Maksym stapte de straat op. Aan weerszijden van het trottoir lagen hoopjes vuile grijze sneeuw, die de dag ervoor wat aangedooid waren geraakt. Uit de apotheek kwam een meisje in witte pantoffels naar buiten gesprongen, dat uit alle macht een ruk gaf aan de generator. Het apparaat maakte een sprongetje en begon te brommen. De walm van benzine verspreidde zich in de lucht. In de hele straat gingen de generatoren een voor een aan en hun gebrom werd stilaan ondraaglijk – net of je midden in een bouwwerf loopt terwijl er vlakbij asfalt wordt opengebroken. Maksym wilde niet terug naar het dorp, dus slenterde hij maar wat voort door de stad, die van alle kanten bromde en beefde. Hij had geen idee van wat hij intussen moest aanvangen – in zijn appartement zaten oorlogsvluchtelingen, die hij daar liet logeren terwijl hij bij zijn vader in het dorp bleef. Ze wachtten een gunstig moment af om terug naar huis te keren, maar inmiddels zag het er steeds meer naar uit dat zo’n gelegenheid zich in de nabije toekomst niet gauw zou aandienen en dat ze naar alle waarschijnlijkheid überhaupt geen huis meer hadden om naar terug te gaan. Hij zou eventueel een café kunnen binnenstappen en er een paar uur met een boek te doden. In de ramen van de cafés zag hij overal van die oncomfortabele stoelen met dunne poten – overduidelijk met de bedoeling dat je er niet urenlang zou kunnen blijven zitten.
Hij bleef de straat alsmaar verder volgen, tot hij uiteindelijk bij het Museum voor Schone Kunsten uitkwam, dat tot zijn verrassing geopend was. Aan de kassa hing een plakkaatje met het opschrift “GRATIS TOEGANG VOOR SENIOREN EN VETERANEN”. Maksym was blij dat het piepjonge meisje aan de kassa niet naar zijn pensioenattest vroeg. In een ruime zaal met witte wanden zat in een hoekje een oudere dame op een stoel. Ze had een grote vilten sjaal over haar schouders geslagen en droeg warme laarsjes aan haar voeten. Maksym begroette haar met een hoofdknik en ging de zaal binnen. Een van de wanden was volledig leeg, op wat achtergebleven haakjes na, en in de expositie op twee andere wanden was er flink gesnoeid – zowat elk tweede schilderij was weggehaald.
– Een deel van de tentoonstelling is geëvacueerd, – zei de dame op gedempte toon. Haar stem echode door de lege zaal.
– Wat hier nog hangt is dus maar zozo? – vroeg Maksym.
– Nu ja, ‘zozo’… – antwoordde de suppoost stoïcijns. – Gewoon werken van geringere artistieke waarde.
– ‘Zozo’ dus.
Maksym moest denken aan hoe onprettig het wel niet moest zijn om nu nog in dit museum te hangen, terwijl je meer waardevolle collega’s geëvacueerd waren. Al een geluk dat zijn schilderijen uitsluitend in privéverzamelingen zaten, dacht hij. Maar of de eigenaars ze ook meegenomen hebben tijdens hun evacuatie? Vast niet. Misschien hangen ze nog steeds ergens aan de muur, net zoals deze werken – met hun geringere artistieke waarde.
Amper hoorbaar door de dikke muren van het museum begon buiten het luchtalarm te loeien. De suppoost stond op en dreunde haar routine geworden tekst op: – In overeenstemming met het reglement bieden we onze bezoekers de mogelijkheid aan om zich desgewenst naar de schuilkelder te begeven.
Maksym voelde zich net een schoolkind en volgde gehoorzaam de dame. In de schuilkelder met witgeschilderde bakstenen muren stond een houten bankje en een stoel met groene bekleding. Toen ze beneden aankwamen, zat het meisje van de kassa er al.
– Nogmaals gegroet – zei Maksym.
Het meisje gaf een knikje.
Maksym ging naast haar op het bankje zitten. De suppoost nam plaats op de VIP-stoel en haalde uit een doos die eronder stond en paar breinaalden tevoorschijn waar een halve gele sok aan hing. Ze sloeg meteen aan het breien.
– Ha, deze krijg ik vandaag nog af, dat voel ik, – zei ze. – We hebben al dagen geen luchtalarm gehad, mijn werkje is helemaal stilgevallen. Terwijl ik vorige week twee paar heb kunnen afmaken.
– Ninel Kostjantynivna breit sokken voor onze jongens aan het front, – lichte het meisje toe.
– Dat hun voeten maar warm blijven, – reageerde de suppoost daarop, bijtend op haar lip. – Ik stop ook nog een heiligenprentje bij elk paar. Niet dat ik zelf gelovig ben, maar het kan vast geen kwaad.
– Nee, vast niet, – beaamde Maksym.
Het was stil in de kelder. Het leek wel of je de draad zijn weg kon horen zoeken in het breiwerk.
– Wat vindt u van het museum? – Het meisje voelde kennelijk de behoefte om de gevallen stilte op te vullen.
– Ik heb nog niet veel kunnen zien. Slechts een paar van de niet-geëvacueerde werken.
– Die zijn ook goed, hoor. Het nachtlandschap in de eerste zaal vind ik bijvoorbeeld een stuk sprekender dan veel van de werken die geëvacueerd zijn, – zei het meisje en zweeg weer.
– Precies, – zei de suppoost. – Sommige van de geëvacueerde werken vond ik absoluut niet te pruimen. Ik ben zelfs blij dat die weg zijn.
Een ogenblik later kwam de bewaker de schuilkelder binnen gedonderd, gevolgd door een man met zijn jas nog aan, klaarblijkelijk een toevallige voorbijganger. De bewaker had een grijze snor en droeg een met bont gevoerde pet.
– Dag meisjes, – zei hij. – En heren, – voegde hij eraan toe toen hij Maksym had opgemerkt.
De voorbijganger, een bebrilde man in een korte grijze manteljas, ging op de rand van het bankje zitten. Maksym begreep dat hij een buitenlander moest zijn die was afgekomen op het uithangbord SHELTER bij de ingang. De man liet zijn telefoon aanstaan. Een medewerker van een of andere internationale missie wellicht. Of een journalist, maar daar leek hij niet op. Een diplomaat misschien?
– Ik heb nog gezelschap meegebracht, – grinnikte de bewaker, – zodat er evenveel mannen als meisjes zijn.
– Best onwaarschijnlijk dat ze een museum voor schone kunsten zouden beschieten, – zei het mesje.
– Alsof dat ze iets kan schelen – zei de bewaker. – Ze schieten maar in het wilde weg. Alleen zullen ze achteraf rapporteren dat hier een NAVO-basis was. Mijn kinderen zijn naar Nederland vertrokken. Ze zeggen dat het daar aan een stuk door regent, maar dat het er wel heel mooi is. Waarom ben jij nog altijd niet vertrokken, Myrosja? Je bent amper twintig, je hebt je hele leven nog voor je.
– Ik blijf waar ik ben, thuis, – antwoordde het meisje.
Ze had bijzonder fijngebouwde vingers en polsen, net of ze tot een andere soort behoorde.
– Haar liefde is hier, – verduidelijkte de suppoost.
– Meisje toch, je zult nog heel wat liefdes zien komen en gaan in je leven. – De bewaker rekte zich uit en voegde er aan toe: – Ik ga weer naar boven en blijf daar een oogje in het zeil houden.
– Wat denkt u daar te zullen zien? – De suppoost was aan het einde van het rijtje gekomen en verlegde het bolletje breiwol naar de andere kant. – Meneer denkt dat hij een verkenner is. Blijft u maar rustig hier, – ging ze verder, – ik heb er een slecht voorgevoel bij.
De telefoon van de buitenlander meldde het einde van het luchtalarm. – Tja, dat voorgevoel van u deugt duidelijk van geen kanten, – zei de bewaker. De stem uit de telefoon voegde eraan toe: “May the Force be with you.” – Kunnen ze een vrouw niet eens haar breiwerk laten afmaken? – zei Maksym en stond op. – Onmensen dat het zijn.
De suppoost legde de breinaalden met de onafgewerkte sok terug in de doos. – Let maar op, – zei ze , – tijdens de feestdagen zullen ze gegarandeerd overal lustig op los knallen.
De rest van de zalen in het museum bekeek Maksym uitsluitend nog vanuit het dichotomisch perspectief van geëvacueerde en niet-geëvacueerde werken, en met elk schilderij groeide bij hem het gevoel dat zijn doeken niet in aanmerking zouden komen voor evacuatie.
– Dank u, – zei hij bij het buitengaan tegen het meisje, – ik heb veel over mezelf geleerd.
– Fijne dag nog, – antwoordde ze lauw.
Maksym begreep dat ze helemaal in de ban van haar verliefdheid was, in dat stadium waarin je geen oog meer hebt voor niets of niemand om je heen. Wat een geluk om in deze tijden verliefd te worden, dacht hij. En wat een ellende ook.
“Maar toch vooral een geluk”, – zei hij tegen zichzelf toen hij het museum verliet. Hij moest weer denken aan de scène met Jana gisteren bij het stoofkacheltje. “En dat bij klaarlichte dag!” – dacht Maksym, en een lang vergeten gloed verspreidde zich in zijn buik. Dit zou wel eens mijn eerste menselijke emotie kunnen zijn in het afgelopen halfjaar, dacht hij bij zichzelf.
De winter schrokte de laatste restjes daglicht op, waardoor de dagen steeds korter werden – de winterwende was niet veraf meer, om drie uur begon het al te schemeren en verzonk de stad in kille duisternis. Er bleef bijna nergens nog straatverlichting aan, en het enige licht kwam van winkel- en caféramen, die slechts wat schuchtere lichtere vlekken op het gladde trottoir wierpen. Maksym liet het museum achter zich en ging zo van lichtvlek naar lichtvlek verder, terwijl hij de bedrieglijke kerstgezelligheid in de ramen aanschouwde. Het was de eerste Kerstmis sinds het begin van de grote oorlog, en het was alles behalve duidelijk of er nog iets te vieren viel en hoe. Toch schitterden er achter bijna elke ruit kerstlichtjes, die in de eerste plaats als een puur praktische lichtbron op zonnebatterijen bedoeld waren voor tijdens de stroomonderbrekingen, waardoor er alsnog een opdringerig feestelijk sfeertje hing en er herinneringen aan de voorbije feestdagen bovenkwamen die nu even onbereikbaar als onbeduidend leken.