HET STATION
Klokslag middernacht braakt een aftandse boemeltrein aan de rand van de Stad de enige bezoekster uit: een tengere vrouw, gehuld in een zwarte waterdichte mantel van wie het silhouet in de petroleumduisternis contrasteert met de pijnlijk witte sneeuw die de omgeving opslokt. ze knikt de conducteur nauwelijks zichtbaar gedag en sleept haar broze, vermoeide lichaam richting het stationsgebouw. Hoewel ze het station ruim zeven jaar niet gezien had, spreekt het haar toe met de vertrouwdheid van een oude vriend. Net als wanneer je na een lange slaap begroet wordt door je eigen spiegelbeeld. Ze kent iedere barst in de muren, elke ontbrekende straatsteen en ieder opschrift, gekerfd in de oude houten bankjes in de koude wachtruimte. De stokoude klok die bij elke minuut een paar seconden achterloopt, gonst luid door de lege ruimte. De arbeiders die steeds bleker worden, dansen triomfantelijk in de koepel van het plafond. Alsof er niks veranderd is. Ze buigt haar hoofd deemoedig naar de bruin-witte tegels en vult haar longen met de nog altijd vochtige lucht met een zweem van koffie, sigaretten en doordringend schoonmaakmiddel. Vanuit een naamloos café op de hoek van de wachtruimte komen gedempte klanken van rockhits, overstemd door een zinloze ruzie en hikkend vrouwelijk gelach dat grenst aan wanhopig gejammer. Al deze dagelijkse, onderdrukte emoties die van aangeschoten mensen overlopen als schuim in een glas bier, wekken diep begraven herinneringen in haar op. Ze stapt het café vol met rook als in een droom binnen en met bevende stem bestelt ze een wodka en zwarte koffie.
Het was precies aan deze hoektafel met de wankele poot, ondersteund door drie bierviltjes, waar ze samen met Roman zat voor haar definitieve vertrek. Ze renden rechtstreeks van de diploma-uitreiking naar het station, gekleed in nette grote-mensen kleding die contrasteerde met haar feloranje aftandse rolkoffer. Er stroomden bittere zweetdruppels van hun slapen, veroorzaakt door de sterke zonnestralen. Ze kwamen net op tijd aan bij het immer halfdonkere stationscafé voor een snel biertje en een sigaret. In plaats van alcohol zoals verwacht, bestelde Roman voor zichzelf frisdrank, frunnikte nerveus aan zijn bierviltje en luisterde sprakeloos naar haar enthousiaste verhalen over werk in Australië en haar plannen om uiteindelijk een reis door heel Zuidoost-Azië te maken. Het was de eerste zomer ooit die ze niet samen zouden doorbrengen. Het meisje zal zo op de trein stappen en uit Romans leven verdwijnen. Natuurlijk zullen ze elkaar in het vervolg nog schrijven. Ze zullen elkaar foto’s sturen, maar niks blijft als daarvoor. Hun levens zullen onherkenbaar veranderen.
Terwijl deze verandering voor het meisje surfen op zandstranden, het ontdekken van tot nu toe nog niet geziene diersoorten en het proeven van exotische gerechten beloofde, stelde Roman zich een koude kamer in een studentenhuis voor in een vreemde, overbevolkte stad, lange doorwaakte nachten al lezend in een groot anatomisch woordenboek, bijbaantjes, leningen en het verlangen naar een zorgeloosheid die je als volwassene nooit meer terugkrijgt. Verplichtingen en verantwoordelijkheid suisden door zijn hoofd. Somber dronk hij wat van zijn frisdrank en nam een sigaret van het meisje aan waar hij normaal gesproken zijn neus voor zou ophalen, als voor een onnodige nagel voor je doodskist. Maar nu verlangde hij echter wanhopig naar iedere onnodige nagel voor zijn doodskist. Hij wou dat hij van deze sigaret kon overgeven en doodgaan, zo stelde hij het zich voor toen hij de doordringende rook tot diep in zijn longen inhaleerde en probeerde om elk detail van het gezicht van het meisje in zijn geheugen op te slaan. Hij genoot van de sprankeling in haar katachtige ogen, die nog precies hetzelfde was als toen ze hem op hun zesde probeerde te overtuigen om samen in de vijf meter hoge dennenboom voor hun flat te klimmen, of toen ze hem op hun dertiende over een punkconcert vertelde waar ze die vrijdag stiekem naartoe wilde gaan, ondanks het verbod van haar ouders.Haar dikke, rossige haren staken wild uit aan de voorkant, alsof ze het nog geen minuut volhielden om netjes in de serieuze knot te blijven zitten die ze ‘s ochtends bij wijze van uitzondering had opgestoken. Als je er tegen het licht in keek, leek het net een aureool. Haar sproeterige neus was zoals altijd een beetje gezwollen en rood. Roman wist niet of dat kwam door de zon, vorst of opwinding, maar goed, zo herinnerde hij zich haar neus altijd al. Hij vond hem niet echt lelijk noch mooi. Haar neus gloeide gewoon rood op de gebruikelijke plek. Misschien vroeg hij brutaal om aandacht, net als haar hele wezen. Met brutaal plezier blies ze leven in iedere porie. In de zware rolkoffer bewaarde ze de belofte van een opwindende toekomst.
Ze sprak met bewondering over treinen en vogels alsof ze met elkaar verbonden waren; die onvermoeibare reizigers die bovenmenselijke afstanden afleggen, die broze ontdekkers die met volle teugen van het leven genieten. Ze sprak over treinen, vogels en Australië, terwijl Roman sprakeloos af en toe een slokje van zijn frisdrank nam. Ze rookte onnodig veel en sloeg het goudgele nat achterover, niet in staat de aanwezigheid van haar enige levenslange vriend ten volle te waarderen. Natuurlijk zal ze hem missen, ze zal hem verdomd veel missen, maar ze probeerde zich zo min mogelijk met deze gedachte bezig te houden.
Ze rookte onnodig veel, sloeg haar bier achterover en had het over treinen, vogels en Australië. Dat was beter dan onnodig ontroerd te raken door het afscheid. Ze zullen elkaar immers schrijven. Misschien zou hij volgende zomer zelfs het vliegtuig kunnen pakken om haar op te zoeken. Vooral geen onnodige ontroering. Ze drukte een zachte kus op zijn bleek geworden wang, sloeg het laatste restje bier achterover en met een nonchalante glimlach zwaaide ze even naar de jongen.
Toen ze met haar feloranje koffer de steile treden van de sneltrein naar Praag opklom, voelde ze zich net een filmster. Een jonge geëmancipeerde vrouw die onderweg is naar haar droom. De Australische kangoeroes, spinnen en slangen, pas maar op, wilde ze schreeuwen en met een bonkend hart richtte ze al haar aandacht op de opwindende beelden van het verafgelegen, ondersteboven liggende land dat binnen enkele dagen haar nieuwe toevluchtsoord zou worden, terwijl de enige Stad, en de mensen die er daadwerkelijk toe doen, achter de ramen verdwenen.
Roman bleef aan de wankele hoektafel zitten en goot de rest van zijn frisdrank met onzekere en langzame bewegingen naar binnen. Hij had het gevoel alsof hij in plaats van dit zoete goedje asfalt aan het drinken was. De opwekkend groene tafelkleden veranderden van kleur, naar het grijs van duivenveren. De heldere lucht werd vertroebeld door de dichte zwarte vliegas. Hoewel het zweet er bij de stamgasten aan de naburige tafels van afdroop, werd de jongen overspoeld door een Spitsbergse kou.De popliedjes van de radio waren in een requiem veranderd. Het was alsof op het moment dat hij de feloranje koffer uit het oog was verloren, alle vrolijke kleuren de wereld hadden verlaten. Alsof de wereld in een grimmige zwart-witfilm veranderd was.
Hij bleef tot sluitingstijd in het stationscafé zitten. Hij nipte langzaam van het asfalt en probeerde zijn hoofd zo zorgvuldig mogelijk te vullen met fragmenten van de gesprekken die enigszins aangeschoten van de naburige tafels stroomden om de razende kreten in de diepten van zijn onbewuste ten minste eventjes tot zwijgen te brengen. Daarna koos hij een van de meest dronken meisjes uit en bood verlegen aan of hij haar naar huis moest brengen. Ze wierp een blik op zijn bleke, bebrilde gezicht dat overheerst werd door de donkere, wazige pupillen van zijn bijziende ogen, verzonken onder kraters van paarsachtige wallen, en zijn onnodig grote lippen die hij van de zenuwen vaak onbewust als een karper tuitte. Het gezicht van de jongen wekte meestal geen vlugge oplaaiende hartstochten op bij anderen, maar hij had iets ongedwongens en aardigs over zich, wat al bij een eerste ontmoeting gevoelens van sympathie en vertrouwen bij anderen kon opwekken. Misschien stemde ook daarom die verwarde, aangeschoten dame in met het ongebruikelijke aanbod van de onbekende jongeman en ze vond het goed dat hij haar bij de hand vasthield naar de nieuwbouwwijk aan de andere kant van de Stad, een uur zwalken van het station. Meer was er tussen hen niet gebeurd, schreef Roman de week daarop in zijn eerste bericht aan het meisje. Hij had alleen de hele tijd de hete, bezwete hand van deze broze dronken dame vastgehouden en hoopte dat ze de tranen die hij al enkele minuten in zijn ogen had, niet op zou merken. Hij voelde zich zo verdomd verdrietig over alles. Hij voelde zich verstikt door verdriet om deze armoedige, kleurloze Stad die alle echt levenden bij de eerste de beste gelegenheid hadden verlaten en die uit iedereen die het waagde nog even te blijven de laatste restjes leven zoog. Hij voelde zich verdrietig om deze goedgelovige, aangeschoten dame die, in afwachting van wie weet wat, dankbaar aanvaarde dat hij haar naar huis bracht.
Hij dacht aan de oranje koffer die met een onvoorstelbare snelheid twaalfduizend meter boven de grond over heel Europa, het Midden-Oosten en Zuidoost-Azië helemaal naar Sydney vloog en zijn stem bleef gevangen in zijn keel steken, als een scherpe vissengraat. Als deze wijk door een zondvloed getroffen zou worden, zou dit ons allen enkel ten goede zijn, zou hij tegen de dame gezegd hebben, maar overmand door verdriet, kon hij niks uitbrengen en slikte enkel lucht in. Zou het water ons maar overspoelen en wij voor altijd gevangen blijven in de flatgebouwen als vissen in een aquarium, spookte er door zijn hoofd, terwijl hij een sigaret van de dame aannam en haar klungelige kussen tevergeefs probeerde te ontwijken.
Een week later probeerde hij zijn gevoelens met een luchtige en grappige toon aan het meisje te beschrijven zoals het hoort als je brieven naar verre landen schrijft, maar er was helemaal niks om over te lachen. Met tranen in zijn ogen dwaalde hij tot de ochtend rond door de Stad, bietste sigaretten van willekeurige voorbijgangers, trapte tegen vuilnisbakken, etalages, telefooncellen en dacht al lang niet meer aan waar hij naartoe ging en waarom eigenlijk. De enige gedachte die onophoudelijk in zijn hoofd resoneerde, was van mensen overspoeld in flatgebouwen als vissen in een vissenkom en dit idee gaf hem rust, als een soort verdoving.
Van jongs af aan hield hij al van zwemmen, als een snoek in het water, verdwijnen onder het oppervlak en, al was het maar voor eventjes, de drukte niet waarnemen die over het buitenzwembad heerste als een luide reclamejingle. Hij genoot ervan om het breken van de zonnestralen onder het wateroppervlak te observeren en zich voor te stellen dat het portalen naar parallelle Steden waren, waar mensen rustiger leefden; evenwichtigere levens waar niemand de dringende behoefte voelt om uit wanhoop tot in de kleine uurtjes te drinken in een rokerige stationscafé en waar asgrauwe nieuwbouwwijken opleven met volgroeide en geurende bomen die tot bloei komen onder het zorgeloze vogelgezang.
Andere keren richtte hij zijn aandacht op de bonte bikini’s van meisjes, die onder de druk van het water opbolden en begon schuldbewust te beven elke keer dat het hem gegund was om net wat meer te zien te krijgen dan voor zijn ogen bestemd was. Hij kwam enkel met tegenzin het water uit om zich bij zijn beste vriendin te voegen, die zich middagen lang wist te vermaken met het gieten van ijskoud water over nietsvermoedende leeftijdsgenoten, terwijl deze zich halfslapend op de tegels van de zwembadrand lagen en holde vlot weg om zich te verstoppen elke keer dat ze iemand zo kwaad had gemaakt dat die besloot om op te staan, haar kant op te rennen en het bestaan van het meisje te vervloeken met een gepeperde mix van scheldwoorden. Soms gooide iemand haar voor straf het zwembad in, goot water over haar tas waarin een boek uit de bibliotheek zat of trok, voor de ogen van het hele buitenzwembad, haar bikinibroekje naar beneden en zo een blik bood op haar schaamdeel, bedekt met een donker bosje wilde haren, het leek echter niet alsof het ook maar het geringste opvoedkundige effect op het meisje achterliet. De volgende dag stond ze weer klaar met een emmer ijskoud water, want des te groter de emoties die haar gedrag opwekte, des te meer ze zich daarin bevestigd voelde.
Ze stopte pas op haar vijftiende toen ze een sterke belangstelling kreeg voor de aangrenzende biertuin, waar ze het grootste deel van haar zomervakanties doorbracht in het gezelschap van oudere jongens. Terwijl Roman zich in het water voorstelde dat hij een vis werd en verlegen de contouren van de ontluikende vrouwelijke lichamen bestudeerde, leerde het meisje om de sterkte van bier te proeven, sigaretten te inhaleren en tegelijkertijd op wijsneuzige wijze haar mening uit te drukken over alles wat op dat moment het onderwerp van discussie is geworden. Roman gaf nog steeds de voorkeur aan duiken. Als hij zich al even bij het meisje voegde dat bij een groep willekeurige badgasten zat, zei hij in de loop van de middag gewoonlijk niks meer dan een paar noodzakelijke zinnen en met een afwezige lege blik nipte hij wat van zijn lauwe namaakcola. Hoewel hij op school veel beter kon leren dan de anderen en zijn hoofd overliep van een schat aan kennis en onconventionele ideeën, was hij niet in staat om actief deel te nemen aan de discussies in de biertuin. Zodra hij zijn gedachten onder woorden bracht, kregen ze een soort wazige vorm, ongrijpbaar en vluchtig als de rook van een uitdovende sigaret en op anderen hadden ze een afstotende werking. Dat was in ieder geval de indruk die Roman van zichzelf kreeg. En dus bleef hij liever zwijgend zitten, terwijl hij zijn lippen tuitte als een karper en gefascineerd naar de spraakwaterval van het meisje luisterde. Hij begreep niet dat ze zich als vijftienjarige niet schaamde om met iemand zoals hij op te trekken. In de ogen van anderen was hij enkel een lachwekkende, lelijke nerd, het voorgetrokken zoontje van de plaatselijke chef-arts, het bedeesde buitenbeentje dat enkel enthousiast over vissen en duiken kon praten, maar in de ogen van het meisje, belichaamde hij alle belangrijke herinneringen aan hun kindertijd die ze, tot voor kort, samen hadden gedeeld.