel van het huis. Hij kwam bleek terug naar binnen.
‘Ze gaan ons het land uit zetten. Eén dezer dagen.’ zei hij vanuit de deuropening. Er klonk gerammel – de pan die mama naar het fornuis droeg kletterde op de grond, stukken raap lagen verspreid voor haar voeten.
‘Waar naartoe?’
‘Ver weg, mijn lieverds.’ Papa’s gezicht was levenloos, enkel zijn lippen bewogen, alsof ze niet van hem waren. ‘Vandaar is er geen weg terug.’
Vanaf dat moment werden we overspoeld door geruchten, vaag en beangstigend. Vaders klasgenoot was verantwoordelijk voor de gebouwen in Kjoestendil die door de staat werden gevorderd (4). Enkele dagen eerder kwam een medewerker van het Commissariaat voor Joodse Zaken, KEV (5) zoals het werd genoemd, bij hem langs en vroeg hem om het tabaksmagazijn ‘Fernandez’ naast het treinstation ter beschikking te stellen. De advocaat weigerde dit te doen zonder dat hem de reden werd verteld. De medewerker ging met tegenzin akkoord, op voorwaarde dat hij zwoer het geheim te zullen houden: dit was een zaak van het allergrootste staatsbelang. Er was een verdrag ondertekend met Duitsland over de onmiddellijke deportatie van Joden naar voormalig Polen, en ze hadden het pakhuis nodig om ons samen te brengen alvorens ons op de trein te zetten. Datum van uitlevering: tien maart, kort na middernacht.
De volgende avond, vijf maart, kwam papa thuis met nog meer slecht nieuws: de burgemeester eiste dat de Joodse gemeenschap onmiddellijk driehonderd emmers, driehonderd pollepels, potten en ander huishoudelijke voorwerpen zou leveren, zonder te specificeren waarvoor. Mama begon in te pakken. Ze bekeek de koffers, maar zei dat ze niet handig waren, en besloot rugzakken te naaien. Ze zocht een geschikt patroon – ze vroeg het aan buren en vrienden, ze had ook stof nodig, - ze verknipte beddenlakens, startte de naaimachine opnieuw. Al naaiende schoot haar ineens iets te binnen, ze haastte zich ergens naartoe, en kwam even later terug met een verwarde blik, ze had andere angstige vrouwen ontmoet. Ze stopte sokken, breide wanten, zocht veldflessen, bakte beschuiten. Op een moment stond ze naast me met een schaar om mijn vlechten af te knippen. Er werd verteld dat ze de kinderen van de moeders zouden scheiden en het zou moeilijk worden met mijn lang haar. Ik weigerde het, en ze drong niet aan. Ze stampte woest verder op het pedaal van de naaimachine.
Maar de kinderen waren blij. De Joodjes waren blij. “We stappen op de trein en gaan naar een vreemd land!” – met deze kreet kwam de zesjarige Chaim me op straat tegemoet. Andere kleintjes schepten ook op. Ze zouden de allergrootste trein nemen en ver ver weg gaan, helemaal tot aan de zee. Verderop in de straat had iemand met een stok een trein in de modder getekend. Ik had zin om die kleine kunstenaars de huid vol te schelden, om ze duidelijk te maken dat er niks was om vrolijk over te zijn, maar ik staarde in hun stralende ogen en zweeg. Toen ik die vrijdag bij Leon thuis langsging was hij er niet, maar Blanca verwelkomde me. “Ik heb bij papa een crème besteld en hij heeft er één voor me gemaakt – pochte ze terwijl ze het potje van tafel griste en in m’n gezicht duwde. – In Polen zullen we op het land gaan werken en we zullen ons gezicht tegen de zon moeten beschermen. Zal ik er voor jou ook één bestellen?” Ik keek haar aan – zo kwetsbaar, haar ogen straalden, ze zwaaide enthousiast met haar armen. Ik gaf haar een knuffel en ging weg. Ik liep door de straat, passeerde bezorgde en gehaaste mensen, en verwonderde me: de meeste volwassenen geloofden dat ze ons naar Polen zouden brengen om te werken. Niet dat ze iets goeds verwachtten – ze voorzagen miserie, honger, ziekte en strenge winters in dit verre land. Maar in tegenstelling tot mezelf dachten ze dat ze zouden leven.
‘Papa, waarom vertel je ze niet wat er in die krant staat?’ vroeg ik mijn vader terwijl we naar de buren liepen.
‘Ik weet niet zeker of het waar is.’
‘Maar wat als het wel waar is? Is het dan niet beter dat ze het weten?’ ‘En als ze het weten, wat dan?’
‘Dan kunnen ze beslissen wat te doen.’
‘Ze kunnen niks doen, m’n meisje. Als het zin had, zou ik het hen vertellen. En ik heb spijt dat ik het zelf gehoord heb. Een mens kan niet leven zonder hoop.’ Ik wierp een blik op de tengere gestalte in de grijze jas. Ik haastte me vooruit en zijn stappen vervaagden achter me. Ik had spijt dat ik groot was geworden. Ik had spijt dat mijn vader kleiner was geworden.
“Ik ben bang dat ik misschien verdwijn. En dat niemand het begrijpt. En dat niemand me mist.”
Dit had ik enkele jaren geleden aan papa gezegd, op Frutas (6), toen de kinderen zonder mij op stap waren gegaan. Hij had me toen gerustgesteld, maar hierdoor kwam mijn angst nog sterker terug. Ik keek naar onze nederige kamer met de twee bedden voor mij en Anton, het kleine schrijftafeltje, de inktpot met de gebroken pen. Ik keek naar de boekenplanken met mijn lievelingsboeken en het kastje met de gebarsten deur. In die kamer had ik gespeeld, had ik gehuild, had ik gelachen, me verstopt, gemijmerd, gedroomd, had ik tot laat in de nacht gekletst met mijn broer. Ik keek door het raam en zag de Chisarlaka (7) – nog steeds somber met zijn bladerloze bomen, maar standvastig en hoopvol op wacht. Ik kon er uren naar kijken en ontdekte steeds iets nieuws. Ik hield van dit huis. Ik hield van deze stad - de vrienden, de bergen, de boomgaarden, badend in kleur, de bonte markt, de stoffige djoekjan-winkeltjes, de statige gebouwen. Ik hield van dit land – hier, waar ik geboren was, waar mijn ouders geboren waren, en hun ouders, en hun ouders. Het was het enige dat ik kende.
En ik zag dat de liefde niet wederzijds was. Dit land was een deel van mij, maar ik maakte er geen deel van uit. Het vond me overbodig, zelfs schadelijk. Ze zouden me hebben weggeveegd als een vieze vlek op het trottoir, me in een trein geladen hebben en me bij het vuilnis hebben gegooid. En al snel zouden er in deze kamer andere mensen rondlopen, zou er op dit bed een ander meisje liggen dromen – iemand met meer Arisch bloed. Op de boekenplanken zouden andere boeken liggen, zou de pen met de gebroken punt vervangen worden, zou iemand anders over de Chisarlaka nadenken, of er geen aandacht aan schenken, zou iemand anders in mijn plaats naar school gaan. Mensen zijn makkelijk te vervangen. Of misschien niet mensen, maar joden. Je laadt ze in een trein, ze verdwijnen, klaar, je bent ze al vergeten. En het leven gaat door. Gaat door zonder mij.
‘Wat ben je mooi, Becca!’ Mama tilde haar hoofd op van de naaimachine – ze was de derde rugzak aan het naaien en haar voet leek wel vastgevroren aan het pedaal. De stilte die op haar woorden volgde woog zwaar. Ze staarde naar mijn gezicht alsof ze me voor het eerst zag. Toen ging haar blik over me heen en vervaagde. Een rilling ging door me heen.
Te midden van de voorbereidingen voor het vertrek, te midden van alle paniek, had mama ontdekt dat ik mooi was. Dit had ze me nog nooit eerder verteld. Niet dat ik nooit had gevoeld dat ze me mooi vond – door het tevreden knikje als ze me bekeek terwijl ze mijn haar vlocht of door de verrukte uitdrukking waarmee ze me aan haar vriendinnen voorstelde.
‘Is alles in orde, mama?’
Ze richtte haar blik op mij, stond op en kwam naar me toe.
‘Je bent zo mooi!’ Ze streek met haar vingers over mijn voorhoofd, mijn wang, mijn kin. In haar ogen stonden fierheid en angst. ‘Je lijkt op m’n moeder toen ze jong was, en zij was een schoonheid. En jij bent nog mooier dan zij, Becca.’
Mijn angst groeide, ik wilde me verbergen voor die starende blik. Ik trok me terug en haar hand zakte. Ze leek het niet te merken, bleef staren.
‘En je bent zo jong.’
‘Hoe kom je daar nu bij?’
‘Je weet dat je voorzichtig moet zijn, hé? Ze laten me niet voor altijd bij je zijn.’ ‘We moeten allemaal opletten. Alleen, wat voor zin heeft het als we toch gewoon doodgaan?’
‘De dood is niet het meest beangstigende, liefje.’
Ze streelde me met trillende vingers
‘Ik ga naar buiten.’ Ze maakte zich van me los. ‘Ik ga naar Rivka. Ik ben zo terug.’
Tegen de middag werd het weer zachter, de modder smolt, plakte aan mijn zolen en maakte mijn stappen zwaar. Ik liep door onze straat, passeerde Leons huis, weerstond de drang om door het raam naar binnen te gluren. Daar was de jongen met wie ik alles wat rooskleurig was aan mijn toekomst verbond. Kort daarvoor was mijn moeder vanuit dat huis naar buiten gekomen met een pakje wit poeder in haar hand. Het was voor mij, bevatte cyaankali en mama was van plan het in de voering van m’n jas te naaien. Gewoon, voor alle zekerheid. Ze zei het tegen me op een toon alsof ze me een zakdoek gaf.
‘Geef hier!’ zei ik tegen haar.
Ze verroerde zich niet. Haar gezicht was verdoofd en bleek. Mijn vader stapte op ons af en keek haar verbaasd aan.
‘Geef hier!’ herhaalde ik.
In plaats van haar handpalm te openen, balde ze deze in een vuist. Ik herinner me die vuist alsof ik ze vandaag nog steeds voor me heb: de verweerde huid, uitpuilende aderen, wit geworden knokkels; ze trilde alsof ze onder stroom stond. Ik vroeg me af of ze de kracht zou vinden om door het pakje heen te knijpen. Ik hoopte van niet. De vuist opende zich en het pakje gleed in mijn hand.
‘Heb je dat voor ons allemaal geregeld?’
‘Meer kan ik aan Bochor niet vragen. Jij hebt het het hardste nodig.’ ‘Waarom?’
‘Voor het geval je wordt aangerand.’
‘We kunnen allemaal worden aangerand.’
Mama’s gezicht betrok. Ze probeerde me te strelen, maar ik trok me terug. Ik probeerde me van haar blik los te maken, ik kon het niet verdragen haar angst te zien.
‘Met jou kunnen ze het ook, net als met een vrouw. Je bent zo mooi, m’n liefje.’ Papa verborg met één hand z’n ogen en met de andere omhelsde hij mama. En ik rende naar buiten, het pakje in m’n hand.
Ik liep door onze straat, de modder koekte zich vast aan mijn zolen en mijn stap werd steeds zwaarder. Ik was Leons huis voorbijgelopen, en vermoedelijk waren ook mijn liefde, mijn dromen en mijn leven voorbij. Mijn hele leven lag achter me, de volle vijftien jaar. Ik had me voorgesteld dat dit nog maar het begin was. Maar voor me lag alleen modder, kleverig en smerig en alles absorberend. Het moest zo zijn dat ik er in vast zou komen te zitten – min of meer pijnlijk. Minder of meer pijnlijk, dat was mijn enige keuze.
Op die dag in maart baande ik me een weg door de modder van mijn straat, de zon was door de wolken gebroken, streelde de aarde, smolt het ijs. Ik ploeterde voort en vroeg me af of het de moeite waard was om te blijven gaan. Was het het waard om te vechten? Tegen wat? Tegen wie? Tegen die onbekende mensen die ons eruit wilden zetten? Waar waren die? Tegen Hitler in Duitsland? Of tegen mijn liefhebbende moeder, die me vergif gaf om me een genadige dood te schenken? Tegen mijn vader die geen bezwaar maakte? Ik wist het niet. Maar ik wilde niet stoppen. Ik stapte nog liever door tot de modder me opslokte. Om al wegzinkend de vreugde te voelen van het bewegen, van de hoop. Dat er misschien net deze keer een wonder zou gebeuren. Dat ik diegene zou zijn die zou wegkomen. Of dat ik in het moment, net voordat ik zou wegzakken, een glimp zou opvangen van een zonnestraal of de weerspiegeling van een boom. Een laatste moment van schoonheid. Is dat niet de moeite om voor te vechten?
Ik haalde het pakje tevoorschijn, scheurde het open en goot de inhoud ervan in de modder. Daarna draaide ik me om en ging naar huis.
1.
In een vorig hoofdstuk staat hoe Leon en Rebecca op deze dag aan elkaar vertelden dat ze van elkaar houden.
2.
Djoekjan (Bulgaars дюкян, Turks dükkân): In oorsprong Turks woord voor een kleine winkel of ambachtelijke werkplaats van waaruit diensten of goederen werden aangeboden. Je vindt ze nog in de vorm van souvenirwinkeltjes in de Samovodska Tsjarsjia in Veliko Tarnovo en in de typische Bulgaarse etnografische openluchtmusea.
3.
Kapija en Adjoendar (Bulgaars Капия en Аджундар): Twee pleinen in de oude stad van Kjoestendil.
4.
In het Bulgaars staat er реквизирани (rekvizirani). Requisitie is hier specifiek het opeisen of aanslaan van private goederen (vaak voedsel, maar ook soms gebouwen of voertuigen) om in de noden van het leger te voorzien of om strategische doelen te bereiken.
5.
Komisarstvo za Evrejskite Vaprosi: Bulgaars КЕВ, Комисарство за еврейските въпроси.
6.
Frutas (Bulgaars Фрутас): Toe Biesjwat, het joodse nieuwjaar der bomen.
7.
Chisarlaka (Bulgaars Хисарлъка): Heuvel met daarop de ruïne van een middeleeuwse vesting aan de rand van de stad Kjoestendil.