HOOFDSTUK 1
Ik wil niet veel zeggen, maar volgens mij ging het al mis met Tom Keller toen die twee ooms hem ’s nachts meenamen naar het bos en hem dingen lieten doen die een jongen van negen nog lang niet zou moeten doen. Zijn vader Frank kon het er ook niet mee eens zijn geweest. Of eigenlijk denk ik dat Frank van niks wist, zelfs al zat hij in die tijd nog niet vast.
Maar snel genoeg zou hij het weten, hij zou weten wat wij allemaal zouden weten: Johan en Charles namen dat arme jong tijdens de langste nacht van de winter mee in hun gammele stink-Volvo waaraan ze ijzerdraad tussen de wielen hadden gespannen en waarmee ze met een noodgang over de bevroren bospaden scheurden, en dan lieten ze dat jong, hun bloed, hun neefje, aan het eind van het pad teruglopen om de onthoofde konijnen van de grond te schrapen.
Die twee keken niet eens om. Ze hadden een goed kloothumeur te pakken; de beesten waren briggelig vannacht, er was storm op komst.
De warme damp in de Volvo moet hebben geroken naar shag en zweet, en naar de paar dode hazen, bunzingen en fazanten die ze al afgestroopt op de hoedenplank hadden liggen. In het donker leek het net een kleverige homp vlees van een beest met zes armen en drie staarten. Normaal altijd netjes weggestopt in dichtgeknoopte kussenslopen, maar deze nacht was alles slordig.
Het afstropen hadden ze Tom overdag geleerd. Dat hij de vacht onderaan de poten moest laten zitten, zodat de klanten in het dorp konden zien dat het om een konijn of bunzing ging, en niet om de vermiste kat van de overburen. Dat hij het vel rondom de enkels moest insnijden om het met duim en wijsvinger los te maken en vanaf de poten omhoog te trekken. Dat de rest ook loskwam met nog een snee langs het staartbeen, zonder het vlees te raken – als een binnenstebuiten gekeerde jas.
In het daglicht had Tom het nog aardig snel onder de knie gekregen; onder de asgrauwe maan was het al gauw uitgelopen op een kliederzooi.
Die andere twee staken geen poot uit. Bleven daarbinnen maar naar de beslagen autoruit staren. Zeiden niks. Soms konden Johan en Charles een hele nacht op pad zijn zonder een woord te zeggen dat niet goddomme was. Als er eentje struikelde in een diepe waterplas, was het goddomme. Als een beest wegrende voor ze het kapot konden schieten met de Lee-Enfield die Frank na de oorlog van een Canadees had gekocht: goddomme. En nu ook was het weer goddomme, toen Tom na een kwartier nog niet terug was met de onthoofde konijnen.
Charles, de jongste, pakte de Lee-Enfield en de motorkoplamp die ze tot lichtbak hadden omgebouwd, sprong uit de auto en smeet de deur dicht. Zijn grote broer Johan knikte en volgde op zijn gewoonlijke logge tempo.
Ze leken niks op elkaar. Johan had op zijn vijfentwintigste al het gezicht van een kerel die na een leven hard werken alleen nog stil en bitter voor zich uit kon kijken. Een gezicht vol groeven, butsen, schaafwonden en harde, onregelmatige stoppels. Charles was peziger en vijf jaar jonger en had alleen zijn eigenwijze bezemsnor om enigszins volwassen te lijken, alsof hij zijn eigen baas was en niet slechts het jonge schofterige broertje van zijn grootste idool en mentor. Sjarrel noemden ze hem in het dorp, en Sjarrel noemde hij zichzelf, alsof geen Keller een deftige Franse naam als Charles zou mogen dragen en hem ook nog zonder schaamte op een deftige Franse manier zou mogen uitspreken. Hij was een patjakker met lang sliertig haar dat van achter op een vliegengordijn leek; het tegenovergestelde van Johans gemillimeterde hamburgernek. Hoe je wel kon zien dat ze bij elkaar hoorden: diezelfde smerige spijkeroveralls diep in hun laarzen gepropt, donkerblauwe petten, constant binnensmonds gevloek. Zo liepen ze terug over het bospad.
Bijna werd het al licht. En met het licht zou de jachtopziener komen en met de opziener ook de politie als er maar een klein vermoeden was dat ze weer met de Volvo aan het klooien waren geweest. De vastgezogen klont modder aan hun laarzen werd met elke pas groter en zwaarder. Frank zou hen vermoorden als ze terugkwamen zonder Tom. O, had ’ie ze evengoed maar de nek omgedraaid, dan was dat alles geweest en dan was iedereen dat hele drama later bespaard gebleven. Maar ze vonden hem, in het felle licht van de motorkoplamp, tussen de distels en de brandnetels aan de rand van het pad, bibberend en jankend zoals je een jongen van negen in zo’n situatie verwacht aan te treffen.
Johan zag de trillende jongensbenen uit het hoge onkruid steken en na een paar grote passen keek hij neer op Tom, die op zijn buik lag en samen met een konijn met zijn hand vastzat in een wildstrik. Het konijn, middelgroot met een bleke vaalwitte vacht, was halfdood. Het bewoog nog zwakjes en zijn linkerachterpoot was voor het grootste deel doorgesneden door het ijzerdraad.
Of Tom hem had willen bevrijden of van zijn pijn wilde verlossen weet geen mens, daar praatte hij nooit over, niet toen hij later die hele familie achter zich had gelaten en al helemaal niet toen hij na zijn ongeluk gedwongen was terug te keren als een hond met hangende poten om vervolgens weer bij hen in te komen wonen, om zich als hond drie keer per dag door hen te laten voeden en verzorgen, om als hond aan het erf gekluisterd te zitten, tot er iemand met hem ging lopen. Maar er was iets met het halfdode konijn in die strik dat anders voelde dan de heeldode konijnen die hij tot dan toe had gezien, iets waardoor hij na deze nacht nooit meer zou meegaan, hoe belangrijk de waardering van die andere twee ook voor hem was.
hoe harder je trekt, hoe strakker het wordt, zei Charles.
Het jong lag er een paar seconden onveranderd bij, trillend op de koude aarde.
Johan greep zijn nijptang uit zijn overall en knipte de strik los, Toms hand schoot terug. Hij klemde hem onder zijn oksel, draaide zich op zijn rug en keek omhoog naar die twee boemannen. Het lukte hem om zijn gejank langzaam te onderdrukken, terug te brengen naar een halfzacht gepiep. Het konijn strompelde over het bospad, sleurde zijn loshangende pootje over een bevroren waterpoel.
Johan greep Toms vrije hand en trok hem overeind. Toen drukte Charles de kolf van de Lee-Enfield in zijn maag en keek hem lang aan met die agressieve ogen, die bloeddoorlopen ogen waarvan de blik nog harder op Toms jongenshoofd in leek te beuken dan het geweer op zijn ingewanden. Tom begon weer te janken.
afmaken. Onwillekeurig keek Charles in de loop van het geweer, wat hem een moment lang van zijn stuk leek te brengen, alsof hij zijn eigen dood kon zien. Het maakte hem alleen maar kwader. Nogmaals stootte hij de kolf in de maag van zijn neefje.
Tom viel naar achter, in de distels, maar werkte zich gauw weer overeind. Het gejank stopte. Hij pakte de Lee-Enfield en bracht hem omhoog, probeerde zo weinig mogelijk te trillen terwijl hij de loop in de richting van het konijn bracht. Het was al bijzonder ver gekropen, een vechtertje. Tom piepte zachtjes.
maak goddomme af dan. Charles knipte de koplamp uit. Het eerste ochtendlicht scheen al door de kale boomtakken.
Het licht maakte alles grijs – de distels, het dunne ijs op de waterplassen, het lange bospad, de eindeloze weiden achter de bomen, verre elzensingels en struweelhagen, ze werden allemaal uitzichtloos en hopeloos grijs, vooral die drie en het strompelende konijn, die elkaar daar uitzichtloos en hopeloos in een patstelling aan stonden te staren: de oudste vooral ongeduldig, de middelste agressief als een lange hond, en de jongste alleen maar doodsbang.
En alles bij elkaar was dit het moment, ik weet het zeker en iedereen waaraan Johan het hele verhaal die week op de motocross vertelde kon het ook weten, maar dit was het moment waarop dat jong vervloekt werd. Tom keek Charles nog eens aan met zijn trieste blauwe ogen, keek weer naar het strompelende konijn en deed ten slotte zijn ogen dicht toen het gebeurde.
Voor het eerst in zijn leven schoot Tom Keller iets dood met een groot geweer.
FRAGMENT HOOFDSTUK 3
Hij werd niet geboren op een motor. Mensen zeggen dat graag, dat soort dingen, vanwege de krantenkoppen en de prijzen en de grote beloften die allemaal uit hadden kunnen komen als hij niet plotseling als gezonde veelbelovende vierentwintigjarige jongen in het ongeluk werd gestort. Geboren op een motor. Maar zo ging het niet. Over de geboorte van Tom werd door de Kellers alleen maar gezwegen en door de rest van ons alleen maar gefluisterd.
Het hele dorp lispelde wetenswaardigheden. Van deur tot deur, op straat, in de winkel, zo voorzichtig dat het leek of het de wind en de ritselende boomblaadjes waren die stemmen hadden gekregen en geruchten smiespelden. Over die ongelukkige avond die gelukkig had moeten worden. Over de donkere onverwarmde kamer met die zes levende wezens die er die avond zeven hadden moeten worden.
Het bleven er zes. Vier van hen met dat onmiskenbare gezicht, dat gezicht met die pitbullogen die net iets te ver uit elkaar stonden, het onvermurwbare gezicht dat wij hier allemaal het Kellergezicht waren gaan noemen, al was het ooit een Banninkgezicht geweest dat de broers Frank en Johan en Charles bij hun geboorte hadden geërfd van hun moeder Netta, maar dat net als Netta Bannink zelf al Kellereigendom was geworden op de dag zij introuwde, op de ongelukkige dag dat ze haar hele identiteit inclusief dat gezicht had laten absorberen door dat geslacht. In die kamer was het haar gezicht in vier verschillende hoofden dat rondom een bed vol ijzeren kruiken vier keer met samengeperste lippen toekeek hoe pastoor Lubbelink zijn best deed om de schreeuwende vrouw in het bed in leven te houden terwijl ze zelf leven creëerde.
Aanvankelijk begeleidde Netta de bevalling zelf. Dat moet ze zo hebben geëist. Als Netta Bannink had ze een enkele keer provisorisch als vroedvrouw gefigureerd; als Netta Keller vond ze dat gegeven ondanks het gebrek aan diploma of actuele kennis genoeg om het geboorteritueel van haar kleinkind binnen haar eigen clan te houden. Toen het mis ging wist ze niemand anders om hulp te vragen dan haar pastoor.
De Martinuskerk had al jaren geen eucharistieviering gezien zonder dat Netta erbij was. Rechts achterin, zwaar opgemaakt, pitbullogen stoïcijns gericht op het priesterkoor en de charismatische man die erop stond te prediken, met haar kleine lichaam stijf en roerloos op de harde houten bank; ongeacht of de rest van de kerk nou gehoorzaam stond of knielde of naar voren kwam voor de communie. Ze prevelde de hele mis mee, van Psalm 56 tot de obligate weesgegroetjes, maar ze bleef erbij zitten, de hele viering, iedere week, alleen op een bank die verder leeg bleef.
Haar bank bleef leeg ook al was de kerk afgeladen vol.
Haar bank bleef leeg ook al moesten er mensen in het middenpad staan.
Normaal gesproken laat je een ziekenwagen komen wanneer je schoondochter op het punt staat dood te bloeden – Netta liet de enige persoon komen die ze in een volle kerk durfde te vertrouwen.
Over de schoondochter (Franks vrouw, Toms moeder die nooit Toms moeder zou worden) wisten we dat ze een Duitse was – uit de Pruus, zou mijn eigen moeder zeggen als ze nog bij ons was. Ze was ouder dan Frank, ook dat wisten we. Maar niemand wist hoe hij aan haar was gekomen, niemand had haar ooit gezien behalve de pastoor en zelfs hij zag haar slechts twee keer. Eerst toen hij hun huwelijk voltrok op een maandagavond waarop de kerk zo leeg was dat hij niet eens de moeite had genomen om voor meer verlichting te zorgen dan een paar kaarsen op het marmeren altaar, zodat zij daar met zijn zessen (wederom die zes: pastoor Lubbelink zelf; Netta; Charles (toen nog een tienjarig duivelskind); Johan en Frank (amper kind-af); en de Duitse) die heilige onheilige verbintenis moesten vieren in het midden van het gapende donker, ongewis, blind vertrouwend op een toekomst die nooit verder zou strekken dan de reikwijdte van het flakkerende kaarslicht.
De tweede keer dat de pastoor haar zag was een halfjaar later, de nacht dat Tom Keller in die onverwarmde kamer ter wereld kwam terwijl zijn moeder diezelfde wereld verliet. Lubbelink kon er niks aan veranderen. Het gebeurde in een bonk, een van de ijzeren bedkruiken die op de houten vloer lazerde, Franks Kellerogen die een moment volgden hoe hij over de planken rolde. Tegen de tijd dat hij weer naar het bed keek was het al gebeurd. Een bonk, zoals die dingen altijd gaan. Tom was geboren, maar de kamer telde nog steeds niet meer dan zes levende wezens.