Vale gier
1.
Het was de laatste dag van de reis; wat er de dag ervoor gebeurd was, was gebeurd. We waren in Trebinje, we zaten onder platanen en dronken koffie. Het weer was ongewoon zacht voor het einde van het voorjaar. We niesden niet, hoestten niet, onze tanden deden geen pijn, mijn verstandskies was ik zelfs vergeten. In de buurt van onze accommodatie werd mijn opa in 1927 geboren, en mijn oma slechts een dertigtal kilometers van hem vandaan. Ze ontmoetten elkaar pas in de trein naar Sarajevo, jaren later – maar dat is een ander verhaal, een dat mijn vader had kunnen vertellen als hij dat gewild had. Er was van alles veranderd sindsdien; dat hoefde ik niet op te sommen. We ademden, leerden, ruzieden en stierven, we hielden van en gingen uit elkaar – dat was hetzelfde gebleven. Oorlogen, vuistgevechten, ruzies - we deden het uit gewoonte. Toen ik geboren werd, was mijn opa ongeveer even oud als mijn vader nu. Hij ging al bijna met pensioen en woonde in een huis – rustig en teruggetrokken. Springen deed hij niet, reizen deed hij niet, hij rookte en dronk evenmin. De huisarts had hem al in zesentachtig, toen hij een zware leverontsteking had opgelopen door het vele proosten, opgedragen te stoppen met alcohol – en dat gebeurde ook. Hij had een huis gebouwd, een vrouw, kinderen gemaakt, honden geadopteerd. Boro uit Ledine was zijn vriend – ze keken samen televisie, aten pinda’s, dronken koffie en sliepen. Ieder in zijn eigen leunstoel. Samen bouwden we hondenhokken, slepen stokken, plukten abrikozen en kersen, zaaiden bosbessen en druiven – waarvan sommige lukten, andere niet. Hij sliep met een pistool onder zijn kussen, een overblijfsel van zijn diplomatentijd. Hij had een lange weg afgelegd – van schoffie uit de Leotarska-straat tot vertegenwoordiger van een grote Joegoslavische tractorenfabricant, tot inlichtingenofficier van allure. Daarbij reisde hij de halve aarde af, en had zelfs tijd om Muhammad Ali te ontmoeten. Zijn handtekening op een wit vel papier staat nog altijd in de werkkamer van mijn vader. En toch kreeg de rusteloosheid, aan het eind van zijn leven, weer grip op hem. Iets gaat altijd stuk, overal.
“Wát wil je dat ik doe?”, vroeg mijn oma verbaasd.
“Mara, het is erg simpel. Je kent het gebouw bij Hotel ‘Vojvodina’ toch? Natuurlijk ken je het. Ga daarheen, het telt in totaal vier verdiepingen. Ga naar de vierde.” en op dat moment werd hij door mijn oma onderbroken.
“Is er een lift? Hoe wil je dat ik boven kom?"
“Je hoeft alleen op de deur te kloppen.”
“Welke deur?”
“Op de vierde verdieping!”, zei mijn opa geërgerd.
“Dus ik moet van deur tot deur als een of andere gek op zoek naar… wie?” “Zeg gewoon: hebben jullie hier in het jaar achtenveertig een gewonde verzorgd?” “In achtenveertig! Milan, kom op.”
“Zeg het gewoon zo, ze zullen het begrijpen.”
“Wie zal het begrijpen? Wie weet er nou nog wat er gister gebeurd is, laat staan in achtenveertig!”
“Ga gewoon en doe wat ik je vraag!”
“Ik ga niet, ik zweer het je, Milan. Ik ga mezelf niet voor schut zetten.”
“Wat je doet is verschrikkelijk”, zei mijn opa. “Je ziet toch dat mijn voeten zijn opgezwollen door het vocht?”
“Wie maakt er elke ochtend je sloffen schoon?”
Opa werd stil en keek haar aan als een kind.
“Ga, alsjeblieft, ik smeek het je.”
Wat vroeg Milan in feite van Mara, een jaar voor hij stierf op zijn vijfentachtigste? Na de oorlog bleef opa werken voor de staat. Zo kwam het dat hij, zoals hij al zei, in achtenveertig na een onsuccesvolle missie gewond raakte. Hij was op dat moment twintig; hij had amper haar op z’n lip. Hij werd ondergebracht op de vierde verdieping in het appartement van een weduwe met een dochter van zijn leeftijd. Bij hen bracht hij ruim een maand door. In die maand viel de oudere vrouw die hem verzorgde hem niet eens op. Hij bedankte haar voor de zorg en bleef haar dochter zien. Waarschijnlijk was hij ook verliefd op haar – maar of er iets tussen hen is voorgevallen, dat kan werkelijk niemand bevestigen of ontkennen. Ik weet niet eens hoe zij eruitzag. Waarschijnlijk wist hij dat zelf ook niet.
Een ding is zeker: Mara wilde bijna zeventig jaar later niet langs de deuren gaan, op zoek naar zijn eerste liefde.
“En het gebouw had ook geen lift”, legde ze me uit.
Ik had een ander verhaal kunnen kiezen, maar dat heb ik niet gedaan omdat alles neerkomt op een zoektocht en een besluit, op het moment dat je tegen jezelf zegt – dit is het leven dat ik leid en dit is het leven waar ik tevreden mee ben. Ik keek mijn vader aan die me vertelde over het compromis als bouwsteen, maar voor welk soort bouwwerk? En naar wie zal hij op zoek gaan een jaar voor zijn dood? Wat zijn de regels van dit bouwwerk? Welke mensen wonen erin en wat is de functie van de bewoners – wat ligt eraan ten grondslag? Lena en ik zijn uit elkaar, Nadja en ik zijn uit elkaar – daar valt niets meer over te zeggen. Ik had iemand anders kunnen zijn, zij ook. Ik betwijfel of mijn opa zich überhaupt de vrouw kon herinneren die in achtenveertig zijn wonden verzorgde; zij was slechts een plaatje– van zijn jeugd, een verlangen naar het leven, een ander leven, hetgeen hij had kunnen hebben, oftewel, waarvan hij dacht dat hij het had kunnen hebben als hij niet twee zoons had gekregen, als hij en mijn oma niet vierenvijftig jaar getrouwd waren gebleven, tot op de laatste dag toen zij zijn ogen sloot en mijn vader belde om hem te vertellen dat hij niet meer ademde, waarop hij mij belde om te zeggen dat hij niet meer ademde en ik Nadja belde om te zeggen dat mijn opa niet meer ademde; maar zou hij werkelijk een ander leven hebben geleid met de jonge vrouw die hem verzorgde? Daarom blijft een zin van oma door mijn hoofd spoken:
“Weet je, oma’s mooiste, ik had geen leven. Als het niet dit, dan was het wel dat geweest, of misschien toch weer iets geheel anders – of wel helemaal niet.”
Of was het met haar uiteindelijk neergekomen op hetzelfde, met wroeten in de hersenen op zoek naar een herinnering, naar het moment waarop hij voor het laatst een onverklaarbare kramp in zijn buik voelde, een leeg en tegelijkertijd vol gevoel, een staat van wanhoop en opwinding? Een gevoel, zo vrolijk en zo wanhopig en zo levend. Door dat gevoel ben ik een keer om drie uur s’ nachts aangeschoten met een tandenborstel in de hand door de Knez Miloš-straat gerend, Lena smekend om te blijven en haar tanden bij mij te poetsen, maar zij volhardde in haar vertrek, om uiteindelijk definitief te vertrekken. Datzelfde gevoel deed mij meer dan twintig uur een vlucht volgen van Frankfurt naar Cuba via een flight tracker uit angst dat Nadja de Bermudadriehoek niet zou overleven, en toen ze me liet weten dat ze geland was, durfde ik niet toe te geven dat ik dat wist en dat de reis ook mij had uitgeput. Het is datzelfde gevoel waardoor, wanneer ik een bericht verstuur, ik in eerste instantie de notificaties uitschakel zodat ik het antwoord kan lezen wanneer ik besluit dat ik er klaar voor ben en niet wanneer mijn telefoon mij dat opdraagt. Het gevoel dat mij, zo blijkt, tegelijkertijd onzeker, volledig leeg maakt, maar mij ook bevrijdt van de zoektocht naar een hoger doel, een allesomvattende logica, waardoor ik niet bereken en niet bijhoud hoeveel tijd ik nodig heb om de Gazela brug, of de Brankov brug, over te steken, waardoor ik een ogenblik vergeet dat ik bang ben voor de dood. Een gevoel dat genoeg heeft aan zichzelf. Wanneer ik naar opa keek, wist ik: hij heeft gekozen.
Uiteindelijk wilde hij niet liefhebben, maar opnieuw verliefd zijn.
We hielden halt bij het huis waar hij zijn jeugd heeft doorgebracht. Hier is ergens het probleem ontstaan. Precies hier, op de eerste verdieping van het laatste huis in Trebinje. Ik keek naar mijn vader en wist niet of hij gelukkig was – bij hem was er sprake van dit, dat en geheel iets anders. Ik wist niet of hij had gevonden wat hij zocht, en ook niet welke compromissen hij in zijn leven had moeten sluiten. Toen ik hem ernaar vroeg, zei hij: ik heb last van een koortslip.
“Wist je dat je overgroot opa vast is komen te zitten in een raam?” vroeg hij en vertelde toen het verhaal.
Het huis stond er nog, ze hebben het niet verwoest. De tuin waarover hij sprak en die hij probeerde na te maken in Sremska Kamenica leek klein en absurd. Er was niemand op de binnenplaats, maar het gras was onlangs gemaaid.
Ik zocht iets – een bestaansspoor, een markering van iets dat mij bekend was, iets dat mij toebehoorde. Ik keek naar de plastic stoelen maar eigenlijk zocht ik een granaatappelboom. Hij vertelde hoe zij, als kinderen, overal en wanneer ze maar wilden, een granaatappel konden vinden. Met geen mogelijkheid kon ik opa en de granaatappel aan elkaar verbinden – het waren net twee verschillende tijden. Maar op de binnenplaats vond ik geen granaatappelboom, en geen sporen van opa, noch de oorzaken van mijn relatiebreuken – het was een huis, als ieder ander. De ramen – ze waren er, de deur – die bestond, het slot – was dichtgedraaid. Mijn vader leunde tegen de schutting en keek naar de houten rolluiken.
“Dit zijn oude rolluiken, ze zijn zeker sinds de oorlog niet vervangen. Kijk nou hoe zwaar ze zijn.”
“Zoals bij mij in Belgrado.”
“Ja, zie je hoe sommige dingen, die meer dan twintig jaar geleden zijn gemaakt, standhouden.”
“Ligt eraan welke.”
“Weet je, ik zat te denken om, als ik met pensioen ga, met Dara hierheen te komen en een huis te kopen. Het klimaat is goed, uiterst gunstig voor artritis.”
“Heb je artritis?”
“Weet ik veel?”
“Ben je serieus?”
“Ja, waarom niet?”
“Ik dacht altijd dat men naar het platteland gaat om te sterven”, zei ik. “Ook dat moet gebeuren. Hier is de lucht tenminste schoon “, antwoordde hij en stak daarbij een sigaret op.
Ik wist niet wat ik tegen hem moest zeggen. Ik keek naar zijn kracht, naar de moedervlek op zijn wang. Het was zijn tijd nog niet. Dat mocht het niet zijn. Niet voordat we met elkaar op de vuist waren gegaan.
“Wie woont hier nu?”
“Dat weet niemand meer”, antwoordde hij.
Ik wilde het huis bekijken als ieder ander huis met rolluiken, ramen, dakbalken, steunpilaren die je nooit zou mogen slopen, tenzij iemand anders ze voor je sloopt, vierkante meters die je vulde met meubels, speelgoed, boeken, buizen. Ze zeggen dat architectuur nooit een kunstvorm zal zijn, omdat ze rekening moet houden met de riolering, omdat nagedacht moet worden over poep, over de leefomgeving, over de paperassen. Maar terwijl ik naar opa’s huis keek, waarmee hij nu net zoveel te maken had als ik met Nepal, zag ik geen afvoerbuizen, ik zag geen paperassen, mijn opa zag ik, om eerlijk te zijn, ook niet. Ik voelde alleen; dit huis hoor ik anders te bekijken, want als dat huis er niet was geweest, was ik er niet geweest. Als er geen oorlog was geweest, was ik er niet geweest. Als mijn oma niet in een Italiaans concentratiekamp had gezeten, was ik er niet geweest. Als mijn moeder haar moeder niet jong was verloren, was ik er niet geweest. De lijn tussen je geboorte-, en sterftejaar, tussen het begin en einde van de oorlog, een lijn – zoals deze nu – is niet alleen een lijn; soms is het een heel nieuw leven. Ik hou er niet van als een huis ook dient als begraafplaats. Iemand begraven in het decor van zijn kindertijd heeft geen zin – dat is niet meer dezelfde persoon, en ook niet hetzelfde decor. Dingen veranderen: de stoommachine is een onbemand voertuig geworden; in het uiterste noorden, daar waar het verboden is te sterven, op de plaatsen waar de zon niet komt, hebben ze een grote plaat gekregen, een nep-zon, die echt schijnt; mensen hebben allerlei soorten verhoudingen met personen die ze nog nooit hebben aangeraakt; ik hoef niet verder op te sommen, het is duidelijk, er verandert veel in één mensenleven. Darko vertelde me dat hij zijn oma wil meenemen naar het Ušće winkelcentrum, om haar daar een VR-bril op te zetten; al is het maar om haar een glimp van de toekomst te laten zien. Wat moet zij met al die nieuwe indrukken? Vader vertelde dat er in de buurt van de wijk Mali Mokri Lug een kerkhof is waar ze overledenen begraven met hun dierbaarste bezittingen; zo ontstaan diepe graven met daarin een man en een auto.
Mooi, maar uiterst onpraktisch; een levende man zwoegt tijdens het graven van een enorm gat voor een dode – een gat dat vaak groter is dan de oppervlakte van het huis dat hij huurt. Maar één ding blijft, eeuwen, vanaf het moment dat de mens zijn staart is verloren en geleerd heeft een stok te vangen en slijpen, altijd hetzelfde.
“Ik probeer me voor te stellen hoe het was aan het begin van de jaren dertig, hoe mijn vader hier rondrende en struikelde”, zei mijn vader. “Maar eigenlijk kan ik één ding niet begrijpen – we zijn zo anders.”
“In welk opzicht, anders?” vroeg ik.
“In alles. Dat kan ik maar niet begrijpen”
We zwegen en vader doofde het overblijfsel van de sigaret met zijn hiel. Ik kon zien dat hij ergens over nadacht. Wist ik maar waarover, voor één keer, slechts voor één keer.