Het was ook toen ergens dat ik helemaal in de ban raakte van de stad. Wat was er daarvoor? De weg van school naar huis die meekronkelde met het riviertje de Çürük Suv, de huizen en moestuintjes in onze straat, het zesde microdistrict dat op de heuvel in de verte verrees, de kiosken en restaurantjes aan weerszijden van het Hansaray-paleis (1) – en het paleis zelf natuurlijk, waar ik soms jaren aan een stuk geen voet zette, maar dat met zijn binnenplaats toch in mijn bewustzijn gegrift bleef – zijn dakpannen, zijn versierde vensters, zijn beschilderingen en minaretten. De azan (2) vanuit de Grote Kanmoskee die ik elke vrijdag op mijn kamer hoorde. Er waren nog andere moskeeën waar de azan elke dag werd gezongen, maar die waren te ver weg om bij ons thuis te horen, maar ze vielen wel op in de aanblik van de stad. Een minaret geeft een stad ineens extra karakter.
Borja was degene van wie ik bewust van deze stad heb leren houden. Het was mei, en we hingen vaak buiten in wisselend gezelschap.
Borja was uit Alupka, waar hij bij zijn beide oma’s was opgegroeid, naar zijn moeder in Bağçasaray (3) verhuisd, die hier al vijf jaar in het plaatselijke ziekenhuis werkte. Hij wist de stad echt te zíén, doordat hij een nieuwkomer was. Hij zág het Hansaray echt – wij zagen het immers niet meer, voor ons was het een door en door vertrouwd onderdeel van het landschap dat we van kinds af aan kenden, waar we soms met de school naartoe gingen voor een rondleiding of om in de appelboomgaarden daar vlakbij het monument voor de Onbekende Soldaat een erehaag te vormen voor de WOII-veteranen. Ik begreep wel dat voor Ahtem, Aliye en Halil dat hele complex – met de moskee, de terrassen, de begraafplaats van de kans, het haremgedeelte en de baden – iets anders moest betekenen dan voor de rest van ons, het was hun bron van kracht, zoals dat tegenwoordig heet. Maar vreemd genoeg wist Borja over het Kanpaleis en de rest van Bağçasaray meer nog dan Ahtem. Hij kon je vertellen dat de binnenplaats van het paleis, aan de zijde van de moskee, oorspronkelijk niet ommuurd was, of dat de poort in de 17de eeuw werd toegevoegd als verdedigingsmaatregel, nog voor de komst van Potjomkins (4) leger. Borja zei dat het fort van Çufut-Qale (5), waar ik tot dan toe misschien alleen voor een schooluitstap was geweest, een unieke plek was, met grotten, een mausoleum en Karaïtische (6) tempels die je nergens anders zou aantreffen. Ook wees hij ons erop, dat wanneer je de Çürük Suv stroomafwaarts volgt, je als het ware een reis in de tijd maakt, doordat de gebouwen langs de stroom elkaar van ouder naar recenter opvolgen. Dankzij Borja weet ik dat het krankzinnigengesticht in onze stad oorspronkelijk geen gesticht was, maar dienst deed als de Zıncırlı medresse (7). En hij was, samen met Ahtem-oca (8), de enige van ons, die wist dat er op onze rotsen, die nu eens grijs, dan weer roze, beige en hier en daar wit waren – afhankelijk van waar je stond en hoe laat het was – opzettelijk dennen werden geplant, zodat de rotsen niet zouden afbrokkelen. “Zien jullie hoe de bomen in van die schakerende lapjes groeien?” – vroeg de stoere Borja, en uit zijn mond klonk dat liefkozende verkleinwoordje lapjes bijzonder vertederend.
Toen hoorde ik ook voor het eerst het Krim-Tataarse woord sandıq – kist. Ik begon de Krim nu als een sandıq vol sprookjes te zien, een sandıq vol edelstenen. En Bağçasaray was een sandıqta sandıq, een kistje in een kist.
Het welige loof rond de bron waar de Çürük Suv ontspringt. De met kasseien geplaveide straatjes met hun scherpe bochten die je plots naar de voet van de heuvel meevoeren. De oranjerode dakpannen. De spitse vensterbogen. De opschriften in verschillende talen op de gebouwen. Wellicht kun je zulke dingen ook elders vinden, maar dan zonder de ranke minaretten, zonder de dürbe-mausolea (9), of de alomtegenwoordige geur van tijm en lavendel – als kind had ik er nooit bij stil gestaan dat ik dit alles toen zo precies mogelijk in mijn geheugen moest opslaan, om later altijd naar wens in mijn verbeelding te kunnen oproepen, want nu zal ik dit alles allicht niet meer in het echt kunnen zien en ervaren.
(Nu, jaren later, ben ik bang om de straten van de stad te vergeten. Ik ben lid geworden van groepen uit Bağçasaray op sociale media, alleen voor de foto’s, en kijk naar die foto’s om niet te vergeten. Ik moet terugdenken aan de gedrukte foto’s die Halil nog in onze vroege tienerjaren heeft geschoten – die zijn in het huis van mijn ouders achtergebleven, en ik heb hen gevraagd om die foto’s te scannen en ze naar mij per e-mail door te sturen. Ik open wel eens Google Maps om door de straten te ‘wandelen’, om de ligging van de gebouwen weer voor de geest te halen, de kronkelingen van de Çürük Suv, de aanblik van de helgrijze steppegrond en de rotsen die net muren lijken, de dennen op die rotsen, verspreid “in van die schakerende lapjes”. Ik lees het werk van Şamil Alâdin om me de stad te helpen herinneren die ik zelf niet gekend kon
hebben en die ook nooit meer zal bestaan, maar die nog voortleeft in enkele bakstenen, die in de lucht blijft hangen en nasmeult in de aarde.) Een deel van Borja’s voorouders woonde al sinds mensenheugenis op de Krim: sommige takken van zijn stamboom wellicht al eeuwenlang, andere sinds de 19de eeuw. Zijn betovergrootvader kwam uit het gouvernement Orjol hierheen na de afschaffing van de lijfeigenschap in het Russische Rijk (10). Hij kwam om herenhuizen op te trekken, want daar had hij wel verstand van, en in die tijd werd er volop gebouwd op de Krim. Zijn zoon, Borja’s overgrootvader, studeerde af als architect en trouwde met een plaatselijk meisje, een Karaïet. In 1935 werd de overgrootvader naar Nikolajevsk aan de Amoer overgeplaatst – om de stad mee te helpen bouwen. Daar werd Borja’s oma geboren, samen met haar tweelingzus. In 1937 werd de overgrootvader opgepakt en een halfjaar later geëxecuteerd. “Dat had helemaal niet gehoeven,” zei Borja, “hem naar een werkkamp brengen was niet eens zoveel moeite geweest: in de oblast Amoer had je die immers bij de vleet.”
Als gezinslid van een “verrader van het moederland”, was de overgrootmoeder samen met de kinderen tot het einde van de oorlog in de kraj Chabarovsk gebleven, waarna ze van plek naar plek begon te trekken. Meteen naar de Krim terugkeren was uitgesloten – in het beste geval zouden ze teruggestuurd worden. Dus verhuisden ze met tussenpozen van zeven jaar een stukje verder naar het westen, waarbij ze zich telkens in de buurt van strafkolonies vestigden om er als vrije werkkrachten in dienst te treden: en zo van Blagovesjtsjensk (11) tot in Kazachstan.
Geen van beide dochters trad ooit in het huwelijk en bleven de tweelingzussen hun hele leven samenwonen. Een van hen kreeg een dochter, Borja’s moeder. Beide oma’s waren verpleegster, en beiden waren ze mama’s voor Borja’s moeder en oma’s voor Borja. Niemand uit het gezin is ooit lid van de communistische partij geworden, “hun kokhalsreflex was simpelweg te sterk”. Borja’s mama is evenmin ooit getrouwd geweest. Eerst werkte ze als vroedvrouw in Jalta, maar toen een zoveelste liefdesrelatie op de klippen was gelopen (deze keer met de hoofdarts van de kraamafdeling), besloot ze om naar een andere stad te verhuizen – zo stuitte ze uiteindelijk op een vacature in Bağçasaray.
Wij konden dus helemaal niet op tegen Borja met zijn overgrootvader de architect. Alleen met Aliye stond hij misschien nog op gelijke voet: haar betovergrootvader was kunstschilder geweest, haar overgrootmoeder onderhield in ballingschap contact met Sabriye Erecepova (12), en haar grootvader had Rollan Qadıyev (13) gekend.
Wie was ik in vergelijking met Borja, of met Aliye en Halil, of met Ahtem? Doordat mijn vader bij de cementfabriek werkte en mijn moeder bij de belastingdienst, waren de vrienden van mijn ouders overwegend ingenieurs, belastingambtenaren en plaatselijke bureaucraten, dus had ik weinig om over op te scheppen bij mijn vriendengroep. Ik kon hen evenmin veel vertellen over mijn grootouders – over mijn familie uit Perm helemaal niets, en over de familie van de Krim maar weinig. Dat kon ik niet, en dat wou ik niet. Ik schaamde me om over dat soort zaken aan mijn vrienden te vertellen.
***
Inna Ivanivna, die uitzinnige Inna Ivanivna van ons, moest eens haar tranen wegvegen en kalmerende valeriaandruppels bovenhalen toen ze les gaf over Poesjkin, en wanneer ze het over de personages van Dostojevski had, dan oreerde ze het volgende (en dit moesten we allemaal in ons schrift neerpennen, want achteraf zou ze dat nakijken en de ingewikkelde interpunctie verbeteren): ‘De grootsheid van de Russische literatuur schuilt in het feit dat de lezer geen haat voelt voor het hoofdpersonage, ondanks alle ellende die het in zijn kielzog meebrengt, maar juist empathie, en dat hij – dankzij de meesterlijke pen van deze briljante auteurs – elk zielenroersel van zulk een nietig en getormenteerd individu begrijpt.’ Deze keer was Inna Ivanivna vol overgave aan het vertellen over de tv-serie Het Russische Rijk, die om de zoveel tijd door de Russische zender NTV (14) werd uitgezonden en waarvan heel binnenkort weer nieuwe afleveringen zouden uitkomen. “We zouden ons al gelukkig mogen prijzen dat we in een tijd leven waarin zulke programma’s worden uitgezonden. We zouden er trots op moeten zijn dat we op de Krim wonen, omdat deze streek bezongen wordt door vooraanstaande Russische schrijvers, die in de hele wereld vereerd worden: Aleksandr Sergejevitsj Poesjkin, Lev Nikolajevitsj Tolstoj, Anton Pavlovitsj Tsjechov, en zo voort. Gezegend zijn deze schrijvers, en gezegend zijn wij, de bewoners van de Krim, omdat we slechts op een steenworp afstand wonen van de gezegende tsarenpaleizen – het Livadiapaleis (15), het Vorontsovpaleis (16), en dergelijke meer. Wij kunnen die grootsheid met eigen vingers aanraken. Voelen jullie het ook, hoe groots het is – ons erfgoed?” – vroeg Inna Ivanivna in opperste extase.
Ik volgde deze serie ook. Ik kon weinig sympathie opbrengen voor Catherina II, maar ik voelde wel mee met de geëxecuteerde Nicolaas II, en vooral ook met zijn dochters en zijn zoon die aan hemofilie leed – over hun lot waren er nog geen afleveringen in deze serie verschenen, maar ik had wel al over hen gelezen.
Ik voelde weinig voor die extase van Inna Ivanivna, voor haar tranen en die valeriaandruppels van haar. Ik ergerde me aan haar pathos. Mijn klasgenoten dreven evenzeer de spot met haar hoogdravende stijl, maar er was nog iets anders wat ik haar niet kon vergeven: haar gekijf met Elzara over het onderwerp moedertaal.
Toen dat een keer in de les aan bod kwam, zei Elzara dat haar moedertaal het Krim Tataars was. Inna Ivanivna vroeg toen:
“Spreek je dan echt zo goed Krim-Tataars? Beter dan Russisch?” Elzara kon geen bevestigend antwoord geven.
“Elzara, hoe kun je in dan het Krim-Tataars jouw moedertaal noemen? Als alle boeken die je van kleins af leest in het Russisch zijn, en als je doorgaans Russisch spreekt en schrijft. En dat is nog niet alles, want dit zou je ook kunnen doen mocht je naar een nieuw land verhuizen, maar je denkt zelfs in het Russisch!”
“In dit opzicht verschil ik niet van mijn Krim-Tataarse leeftijdsgenoten,” – antwoordde Elzara. “En toch noemt 92% van mijn volk het Krim-Tataars als hun moedertaal (17).” “Als ze dat doen, dan moeten ze die taal ook gebruiken, dan moeten er allerlei woordenboeken bestaan, literaire werken, tv-programma’s in het Krim-Tataars… Waar is dat alles?”
“Met alle respect, maar er zijn bepaalde redenen waarom dat alles er niet is… Een halve eeuw lang konden de Krim-Tataren hun taal slechts in hun privésfeer bezigen, omdat ze in ballingschap leefden, en zelfs nu, nu ze weer naar hun vaderland zijn teruggekeerd, kunnen ze het Krim-Tataars niet ten volle gebruiken omdat iedereen om hen heen Russisch spreekt.”
“Elzara,” – zuchtte Inna Ivanivna, – “als een taal zich niet verder ontwikkelt, dan ligt dat niet aan de omgeving die een andere taal spreekt. Het ligt aan het feit dat deze taal de inherente neiging mist om zich verder te ontwikkelen. Een taal die in essentie volwaardig is kan in om het even welke omstandigheden blijven functioneren. Heb je ooit al van Brighton Beach gehoord, de wijk in New York? Stel je dit dus eens voor: Amerika, overal Engels – en dan heb je een aparte wijk waar bijna iedereen Russisch spreekt, met Russischtalige radiozenders, tv-studio’s en krantenredacties. Blijkbaar is het dan toch mogelijk om je te organiseren? Maar dat is nog niet alles. Iemands moedertaal, dat is de taal waarin die persoon denkt, dus je hebt geen enkele grond om over het Krim-Tataars als over je moedertaal te spreken.”
Elzara had niet zo snel een antwoord paraat, maar natuurlijk kon ze hier evenmin mee instemmen, dus schudde ze onzeker haar hoofd. Ondertussen moest ik terugdenken aan een andere les, een jaar eerder, we waren toen vijftien – het was een les Russische literatuur die gewijd was aan de schrijvers van de Krim. Een van de werken die besproken werden was van Seitümer Emin (18). Lenur zat toen al niet meer bij ons in de klas, en toevallig was Elzara net die dag afwezig. Toen ze de naam onder het gedicht zag staan, opperde Zojka Vasjtsjoetsjka: ‘Maar dit is toch helemaal geen Russische schrijver! Zijn naam klinkt Krim-Tataars. Waarom krijgen we dit gedicht in de les Russische literatuur?’ Inna Ivanivna’s antwoord luidde: ‘Kinderen, laten we er niet dieper op ingaan. Iedereen die we in de les behandelen, is een Russische schrijver.’
Na die discussie over moedertaal met Elzara begreep ik dat mijn houding tegenover Inna Ivanivna nooit meer dezelfde zou zijn als een paar jaar geleden, toen ik aan mijn eerste taalolympiades deelnam en we samen naar het Russisch Cultureel Centrum trokken en het Koejbysjevplein (19) in Simferopol passeerden waar er steeds kinderstemmen weerklonken. Inna Ivanivna merkte dat er iets was veranderd, en soms zei ze, als we alleen waren of in het bijzijn van anderen:
“Oetajeva toch…”
Ik keek haar dan telkens vragend aan. Op een dag ging ze verder: “Altijd maar naar allerlei verzonnen fabeltjes luisteren in plaats van je literair talent te ontwikkelen. Wil je soms een Oekraïense of Krim-Tataarse schrijfster worden, is dat het?”
Ik wist niet wat ik daarop moest antwoorden, dus trok ik slechts mijn schouders op en zei:
“Ik weet niet waar u het over heeft.”
“Herinner je je die passage van Poesjkin nog? – vroeg de lerares, die voor elke situatie een citaat van deze zonnekoning der Russische poëzie paraat had. – ‘Zullen de Slavische stromen samenkomen in de Russische zee…’” (20)
Deze versregel hoorde ik voor het eerst. Ik was überhaupt niet goed bekend met Poesjkins oeuvre.
1.
Het Kanpaleis in Bağçasaray.
2.
Oproep tot het gebed in de islam (vaak vanuit een minaret).
3.
Bağçasaray is de Krim-Tataarse naam van de voormalige hoofdstad van het Kanaat van de Krim. In het Nederlands is deze stad via het Russisch ook als “Bachtsjisaraj” bekend.
4.
Grigori Potjomkin (1739-1791) – opperbevelhebber van het Russisch leger onder Catharina II, lijfde in 1783 de Krim bij het Russische Rijk in.
5.
Overblijfselen van een middeleeuwse vesting en grottenstad, zo’n 3 kilometer ten oosten van Bağçasaray.
6.
Karaïeten, Karaïm, een kleine Turkstalige bevolkingsgroep die het Karaïtisch jodendom beleed.
7.
Een medresse (islamitische middelbare en hogere school), gesticht in 1500 door de kan van de Krim Meñli Giray in Salaçıq, de eerste hoofdstad van het kanaat van de Krim (nu is Salaçıq een wijk in Bağçasaray). [noot van de auteur]
8.
Oca (Krim-Tataars, uitgesproken als “odjá”), “leraar, meester”, hier als suffix toegevoegd.
9.
Dürbe – mausoleum, praalgraf of tombe, doorgaans bestaande uit een zes- of achthoekig bouwwerk, voorbehouden voor hooggeplaatste personen.
10.
Dit gebeurde op 3 maart 1861.
11.
Hoofdstad van de oblast Amoer.
12.
Sabriye Erecepova (1912-1977) – Krim-Tataarse zangeres, zong onder andere in de film “Zaporozjets za Doenajem” (“De Zaporizja-kozak voorbij de Donau”, 1937). [noot van de auteur]
13.
Rollan Qadıyev (1937-1990) – Krim-Tataarse fysicus, dissident, mensenrechtenactivist en een van de leiders van de Krim-Tataarse nationale beweging.
14.
Aanvankelijk een onafhankelijke Russische tv-zender, die in 2001 door het staatsbedrijf Gazprom werd overgekocht en in de jaren die volgden tot een van de voornaamste spreekbuizen van de Russische propaganda is uitgegroeid.
15.
Zomerresidentie van de tsarenfamilie vlakbij Jalta.
16.
Een van de oudste en grootste paleizen op de Krim (gesitueerd vlakbij Alupka in het uiterste zuiden), behoorde het eigenlijk niet aan de tsaren, maar was wel een belangrijk trekpleister voor de Russische adellijke en intellectuele elite in de 19de tot begin 20ste eeuw.
17.
In de Sovjet-Unie kreeg de term “moedertaal” een dubbele invulling – naast de formele betekenis (“de
taal die je als kind hebt verworven en het beste beheerst”), werd ook de interpretatie als “de taal van je
(voor)ouders” of als “je etnische taal” gangbaar, vooral als het niet Russisch was. Het gebruik van de term
“moedertaal” in deze context wordt ook voornamelijk emotioneel bepaald, en niet zozeer kwalitatief (zo
kan iemand de taal van zijn (voor)ouders niet meer of onvoldoende beheersen, maar deze toch als zijn
“moedertaal” beschouwen).
18.
Seitümer Emin (1921-2004) – Krim-Tataarse schrijver en dichter, activist van de Krim-Tataarse
nationale beweging.
19.
Een van de centrale pleinen in Simferopol, de hoofdstad van de Autonome Republiek van de Krim.
20.
Versregel uit Poesjkins gedicht Aan de lasteraars van Rusland, geschreven naar aanleiding van de Poolse opstand van 1830-1831 tegen het Russische Rijk. Een uitgebreider citaat gaat als volgt: “Wie zal er overeind blijven in dit ongelijk dispuut:
De hooghartige Pool, of de loyale Rus?
Zullen de Slavische stromen samenkomen in de Russische zee?
Of zal die opdrogen? Dat is waarom het gaat.” (vertaling Sander Brouwer)