Leven in de kartels in vier fragmenten
Aurora, Alexito en Nena zaten op de vroege ochtend aan tafel kleding te verstellen en oefenden ondertussen hun Frans. Nena was stil. Ze leek de laatste tijd amper nog gemotiveerd te zijn. Ze zat vooral op haar kamer en wilde behalve Alexito en haar ouders niemand zien. Als docenten Alexito bezorgd vroegen naar zijn zusjes plotselinge afwezigheid, zweeg hij.
Opeens werd er op de deur gebonsd. Nena keek met grote ogen op. Tegenwoordig schrok ze van alles. Haar moeder knikte haar geruststellend toe en opende de deur. De mannen kwamen binnen met hun hand op de bobbel aan de zijkant van hun broek.
‘We komen voor Alejandro,’ zei een man met achterovergekamd haar.
Aurora keek Nena en Alexito aan en glimlachte. ‘Komt goed,’ zei ze. Toen knikte ze naar de agenten. ‘Opschieten, verdomme!’ riep een andere agent .
Aurora schrok, haastte zich naar boven en maakte Alejandro wakker. ‘Ze zijn gekomen,’ fluisterde ze. Hij knikte en veegde een traan van haar wang.
‘Niet huilen, ik ben al oud,’ zei hij zacht. Aurora gaf hem zijn overhemd en nette schoenen. Alejandro stak zijn pistool in zijn spijkerbroek. ‘Ze krijgen me niet zomaar,’ mompelde hij.
Bovenaan de trap draaide hij zich nog een keer naar haar om. ‘Sorry voor alles,’ zei hij zacht.
Zijn vrouw schudde haar hoofd, liep naar hem toe en kuste hem op zijn voorhoofd. ‘Je hebt je best gedaan,’ zei ze.
Hij kuste haar op de mond. Toen draaide hij zich om. Langzaam liep hij voor haar uit naar beneden. Daar zag hij alleen de rug van de jonge Nena die aan tafel zat.
‘Staan ze buiten?’ vroeg hij.
Nena draaide zich om.
‘Ze zijn weg,’ zei ze zacht. ‘Alexito is gegaan.’
*
‘Waarom heb jij voor dit werk gekozen?’ vroeg Alexito aan een andere gerekruteerde die naast hem op de koude vloer zat. Het was een tengere jongen met een kuiltje in zijn kin en een rechthoekig brilletje waarachter grote ogen schuilgingen. Alexito en de jongen zaten naast elkaar, al een uur, zwijgend.
‘Una vez que tocaste al diablo, el vendra por ti,’ antwoordde de jongen. Het was een bekend gezegde: als je de duivel eenmaal hebt aangeraakt, komt-ie je halen. ‘We konden de blindedarmoperatie van mijn zus niet betalen. Ik heb toen een keer op wacht gestaan voor dit kartel. Daarmee verdiende ik meer dan mijn vader in een maand verdient,’ vervolgde de jongen. ‘En toen ik eenmaal was begonnen – daarna kon – mocht ik er niet meer uit.’
Hij grijnsde, maar zijn ogen stonden grauw. ‘Voor jongens zoals wij zijn familie en eer meer waard dan het leven zelf.’
Alexito gaf de jongen een klopje op zijn schouder en probeerde ook te grijnzen. ‘Wat is ook de zin van oud worden?’ mompelde hij.
De jongen knikte en gooide een stokje, waar hij net op gebeten had, weg. ‘Precies.’
‘Je bezoeken aan de tandarts worden pijnlijker,’ zei Alexito glimlachend. ‘Je loopt slomer.’
De jongen grinnikte en vervolgde: ‘En de seks wordt slechter.’ Alexito keek naar de jongen die waarschijnlijk nog nooit seks had gehad, net als hij.
Toen ging ineens de schuifdeur open. Een kleine verschijning kwam rustig op hen afgelopen. Hij droeg een zwarte bloes, zwarte broek en laarzen. In één ruk stonden de twee jongens en alle andere om hen heen op.
‘Jongens, welkom, ik ben García, jullie nieuwe leider,’ zei de man die ze kenden uit de kranten. Hij knikte naar Alexito.
‘Ik ga alles voor je oplossen,’ zei hij. Alexito vroeg zich af wat dat alles dan was, maar zei niets.
Praten was voor thuis.
García keek hem aan en zei, alsof hij zijn gedachten raadde: ‘Hier spreken je daden.’ Toen knikte hij naar de jongens. ‘Ook goede,’ zei García. ‘Ik help de armen.’ Hij keek even naar buiten. ‘Maar je moet ons niet verraden.’
Hij reikte met zijn hand naar Alexito’s hoofd. ‘Mooie krullen,’ zei hij zacht. Hij boog zich naar Alexito toe totdat hij met zijn mond vlak voor die van Alexito hing. Hij rook naar sigaren, zweet en knoflook. ‘Ga jij hier lang leven? Ga jij zorgen dat we jouw geliefden met rust laten – ga jij genoeg geld verdienen voor hen allemaal?’
Alexito knikte en keek García aan. ‘Ja.’
García deed een stap naar achteren en keek hem gespeeld verbaasd aan. ‘En hoe dan?’
Alexito ging rechterop staan en probeerde niet met zijn ogen te knipperen. ‘Ik spreek vier talen.’
García grijnsde. Toen liep hij weg. ‘Loop jij maar achter mij aan,’ zei hij toen hij al bijna de deur uit was.
*
‘Dit is slechts een uiting van het neoliberalisme,’ zei García op Alexito’s eerste ‘stagedag’ – zo noemde García het. ‘Wij zijn niet erger dan de Europeanen en de gringo’s. Alles is te koop. Zo werkt de wereld nu.’
Samen rekruteerden ze migranten en kinderen uit arme gezinnen. Meestal kwamen de kinderen zelf. García bood ze een week goed eten in ruil voor een klusje. Soms kwamen ouders, de allerarmsten of psychisch zwakken hun kinderen zelf brengen. De kinderen moesten op de uitkijk staan en waarschuwen voor politie, de FBI of leden van andere kartels. Maar kinderen die weg wilden, mochten niet vertrekken. ‘Eens in het kartel, altijd in het kartel, – dat is de hoofdregel. En het leven in een kartel bloeit kort, net zoals de mooiste bloemen kort bloeien,’ zei García. De kinderen die op een verkeerd moment alarm sloegen, bracht hij eigenhandig met een nekschot om. Alexito had het nog nooit gezien, maar hij wist het, iedereen wist het. Hij probeerde kinderen te waarschuwen. Als iemand diens kind bij hem bracht, stuurde hij ze weer naar huis. Hij zette zelfs twee keer een kind af in een ander dorp en belde de moeder. Hij had ook een laffere oplossing: het ontwijken van García.
En hij probeerde ervoor te zorgen dat hij zich met de onderhandelingen mocht bezighouden waar geen burgers bij betrokken waren. En zo gingen twee weken voorbij. In die twee weken werkte hij voortdurend met militairen, gouverneurs en politieagenten – voor het juiste bedrag kon je ze allemaal overtuigen. Ze hielpen met ‘druk zetten’ (wat ze precies deden wist hij niet, maar kon hij raden: in ieder geval leverde het altijd de juiste producten op voor het juiste bedrag), en vaak werkten ze als oído: een luisterend oor op plekken waar belangrijke informatie verstrekt werd.
Op een dag zei García: ‘Deze week geen onderhandelingen. Jij gaat een paar dagen onze stinkende gast bewaken. Alleen.’
‘Wie dan?’
‘Dat zul je wel zien.’
Alexito moest in z’n eentje voor een geïmproviseerde cel in een van de opslagloodsen zitten. De gevangene, een meisje van een jaar of achttien – zijn leeftijd – met een kapotte broek en een oud T-shirt aan, deed geen poging om te ontsnappen. Ze zat in een kamer met een po, een deken en verder niets. Hij zat in de deuropening.
Elk halfuur keek hij even naar haar. Verder probeerde hij zich te concentreren op het leren van Frans, dat mocht van García. Het moest zelfs, want volgende week moest hij bellen met Ivoorkust en Mali en daar had hij vloeiend Frans voor nodig. Dus Alexito las en las. Hij ging alleen weg om eten en drinken te halen voor hemzelf en het meisje, en deed dan even de deur op slot. Verder spraken ze niet, ze zaten ieder in hun eigen hoek. Als hij naar haar keek, keek het meisje altijd weg. Geen idee hoe haar ogen stonden. Waarschijnlijk krankzinnig. Haar rug was gebogen en het hele vertrek stonk naar haar urine, ook al stond er een po in de hoek van de kamer en was er een enorme wasbak om deze in te legen.
Gedurende de eerste dag kuchte hij een paar keer, maar ze reageerde er niet op.
Nadat hij midden in de nacht wakker was geworden, keek hij het kamertje in. Dit was zijn leven geworden: wakker worden en een meisje gevangenhouden.
Het meisje zat met haar rug naar hem toe, gehurkt. Ze hield haar handen in een kommetje onder haar bekken en ving een beetje urine op. Hij tuurde. Zag hij dit goed? Ja, toch wel. Ze bracht het kommetje omhoog en goot de urine over haar armen. Vervolgens plaste ze weer een beetje, ving het op en smeerde haar benen ermee in. Opeens keek ze naar hem op. Binnen een seconde keek ze schichtig als een kat weer weg, stond op en ging in de andere hoek zitten met haar hoofd op haar armen. Alexito schudde zijn hoofd, ging weer op de bewakersstoel zitten en sloot even zijn ogen. Zijn rug deed pijn.
In zijn droom – de droom die hem steeds weer bezocht – zag hij een kind met het pistool van García tegen zijn hoofd. Het kind gilde. Hij schrok wakker en veegde de tranen uit zijn ogen. Plotseling keek hij in de ogen van de gevangene. Ze zat vlak bij hem. Ze keek hem rustig aan en reikte hem haar beker water aan.
‘Je hebt naar gedroomd,’ zei ze. Haar stem was laag en vriendelijk. ‘Drink.’ Hij twijfelde, veegde nog een traan weg, pakte toen de beker aan en dronk.
Hij keek een tijdje voor zich uit met de mok voor zijn gezicht. Toen keek hij naar haar.
‘Wil je dat ik water en zeep voor je haal?’ fluisterde hij na een tijdje. ‘Ik heb wat extra geld. En ze checken ons tot nu toe niet.’
Ze keek hem met een verbaasde blik aan. Hij keek naar haar en toen naar zijn handen. ‘Die geur, ik zag dat je...’ mompelde hij. ‘Waarom doe je dat?’
Het meisje schudde haar hoofd.
‘Dan raken ze me minder aan,’ antwoordde ze zacht.
Alexito legde zijn hoofd in zijn handen. Een hele tijd keek hij naar de grond. Toen richtte hij zich weer op. ‘Ik ben niet zo,’ mompelde hij.
Ze knikte. Hij keek om zich heen, naar de lege kamer, naar de koude loods achter hem, naar het donkere niets. En toen vertelde hij over zijn moeder, zijn vader en zijn zusje. Die hij beschermde door mee te doen. Naar wie hij weer terugging, ooit – zodra hij zichzelf hier uitgekocht had. Het was een kartellid eens gelukt. En toen begon zij ook te spreken. Eerst heel langzaam, toen steeds iets meer. Over haar geboortedorp in het zuidwesten van Mexico, waar het eten als uit de hemel kwam, de bomen alle kleuren hadden en de mensen zo warm waren: je kon er van huis naar huis gaan zonder ook maar iets op zak te hebben en jezelf jaren in leven houden: de mensen gaven alles weg. En dan de feesten. En de muziek.
Na een uur praten vielen ze beiden in slaap. Hij op zijn stoel, zij op de deken direct naast hem, als een hond. Toen hij wakker werd, scheen de zon door de kleine raampjes het vertrek binnen. Zij sliep nog. Hij deed de deur op slot. Van het geld dat hij op zak had, kocht hij een salade, vitaminepillen, thee, een torta, een handdoek, zeep en een lichtblauwe jurk voor haar. Trots kwam hij ermee aan zetten.
‘Voor als je hier uit bent,’ fluisterde hij en zij glimlachte.
‘Dank je,’ antwoordde ze.
Toen werd hij gebeld.
‘Ramírez vervangt je,’ klonk García’s stem aan de andere kant van de lijn. ‘Jij moet mee als Franse tolk voor het eerste gesprek met Mali. Ze zijn vroeger. Nu. Opschieten.’
Hij stond op en knikte naar haar. ‘Ramírez komt, ik moet gaan.’ Zij knikte ook en glimlachend zei ze: ‘Dank je wel. Voor alles.’
Buiten verwarmde de zon zijn gezicht en in de auto neuriede hij een liedje. Misschien was het kartelleven nog zo slecht niet. Je kon je kracht tonen. Er was ruimte. Je kon betekenisvol zijn.
Die avond hoorde hij dat ze zichzelf had opgehangen in de gevangenenkamer, aan de ceintuur van een lichtblauwe jurk.
*
Alexito kwam thuis bij de eerste zonnestralen van de dag. Zijn moeder zat aangekleed aan tafel op hem te wachten en hij begreep dat ze die nacht en alle nachten daarvoor onafgebroken op hem had gewacht.
‘Het is niks,’ zei hij, en hij ging zitten, pakte haar hand en gaf er een kus op. ‘Mij overkomt helemaal niets. Ik spreek talen. Ik beteken wat voor ze.’ Hij stond op. ‘Ik haal even wat kleding en dan moet ik gaan, ze wachten buiten.’ Hij keek zo normaal mogelijk in zijn moeders ogen die vol tranen schoten. ‘Ze hebben je tot een van hen gemaakt,’ mompelde ze terwijl ze haar zachte hand even tegen zijn wang legde. ‘Hun slaaf.’
Hij pakte haar hand tussen zijn handen. ‘Het is de enige manier. Anders maken ze alles kapot. Jou kapot.’ Hij wilde het luchtig brengen, maar zijn stem klonk schor.
Aurora knikte. ‘Ik zal elke dag een torta voor je bewaren,’ mompelde ze. ‘Voor als je ’s nachts eens langskomt.’ Ze keek hem twee seconden aan. ‘Blijf leven,’ zei ze toen. ‘Leer de taal die je in leven houdt.’
Toen hij het huis verliet, keek hij nog een keer om. Zijn vader, op de trap in zijn pyjama, keek naar de grond. Zijn moeder en zusje keken naar hem. Nena ondersteunde Aurora. Sinds hij Nena voor het laatst had gezien was ze zeker twee centimeter gegroeid en stond ze een beetje gebogen. De tranen op hun wangen en hun liefdevolle blikken waren onverdraaglijk.
‘Alexito, doe het niet,’ fluisterde zijn moeder, ‘we verstoppen je wel.’ Maar het ging allang niet meer om doen of niet doen. Hij had maar één keuze en één keuze was geen keuze.