PROLOOG
Wij zijn de blote voeten en de gekerfde stokken van degenen die in de zon lopen in afwachting van de wind. Als je doodgaat zonder dat je tegelijkertijd gevangen en vrij bent geweest, heb je nooit geleefd.
Wij zijn de sterke armen en de gretige handen van boeren die nooit met pensioen gaan. Als je leeft van zaaien en oogsten, kun je geen grootse dromen hebben, alleen grootse gevoelens van hoop.
Wij zijn de hartelijke en spottende glimlach van degenen die vreemdelingen verwelkomen met een mengeling van nieuwsgierigheid en wantrouwen. Elke ontmoeting is een exodus, elke aanvaring een invasie.
Wij zijn de onderzoekende blik en het ervaren gehoor van degenen die de kudde leiden en het brood bakken.
Wij zijn de onschuldige kreten van kinderen en het wraakzuchtige zwijgen van bejaarden.
Wij zijn de geknielde gebeden, de gezangen rond het vuur, de met wijn doordrenkte woorden die te veel worden gezegd.
De geur van de mirte, de stam van de jeneverbes en het zure van de kaas. Van de mistral hebben we onze koppigheid, van de zee onze transparantie. We dragen zwarte sluiers die tegenspoed aankondigen.
Sardinië heeft één vlag, elk dorp zijn eigen martelaar. Die van ons is een vrouw genaamd Teresa, en haar dood is te lang een geheim gebleven.
Niemand praat erover, een enkeling vraagt ernaar, iedereen weet het nog. Teresa is vermoord en het is helemaal onze schuld.
HOOFDSTUK 1
Op een warme septemberochtend scheen er een lichtbundel door het raam op de eerste verdieping van het huis van de familie Murru en streek langs Teresa’s wang, zoals de hand van haar man Bruno gedaan zou hebben als hij niet langer dan verwacht in de stad had moeten blijven vanwege zijn zaken. De vrouw was onlangs bevallen van Emilio, hun derde kind, maar door complicaties tijdens de bevalling had ze noodgedwongen het bed moeten houden. Dus had ze een paar weken gewacht voordat ze toegaf aan de drang om het huis weer te verlaten, ook al was de rustperiode van veertig dagen kraambed nog niet verstreken. Teresa’s besluit om zich niet aan de traditie te houden, in een dorp als Lolai, leek een zoveelste arrogante schaamteloosheid, maar ze was gewend om haar eigen gang te gaan en eerder uit noodzaak dan uit gewoonte te handelen.
Terwijl ze haar lange zwarte haar voor de spiegel borstelde, staarden haar honingkleurige ogen nieuwsgierig naar haar spiegelbeeld. Het was lang geleden dat ze zichzelf zo nauwkeurig had bekeken: ze ontdekte een paar kleine moedervlekjes aan de zijkant van haar voorhoofd, en haar gezichtshuid was meer gespannen door de vermoeienissen die ze achter de rug had. Ze glimlachte naar de spiegel en die glimlachte terug, maar dat zag er al snel krampachtig uit, dus slaakte ze even een zucht en ging weer ernstig kijken. Ze pakte haar lievelingsketting van het schap, met een rond zilveren hangertje in de vorm van de typische Sardijnse gevlochten rieten mand, sa corbula, die ze op haar trouwdag van haar vriendin Gavina had gekregen. Ze deed hem voorzichtig om en knikte tevreden.
Uit de kleerkast pakte ze een wijde zwarte rok met een sierrand geborduurd met een kleurige zijden draad, en een witte linnen blouse met twee knoopsgaten bij de hals, vastgemaakt met een paar manchetknopen. Over de blouse trok ze een nauwsluitend brokaatkorset aan, dat ook met pailletten was verfraaid en goed bij de rok paste, en ze trok een paar zwartleren pumps aan. Daarna deed ze haar haar in een keurige knot en deed er een zijden hoofddoek over, die ze in een driehoek had gevouwen en onder haar kin had dichtgeknoopt met een strik.
Teresa pakte Emilio op en liep de slaapkamer uit, waarna ze aan het eind van de gang bleef stilstaan om de twee andere kinderen wakker te maken: Maddalena van acht en Francesco van zes. De twee kinderen liepen voor haar uit de trap af en ploften nog slaperig op de keukenstoelen neer.
Het huis van de familie Murru bestond uit vijf vertrekken verdeeld over twee verdiepingen: op de eerste verdieping twee slaapkamers, op de begane grond een keuken met haard, een logeerkamer en een piepklein berghok. De keukendeur leidde naar een grote binnenplaats, met aan de ene kant de groene houten poort die uitkwam op de straat, en aan de andere kant de stallen en een klein gebouwtje dat als boerderijwinkel was ingericht. Teresa had zich persoonlijk over de zaak ontfermd en vulde de voorraad regelmatig aan met levensmiddelen en gereedschap, spullen die Bruno op de markt had gekocht – bijlen, snoeimessen, harken en jute zakken – om te verhandelen aan dorpelingen en aan boeren die Lolai geregeld aandeden om voorraad in te slaan.
De afgelopen jaren waren de zaken zo goed gegaan dat de familie Murru een van de meest vooraanstaande van het dorp was geworden. Daarom had Teresa, gedreven door optimisme, haar man overgehaald om aan de westkant een aanbouw aan hun huis te maken zodat ze daarin een taverne kon beginnen. Opnieuw was ze aan de slag gegaan, ook al was ze inmiddels in verwachting van hun derde kind, en toen het werk eenmaal was afgerond was die bescheiden zaak – met een open haard, een paar tafels en een houten toog met keukenblok – uitgegroeid tot het drukbezochtste café in de omgeving. Teresa had onvermoeibaar gewerkt met de zorg voor de kinderen en die twee banen, maar algauw was het zo druk geworden dat ze er iemand bij moest halen om te helpen.
Rita, de jongste dochter van de oude Adriana – een weduwe uit het dorp – was onervaren en nogal nonchalant, maar toonde zich al snel zorgzaam en liefdevol ten opzichte van de kinderen. Haar langwerpige, nieuwsgierige gezicht deed denken aan dat van de witte muisjes die in huis verstopt zaten en af en toe vanonder het meubilair tevoorschijn kwamen. Als Rita de keuken binnenkwam liet ze vaak een gilletje horen, om een piepgeluid te imiteren, en dan lachte ze voldaan als ze Teresa van schrik op een stoel zag springen of een hand voor haar hart zag slaan. De naïviteit van het meisje stond in schril contrast met de ernst van de vrouw des huizes, maar Teresa had langzamerhand steeds meer waardering voor haar gekregen: ze waren heel verschillend maar Rita deed haar werk en was een grote hulp voor Teresa.
Toen Teresa in de keuken verscheen zag ze dat Rita melk aan het verwarmen was bij de open haard, en ze groette haar met een knikje. ‘Ik ga, tot straks,’ zei ze, terwijl ze met een glimlach haar twee oudste kinderen gedag zei. Daarna nam ze een donkere sjaal van de kapstok in de hal en sloeg die om haar schouders; ze pakte een ijzeren sleutelbos uit het kastje en ging naar buiten, met Emilio in haar armen.
Vlak voordat ze door de groene toegangspoort stapte, zag Teresa dat Tore haar tegemoetkwam vanuit de stal. Hij was een stevige, grijzende man, een stuk ouder dan zij, met een smal voorhoofd en een opvallende haakneus. Hij was altijd nogal teruggetrokken geweest en ondanks zijn vriendelijke uitstraling en fiere houding verraadden de twee donkere kringen onder zijn ogen en de rode knokkels op zijn handen dat hij van minder goede komaf was. Hij had als kind zijn ouders verloren en was zonder geld in Lolai aangekomen, gekleed in vodden; hij en Teresa waren samen opgegroeid en in de loop der jaren waren ze om elkaar gaan geven als broer en zus, ook al hadden ze geen bloedband.
Toen het zware werk in huize Murru eenmaal was begonnen en duidelijk werd dat ze mankracht nodig hadden, had Bruno – die een paar jaar daarvoor had besloten om zaken te gaan doen op de verschillende dorpsmarkten – aan Tore gevraagd of hij bij hen in wilde trekken. Ze hadden een arbeider nodig, maar vooral ook iemand die het vee zou verzorgen en die in zijn afwezigheid op Teresa en de kinderen zou letten. Tore was een van de weinigen die het altijd voor de vrouw des huizes had opgenomen, zelfs in onbetamelijke situaties, en daarom werd hij in het dorp vooral als een zwakkeling gezien.
‘Het is een stralende hemel vandaag,’ zei hij opgewekt. ‘Voelt u zich al beter?’ Teresa knikte en deed een hand omhoog om haar sluier goed te doen. ‘Ik vind dat ik nu wel lang genoeg rust heb gehouden.’ ‘U weet toch dat u eigenlijk niet zou moeten gaan, hé?’ zei Tore. De vrouw haalde de sleutelbos uit haar zak. ‘Ik heb een belofte gedaan.’ ‘Doe hem dan ook maar de groeten van mij,’ voegde de man er gelaten aan toe. Teresa glimlachte en knikte kort, waarna ze de klink van de poort naar beneden deed en over de drempel stapte.
Aan de overkant van de straat zaten een stuk of tien mannen in een halve cirkel voor het huis van Tonio, een grote kerel met dikke wenkbrauwen en een paar plukken donker haar die achterover waren gekamd. Zodra ze haar zagen, viel iedereen verbaasd stil. ‘Teresì! We hadden u niet zo snel buitenshuis verwacht,’ mompelde Biccu ten slotte, een oude bebaarde kerel met een schalkse lach. Hij miste al heel lang de nagel van zijn rechterwijsvinger en droeg steevast een zwarte stoffen pet, die in die streek berritta werd genoemd. Teresa zei niets terug, terwijl de andere mannen hun blik afwendden om hun ongemak te verbergen.
‘Hebt u haast?’ vroeg Tonio, die in de deuropening stond met een paar lege glazen in de hand. ‘Gewoon wat dringende boodschappen,’ antwoordde ze, terwijl ze haar pas versnelde. ‘Het is goed dat u bezig blijft,’ zei Biccu droogjes. ‘U ziet er trouwens heel elegant uit. Het zijn blijkbaar wel belangrijke boodschappen…’ voegde hij eraan toe terwijl hij zich omdraaide naar Elio, een stokoud mannetje dat naast hem zat en met zijn elleboog op zijn wandelstok steunde. ‘Wie slaapt in zijn jeugd heeft als oudere geen vreugd. Prettige dag nog,’ besloot Teresa, voordat ze de hoek omsloeg. Bij het horen van haar antwoord sloeg Elio met zijn stok tegen Biccu’s scheenbeen. ‘Sukkel! In plaats van haar tegen te houden heb je haar weggejaagd!’ ‘Ach wat,’ zei Biccu geamuseerd. ‘Zie je nou hoe ze is? Zo ijdel dat ze zelfs geen complimenten meer aanneemt.’
‘Snap je het nog steeds niet? Je moet met machtige mensen omgaan als met vuur’ zei Tonio, alsof hij er verstand van had. ‘Niet van te dichtbij en niet van te ver weg.’ De mannen knikten en staarden weer naar de groene poort, terwijl een paar goudvinkjes die door het gebladerte van de bomen fladderden de stilte verstoorden.
Teresa had de groep achter zich gelaten, terwijl ze haar kaken op elkaar klemde, alvorens ze geërgerd haar sluier om de baby wikkelde. Ze had gehoopt dat ze door binnenshuis te blijven een soort immuniteit zou opbouwen tegen ergernis, zoals antistoffen dat doen als je ziek bent. Ze was altijd gewend geweest aan de onbeschaamdheid van andermans blikken, maar doordat haar man zo vaak weg was, waren de grapjes van die kerels steeds opdringeriger geworden. Ze probeerde altijd de confrontatie uit de weg te gaan, om geen klanten te verliezen in de winkel of de taverne, maar soms kon ze zich niet inhouden, en had ze er daarna meteen spijt van. Elke reactie, elke poging om haar verontwaardiging de kop in te drukken door haar blik of toon te veranderen was tevergeefs – en bovendien meteen opnieuw een reden voor de mannen om weer wat te zeggen, in plaats van ermee op te houden. Ze liep verder omlaag over een smalle straat omzoomd door citroenbomen, terwijl het zonlicht op het plaveisel weerkaatste en bij elke bocht de voorgevels van de huizen van Lolai deed oplichten. Vanaf de haveloze balkons aan de straatkant weerklonken schelle kinderstemmetjes en het geknetter van de eerste aangestoken haarden, en in de verte klonken knarsende karrenwielen. De huizen telden hooguit twee verdiepingen, met dikke muren waarin de voordeur half openstond, ter verwelkoming van onverwachte bezoekers, terwijl de winkels juist hun deuren dicht hadden om de eigenaren een paar uur rust te gunnen, al waren die vaak eerder lui dan moe.
Teresa was opgegroeid in deze straten en met de mensen die er dagelijks rondliepen, maar had toch nooit het gevoel gehad dat ze erbij hoorde. Het bezorgde haar altijd een vervelende jeuk om daar te zijn, maar ze kon zich ook niet voorstellen dat ze ergens anders zou wonen, en die ambivalentie hield haar gevangen in een voortdurende kwelling, waar ze uiteindelijk aan gewend was geraakt. Vroeger had ze als dienstmeisje bij de familie Collu gewoond, rijke grootgrondbezitters, waar ze werkte voor Vincenzo, Margherita en hun vier kinderen. Haar grootmoeder, die haar had opgevoed, was overleden voordat Teresa acht was, en zodoende woonde ze daar net als Tore als weeskind. Misschien was dat de reden waarom meneer Collu haar altijd respectvol behandeld had, of misschien was het omdat ze dezelfde leeftijd had als zijn eigen kinderen. Hij had erop aangedrongen dat ze een ambacht zou leren om haar een fatsoenlijke toekomst te garanderen. Op Teresa’s achttiende verjaardag had Vincenzo een groep mijnwerkers thuis uitgenodigd. Een van hen was een lange, slanke jongen met krullend haar, afkomstig uit een dorp in de buurt van Lolai. Hij heette Bruno. Teresa en hij vonden elkaar meteen leuk en hoewel de jongen zijn baan in de mijnen allang wilde opgeven vanwege een chronische longontsteking, had meneer Collu welwillend tegenover hun relatie gestaan. Ook al liepen ze het risico om voor altijd een mysterie voor elkaar te blijven, ze waren juist vanwege het idee dat ze de tijd hadden om elkaar te leren kennen verliefd op elkaar geworden.
Teresa liep in gedachten verzonken te midden van het geklater van de fonteinen en het doffe gedreun van klokken in de verte, terwijl ze haar wandeling af en toe onderbrak om een paar rijpe walnoten op te rapen die van de bomen waren gevallen. Op het laatste stukje van de weg, die na de bocht omhoogvoerde richting de kerk, hoorde ze een hoge stem achter zich.
‘Teresa, bent u het echt?’ Het was Sofia, de vrouw van de hoefsmid, die ouder was dan zij en zwanger van haar eerste kind. Toen Teresa zich omdraaide, merkte ze dat de vrouw haar donkere ogen onopvallend over haar lichaam liet glijden, van haar sluier tot haar schoenen. ‘Gezond en wel, godzijdank. Maar wat doet u buitenshuis? Heeft u iets nodig?’ voegde ze eraan toe, terwijl ze een hand op haar buik legde.
Teresa deed alsof ze het verwijt niet hoorde. ‘Nee bedankt, ik denk dat ik zo klaar ben. Voor u duurt het ook niet lang meer, hè?’ ‘Moge God zorgen dat alles goed gaat! De eerste maanden waren zwaar, maar nu duurt het hooguit nog een paar dagen. Nu maar hopen dat me geen nare verrassingen te wachten staan.’
Teresa sloeg haar blik neer en Sofia zette grote ogen op toen ze besefte dat ze een blunder had geslagen. ‘Ik wilde natuurlijk niet … ik bedoel, het moet niet gemakkelijk zijn geweest voor u. Maar het gaat goed met de baby, toch?’ vroeg ze, terwijl ze naar voren leunde. Teresa knikte en gaf Emilio instinctief een aai om de gêne van zich af te schudden.