Aan oma Ada,
die me heeft leren kauwen
Y el que no quiera creer
ni me quiera parar bolas
Que se acerque para acá
que yo le muestro la cola.
(Octavio Mesa, La Pelea con el Diablo)
Zoals het Napolitaanse spreekwoord luidt: ‘Il sangue si mastica, non si sputa’, bloed wordt gekauwd, niet uitgespuugd. Je bloedband kun je niet uitspugen, daar moet je op blijven kauwen.
Net zoals sommige dieren volgen we soms de geur van bloed om de weg naar huis terug te vinden. Maar op andere momenten is het kruispunt dat we zoeken, die fatale splitsing van waaruit de paden van de aarde die we bewandelen zich vertakken, te vinden in een ver punt in het verleden en in de voetstappen van iemand anders, voetstappen met een ander ritme en een ander tempo, terwijl hun onvoorspelbare trajecten door elkaar lopen, elkaar opvolgen, elkaar overlappen en zich uitrollen tot aan onze voeten, op de plek waar wij in evenwicht stilstaan, wachtend tot de weg duidelijk wordt.
Ik heb nooit veel aandacht besteed aan het verleden, laat staan aan dat van ons bloed. Ik ben opgegroeid op een plek die ik nooit als de mijne heb ervaren, die naar mijn gevoel altijd doods was en daarom alleen goed voor de doden. En dat was omdat de verhalen die ik hoorde gingen over vage gebeurtenissen, over plaatsen die tegenwoordig anders zijn dan toen en over mensen die niet meer leven, zoals jij. Het enige wat van zulke verhalen overblijft is dus het bloed. Het bloed dat wordt doorgegeven, dat door de generaties heen stroomt en ze verenigt in de meest verstikkende relatie die ik ken: de familieband. En wanneer de dood neerdaalt, worden die verhalen de enige manier om op koers te blijven, om de stukjes samen te houden die anders uit elkaar zouden vallen en zouden vervagen tot er niet veel meer dan as over zou zijn. Maar ook jij hebt op de een of andere manier de tijd die je onder de levenden was gegund overleefd. Meer dan het bloed, meer dan de as, leeft de herinnering aan jou voort onder de mensen die zagen hoe jij naar de wereld keek vanaf het hoogste punt en vanaf het laagste punt, die herinnering doordrenkt de plekken waar je hebt gewoond, de grassprieten waarover je liep en de bevende stem van degenen die je naam uitspreken terwijl ze herinneringen ophalen aan wie je was. Voor jou ben ik teruggekomen naar Marano. Ik kan je niet ontmoeten, maar misschien bestaat er toch een manier om je het hoofd te bieden. Ik weet niet of de onderwereld daadwerkelijk bestaat, maar ik heb me die altijd voorgesteld als de zomer in dit dorp. Dus als ik mij in deze provinciale hel begeef en afdaal in de krochten van onze geschiedenis, zal ik je misschien weten te vinden.
Het eerste wat gedaan moet worden is je naam uitspreken. Dat weet ik omdat jouw – ónze – familie me heeft geleerd wat het belang van namen is en hoeveel suggestieve kracht ze kunnen aannemen. Onze naam maakt ons wie we zijn, verbindt ons met anderen, stelt ons in staat om onszelf te verankeren en op die plek te blijven. Dit wist jij altijd al, Tanino ‘e Bastimento, eerste en laatste koning van Marano, ter wereld gekomen met de naam Carlo Gaetano Orlando. Ook je vader heeft het altijd geweten, net als je vrouw Ada en je zeven kinderen, en het begint ook mij steeds duidelijker te worden, terwijl ik je nooit heb gekend, terwijl ik zodra ik achttien werd uit Marano ben vertrokken en tot dusver weinig te maken had met die oude geschiedenis. Ik weet dat ik een lafaard ben, omdat ik leef en jij niet, maar het is de enige manier voor mij. En bovendien weerklinkt jouw stem nog steeds, luider dan de mijne, luider dan alle andere stemmen die ik heb gehoord. Iemand die alles heeft gedaan tegenover iemand die nog niets heeft gedaan, een levende tegenover een dode, dat lijkt me redelijk.
Om terug te komen op de feiten: de dingen die ik heb gehoord en die me zijn verteld kunnen geen aanspraak maken op de absolute waarheid, aangezien er weinig officiële gegevens zijn en het niet kan worden uitgesloten dat die in sommige gevallen zijn gemanipuleerd. Vaak komen de versies die ik van eenzelfde gebeurtenis heb gehoord niet overeen, omdat elke gebeurtenis het resultaat is van vervaagde herinneringen en indrukken van de familie Orlando en van de mensen die bereid waren me erover te vertellen. Er zijn datums die totaal niet kloppen, herinneringen die uit weinig meer bestaan dan namen, en soms zelfs uit aperte leugens. Het verhaal dat ik heb proberen bloot te leggen is duidelijk afgebakend, net als de gevolgen die het heeft gehad voor het heden. Wat zich binnen die omtrek bevindt blijft echter vaag, en hoe verder ik terugging in de tijd, hoe moeilijker het werd om de informatie te verzamelen die ik nodig had. Ik moet er ook bij zeggen dat het merendeel van de mensen wier namen hier genoemd zullen worden dood zijn – zoals ik al zei –en dat hun waarheden met hen zijn gestorven. Dus het zij zo: ‘a verità vera nun esiste, zoals ze in mijn dorp zeggen: de ware waarheid bestaat niet.
Tijdens de eerste zomeravond, op 21 juni 1930, nam de jonge communistische militant Angelo Orlando zijn verloofde Elena bij de arm en hielp haar voorzichtig in de auto van zijn vader. Tijdens de eerste zomeravond reed hij weg uit Marano, biddend dat niemand hen zou zien. Toen ze bij het ziekenhuis van de Real Casa Santa dell’Annunziata aankwamen, dat nog wel in de wijk Pendino lag maar niet ver van de Cippo di Forcella, hielp Angelo Elena weer uit de auto, rende naar binnen om een rolstoel te halen en bracht die naar haar toe, zodat ze niet te moe zou worden. Het Annunziata-complex bestond uit een ziekenhuis en een aangrenzend weeshuis. De kinderen die er opgroeiden werden figli d’ ‘a Madonna genoemd: kinderen van Onze Lieve-Vrouw.
De bevalling verliep zonder al te veel problemen, de nonnen en verpleegsters waren vriendelijk en de kleine schreeuwde en krijste meteen zijn nieuwe longen schor. Angelo stond voor het raam en rookte de ene sigaret na de andere; hij hield zijn hoed stevig op zijn hoofd geklemd, alsof die elk moment zou kunnen wegvliegen. Na de geboorte vond Elena de kracht om de baby persoonlijk naar het vondelingenrad te dragen, een paar gangen verderop. Ze legde een witte handdoek in het houten vak, en legde de pasgeborene op de handdoek. Ze aaide hem over zijn voorhoofd en draaide aan het rad. De baby werd Carlo Fraccari genoemd, naar de directeur van het ziekenhuis, en dat zou drie jaar zo blijven.
Het stel keerde terug naar Marano toen de zon hoog stond en de zomer officieel begon. Er waren vrijwel alleen maar akkers en boeren in het dorp, de economie draaide er vooral om de landbouw. De familie Orlando had een houtzagerij en vlocht al generaties lang boodschappentassen en manden voor fruit, waardoor ze Mastroni werden genoemd, meestervlechters. Angelo voelde echter dat hij een geboren politicus was en dat hij van Marano een echte stad wilde maken, en daarom was hij vaak van huis weg. Hij bracht zijn dagen door op bijeenkomsten in Napels en Rome. Als het nodig was, reisde hij naar Florence en Bologna, en daarna kwam hij weer naar huis. Toen hij en zijn vader Gaetano het erover eens waren dat de tijd rijp was, trouwde Angelo met Elena en gingen ze samen terug om het kind te halen, zoals beloofd. Het kind luisterde inmiddels naar de naam Carlo, dus besloot Angelo die naam te houden en die van zijn vader eraan toe te voegen. Na drie jaar in een soort voorgeborchte werd het kind nu eindelijk naar Marano gebracht, en zo werd Carlo Gaetano voor de tweede keer geboren, zodat zelfs de sterren en de wetten der natuur beseften hoe abnormaal bijzonder dat kind was.
Van Angelo zou hij de ondernemingszin en de motivatie om Marano te leiden erven. Het enige wat Carlo Gaetano daarentegen van zijn moeder zou weten te behouden, was haar naam, die hij aan zijn eerste dochter zou geven.
De naam Bastimento hoorde ik voor het eerst als kind, uitgesproken door mijn oma, die bijna even oud was als Tanino – Gaetano was een naam die alleen bij formele gelegenheden werd gebruikt – en die niet in Marano was opgegroeid, maar er sinds haar huwelijk de rest van haar leven had doorgebracht. Het was een nieuw woord voor mij en, zoals dat vaak gaat, viel me vanaf dat moment telkens als ik het hoorde op hoe het werd uitgesproken. Jaren later vertelde Bruno me waar die contranome of ‘tegennaam’ vandaan kwam. Bruno is de tweede zoon van Tanino en ook de tweede persoon ter wereld die het meest van hem hield. Hij vertelde me dat Tanino als kind ‘een hoop streken’ uithaalde in Marano en dat iedereen hem op zijn achtste al kende, onder andere omdat hij een geboren Mastrone was, waardoor er grote dingen of grote ellende van hem werden verwacht. Hij speelde niet met de andere kinderen, hij trommelde ze alleen maar op om met veel kabaal door te straten te rennen of om sigaretten en kleingeld van hun ouders te stelen.
Toen had kennelijk een herder die hem goed kende hem op een zondagochtend alleen over de velden zien rondzwerven, terwijl alle andere kinderen en ook zijn familie na de mis bij de parochie van San Castrese stonden te kletsen. De herder zei tegen hem: ‘Tanì, je lijkt sprekend op Bastimento,’ waarbij hij naar een van zijn jongere bokjes wees. Hij vertelde dat Bastimento nogal druk was en veel last veroorzaakte, dat hij niet met de andere geiten at maar in zijn eentje de steilste hellingen beklom om te gaan grazen waar hij zelf wilde. Sindsdien was die naam aan Tanino blijven kleven. Dit heeft Bruno me niet verteld, maar ik denk dat Tanino niets liever wilde dan een eigen naam krijgen, een naam die alleen hem aanduidde en niemand anders. Tanino was vanaf dat moment geen Mastrone meer, en dat zouden zijn kinderen ook niet zijn. Iedereen die hier is opgegroeid weet dat een contranome niet zomaar een bijnaam is: het is in het dorp de aanduiding van die persoon en de hele tak van zijn familie. Je wordt één keer zo genoemd, voor de grap, en voor je het weet zit je voortaan met die naam opgescheept. Hoe krachtiger de contranome, hoe langer die standhoudt in de loop der tijd en door de generaties heen. Toen ik eenmaal snapte hoe het zat, leek het me merkwaardig dat het een achtjarig jongetje als Tanino was gelukt om in één keer zo’n sterke contranome als die van zijn vader van zich af te schudden.
Bruno moest lachen toen hij vertelde dat Tanino volgens hem maar één passie in het leven had: seks. Hij zei dat hij alleen maar een camorrista was geworden voor de vrouwtjes. Ik hou ook van neuken, zei Bruno, maar Bastimento was echt niet normaal. Toen Bruno halverwege de jaren tachtig zijn eerste baardgroei kreeg, nam Tanino hem steeds vaker mee als hij naar een belangrijke bijeenkomst of receptie moest. Bastimento’s favoriete evenementen waren missverkiezingen: Miss Campania, Miss Italia, Miss Venere, Girl New Image en ga zo maar door. Hij sloeg er geen enkele over. En dat wisten ze in Napels en omstreken, dus werd hij soms als jurylid gevraagd, of nog veel vaker als juryvoorzitter. Meestal zat Bruno dan naast hem, terwijl hij toekeek hoe de meisjes in bikini paradeerden en zijn vader telkens luid applaudisseerde. Nadat hij de winnares had bekendgemaakt en haar persoonlijk een bos rozen had overhandigd op het podium, knikte Tanino tussen het geflits en de handdrukken door naar Bruno, en dan ging hij met het meisje mee naar de kleedkamers. Zodra zijn zoon oud genoeg was, maakte Tanino er een gewoonte van om hem na de prijsuitreiking voor te stellen aan de deelneemster die als tweede was geëindigd. ‘Nu ben je een echte man,’ zei hij en vroeg de deelneemster om bevestiging: ‘Ja toch, hij is nu toch een man?’
Daarna liet Bruno me wat foto’s zien die hij had meegebracht. Op een daarvan staat Tanino, rond de zestig, tussen vijf finalistes van Miss Campania. Hij draagt een zwart pak, een wit overhemd en een rood-gouden regimentsdas. Zijn dunne haar is strak naar achteren gekamd, nog steeds koppig donker. Tanino’s ogen zijn niet te zien, zoals op alle foto’s van hem vanaf een gegeven moment, maar gaan schuil achter een bijna zwarte Carrera-zonnebril. Zijn zelfvoldane grijns daarentegen is wel duidelijk te zien. Hij heeft zijn armen om de heupen van twee meiden geslagen, een blondine en een roodharige, en zijn handen klemmen die jonge lichamen vast; en zo te zien was dat alles wat hij nodig had. Wat me meteen opviel toen ik die foto bekeek, is dat Tanino de kleinste van dat groepje is, al weet ik dat niemand zich daarvan bewust was op het moment dat de foto werd genomen.
Er is nog een man die altijd bij Tanino en Bruno was op die avonden, alleen staat hij nooit op foto’s van de prijsuitreikingen. Hij heette Antonio Russo en was Bastimento’s rechterhand en chauffeur. Ze waren ongeveer even oud, maar Russo was veel soberder, zo iemand die je niet opmerkt. Hij had een dikke snor, stelde weinig vragen en was betrouwbaar. Soms bleef hij thuis bij Ada en de kinderen als Tanino aan het werk was in Marano, en in de loop der jaren had hij Bruno en zijn broers leren autorijden. De reden dat Bastimento een chauffeur had was niet uit aanstellerij of omdat hij niet kon autorijden; het was vanwege Artikel 1. Het is een oude tuchtprocedure en voor zover ik heb begrepen was het een label dat door de politie werd toegekend aan voormalige criminelen of mensen die in de gaten moesten worden gehouden. In principe verloor je met Artikel 1 onder andere levenslang de mogelijkheid om je rijbewijs te halen. Tanino kreeg dat label in 1974, maar het leek erop dat het niet door één specifieke gebeurtenis kwam. In de jaren zeventig was hij vooral bezig met het stichten van een gezin, het krijgen van kinderen en het weer wennen aan zonlicht, dat nog steeds te veel pijn deed aan zijn ogen. Naarmate hij ouder en wijzer werd, was hij ervan overtuigd geraakt dat hij het heel goed zou doen in de politiek als hij de kans zou krijgen. Het zat hem immers in het bloed, ook al verschilden zijn opvattingen van die van zijn vader. Helaas had hij zijn kans op een carrière in het parlement al jaren eerder onherroepelijk verspeeld en bovendien hield Artikel 1 ook in dat je je stemrecht kwijtraakte. En dat was maar goed ook. Bruno was degene die parlementslid zou worden. Tanino zei altijd dat het van essentieel belang was om in Rome een Orlando te hebben, en zijn tweede zoon was de uitverkorene. Zelf had Tanino in ieder geval nog het genoegen om te kunnen stemmen op de mooiste vrouwen van Napels en omstreken.