Die laatste nacht blijk ik te groot geworden voor mijn kinderbed: mijn ledematen hangen over de bedrand, schuren met elke draai tegen een met plastic bekleed tv-meubel en doorzichtige zakken reservedekbedden aan; mijn oude kamer is tegenwoordig de berging van mijn ouders. Ik kan niet slapen; mijn vader wil na al die jaren de verwarming nog steeds niet aanzetten, nooit, tijdens geen enkel seizoen. Slierten kou wurgen eerst mijn kleine tenen, dan de grote. Ik stap uit bed en hink over de vloer, van de ene voet op de andere, door de gang, naar de slaapkamer van mijn ouders.
‘Blijf niet nog even praten, fa?’ vraagt mijn moeder wanneer ze me ziet, half in het Nederlands, half in het Wenzhouhua, ons Chinese dialect. Ik ga aan het einde van haar bed zitten. We pakken er zoals vaker een paar oude fotoalbums bij, bekijken de foto’s van vroeger en we lachen om de grote kapsels van mijn moeder, mijn te korte broek, het smalle, langgerekte gezicht van mijn nog dunne vader, die lange leren roodbruine jas die hij in mijn geboortestad Middelburg droeg en die zij laatst aan mij wilde geven (‘Trek dat eens aan en show het aan papa, wat zal hij trots zijn’), maar net iets te pooierachtig is voor westerse begrippen, een onscherpe foto van mijn moeder die schrikt van iets buiten beeld. We kijken net zo lang tot we er allebei genoeg van hebben om over vroeger na te denken.
De volgende ochtend sluip ik als een verdwaalde in- breker door het huis, op zoek naar iets te eten voor- dat ik terugga naar Amsterdam. Om halfacht was ik al wakker. Mijn vader associeert vroeg opstaan met hard werken, daarom zijn er nooit gordijnen in mijn kinderkamer opgehangen. Tegenwoordig staat hij zelf pas tegen elven op.
Mijn kleren ruiken naar oud frituurvet omdat ik gisteren weer eens heb meegeholpen met het bakken van friet, kipcorns en frikadellen in de oer-Hollandse snackbar die zich onder het huis bevindt, hier in Til- burg. Die bestieren mijn ouders al sinds 1994. Maar dat verandert binnenkort: ze gaan cafetaria De Vriend- schap te koop zetten en van Tilburg naar Rotterdam verhuizen. Zeventig uur per week werken wordt ze te veel, en Rotterdam, met zijn Chinese winkels, leek hun wel wat.
Toen ze het onlangs vertelden, zuchtte ik stiekem van opluchting. De cafetaria van mijn ouders is de plek waar mijn schoenen zich vullen met lood, een plek die puur door de nabijheid van mijn jeugd als een gevangenis voelt, een nachtmerrie gevuld met tweekoppige maskers, te vroeg opstaan, met overleven, op je tenen over koude vloeren sluipen en de kans grijpen om weg te gaan.
Dit is het huis en de snackbar waar ik nooit mezelf kon zijn, dit is de plek waar ik in de kast zat. Het gangetje van de keuken naar de snackbar waar ik van mijn vader leerde dat homo’s ‘vies’ zijn. Dit is de plek waar we door andere Nederlanders werden gezien als ‘die Chinezen van de friettent’. Hier was ik altijd wat ik niet wilde zijn: vies, niet Nederlands. En daarom leerde ik hier me te schamen voor alles wat Chinees en gay was, alles om maar een beetje te zijn zoals de rest. Ik kan niet wachten tot mijn ouders de cafetaria loslaten, het anker binnenhalen en wegvaren.
Mijn moeder verschijnt in de deuropening, in pyjama, en warmt een dikke plak zelfgemaakte hartige koek met bosui en varkensvet voor me op, een specialiteit uit haar thuisstad Wenzhou, ook al ont bijt ik meestal licht. ‘Zuo loe! Chi!’ zegt ze. Zit. Eet.
Deze taferelen komen misschien lieflijk over. Maar de afgelopen vier jaar heb ik mijn ouders maar weinig echt gesproken. Als kroonverlegen boomtoppen praten we langs elkaar heen. Mijn relatie met mijn ouders is als die met mijn mondhygiënist: elke keer als ik er ben voel ik me schuldig, betrapt, wil ik la- ten zien dat ik voor mezelf kan zorgen – maar elke keer worden er toch steeds kleine dingen achter mijn kiezen vandaan geschraapt. Ik hoopte dat ze na mijn coming-out van vier jaar geleden eindelijk tijd zouden maken om mij beter te leren kennen. Maar dat gesprek heeft vooral laten zien hoe groot de afstand tussen ons eigenlijk is.
Mijn ouders hebben jarenlang de huur van mijn studentenkamertje en al mijn opleidingen en school- boeken betaald, teneinde te mogen bepalen waar mijn leven aan moet voldoen volgens hun regels en verwachtingen. Succesvol worden en een heteronormatief leven leiden, bijvoorbeeld. Mijn ouders weten sinds mijn coming-out nu misschien meer wie ik ben, maar niet meer over mij. We laten onuitgesproken dingen tussen ons in hangen, en we staren ernaar. Ze vragen tegenwoordig niet meer of ik een vriendin heb – maar ook niet of er een vriend in mijn leven is.
Ik ontbijt in stilte, geef mijn moeder in stilte een kus en ga in stilte naar het station.
Op Tilburg Centraal komt een Chinese man van rond de zestig me tegemoet. Zijn schouders zijn ge- bogen, zijn rimpels in elkaar gedoken rondom een droge put van lippen. Zijn voeten maken kleine stapjes op een paar oude sportschoenen onder een Adidas-trainingsbroek die hij duidelijk niet heeft gepast in de winkel. Als vanzelf wil ik wegkijken, maar hij is sneller: zijn schichtige blik schiet naar beneden voordat hij me passeert, waardoor ik even tegen zijn kalende kruin aankijk, een spiegelei waarvan de dooier brak in een prachtig plasje geel.
Ik moet denken aan wat Andre Alexander, een zwarte Brit die ik ooit interviewde, me vertelde. Hij woonde in Chengdu, een stad in het midden van China waar destijds maar weinig expats zich vestigden. In Chengdu groette hij iedereen op straat die ook zwart was met een knik: Ik zie je, ik erken je. Maar zelf – macht der gewoonte – negeer ik andere Chinese Nederlanders altijd een beetje, misschien uit angst dat mensen denken dat we bij elkaar horen. Misschien ben ik bang dat hun Chinees-zijn afgeeft wanneer we schouder aan schouder staan.
Andere Chinese Nederlanders zoals ik, opgegroeid in Nederland met Chinese ouders, kende ik in mijn jeugd niet echt. Terwijl er in Nederland volgens het cbs begin 2019 zo’n 100.000 Chinezen van de eerste en tweede generatie wonen, daarmee de op vier na grootste groep niet-westerse migranten in Nederland. Daaronder worden Chinezen uit China (ongeveer 75 procent), Hongkong en Macau (19 procent) en Taiwan (4 procent) gerekend. Naast die 96.600 zijn er ook nog Chinese immigranten (en hun kinderen) uit Indonesië, Suriname, Singapore, Maleisië, Vietnam, Myanmar en Laos. Dat is een niet te missen aantal.
Ook zijn ze hier al langer dan ik dacht. Chinese handelaren uit Zhejiang (de thuisprovincie van mijn ouders) kwamen al aan het einde van de negentiende eeuw via Siberië naar Europa, Chinezen hielpen mee met het aanleggen van loopgraven in Noord-Frankrijk tijdens de Eerste Wereldoorlog, en Moskou, Parijs, Marseille, Liverpool, en Londen waren belangrijke plekken waar zij zich vestigden. In 1911 kwamen goedkope Chinese arbeiders uit vooral Hongkong en omgeving naar Rotterdam om het werk van stakende Nederlandse zeelieden over te nemen. Zij bleven na de beurscrash in 1929 veelal werkloos in Nederland; slechts een paar honderd Chinezen overleefden het hier na de Tweede Wereld- oorlog, dankzij de opkomst van de Chinees-Indische restaurantcombinatie. Het succes van deze formule trok nieuwe Chinezen aan en het aantal eettenten gerund door Chinese migranten explodeerde.
Mijn ouders kwamen mee in de grote migratiegolven van de jaren zeventig en tachtig. Dat was na het einde van het communistische en isolerende regime van Mao Zedong, waarna het land China zich steeds meer openstelde voor de buitenwereld, voor handel en voor migratie. Deze gastarbeiders lieten hun ge zinnen al gauw overkomen. Destijds was het nog heel effectief om ‘gezinshereniging’ als reden voor migratie op te geven.
De meeste Chinese Nederlanders wonen nu in grote steden als Rotterdam, Amsterdam en Den Haag, maar er wonen er ook opvallend veel ver- spreid over het land. Ikzelf groeide op in Middel- burg, verhuisde daarna naar Hoogerheide, en toen naar Tilburg. Buiten mijn familie had ik terwijl ik opgroeide nooit langer dan vijf minuten met een andere Chinese Nederlander gepraat.
In mijn hoofd waren Chinese mannen bebrilde, dikke zakenmannetjes in knellende krijtstreeppak ken, die op straat met een rekenmachine in de ene hand en een stapel papiergeld in de andere hardop bedragen in mobieltjes roepen in het Mandarijn-Chinees – niet in het Nederlands. Vrouwen waren geishatypes die ‘ja’ knikken op alles en dan een buiging maken om aan te geven hoe onderdanig ze wel niet zijn, terwijl ze een bord rijst met hond serveren. Of ze waren juist tiger moms: strenge Aziatische moeders die met pantoffels in de hand klaarstaan om hun kinderen om de oren te meppen terwijl die de grammaticaregels van een van de Zoeloetalen uit hun hoofd leren, pianospelen en iedereen schaakmat zet ten; liefst alle drie tegelijkertijd.
En het ergste is: wanneer je zoals ik in een gezel- schap regelmatig de enige van iets bent (in mijn geval soms ‘Chinees’, soms ‘homo’, soms ‘laconieke zeur’), dan word je automatisch de woordvoerder van dat ‘iets’. Er wordt altijd naar mij gekeken wanneer het gaat over bijvoorbeeld Chinese restaurants of gerechten of reizen naar China, omdat anderen een bepaald beeld van mij hebben. Zoals mijn moeder een keer half spottend, half trots tegen me zei: je kunt je nog zo westers voelen vanbinnen, voor de buitenwereld blijf je een Chinees. Voor altijd ‘geel’ vanbuiten en ‘wit’ vanbinnen. Een banaan dus.
Ik weet dat dit soort (geïnternaliseerde) stereotypische gedachten schadelijk kunnen zijn. Ze zorgen voor discriminatie, maken dat ik me voor dat deel van mezelf schaam, en dat ik dus bij Chinezen uit de buurt blijf. Zo blijf ik me niet alleen in mijn ouderlijk huis een verdwaalde inbreker voelen, maar in de hele Chinees-Nederlandse gemeenschap.
Waarom zou ik moeten leven met deze schaamte? Ik heb mijn hele leven een dubbelleven gehad: eentje waarin ik zo ‘Nederlands’ mogelijk meedeed met klasgenoten, met ze luisterde naar westerse popmuziek en meefeestte, en eentje bij mijn ouders thuis, waar ik ‘rare’ gerechten met kwal of zeekomkommer at en urenlang meehielp met satésaus maken en loempia’s rollen; een leven waar niemand van buiten-af van afwist.
In de zomer van 2016 schreef ik op verzoek van de Volkskrant een verhaal over hoe mijn moeder en ik samen op reis naar China gingen. Ik was al een halfjaar uit de kast, maar ze probeerde me in Shanghai alsnog te koppelen aan een Chinese vrouw.
Toen het artikel werd gepubliceerd, kreeg ik vele berichten en reacties van andere jonge Chinese Nederlanders, hoog- en laagopgeleiden, hetero’s en homo’s, die me lieten weten dat ze zich begrepen voelden, dat ze de absurde verwachtingen die mijn ouders hadden herkenden, en dat ze eindelijk aan hun ouders konden uitleggen hoe ze zich voelden als kinderen van Chinese migranten. We maken deel uit van een generatie die hier is geboren en opgegroeid, degenen die moeten navigeren tussen twee werelden, twee levens; een waarin we zijn opgegroeid en een die we hebben meegekregen van onze ouders. Door die reacties realiseerde ik me hoeveel ik eigenlijk met een heleboel anderen deelde, dat we elkaar begrepen zonder veel te hoeven uitleggen.
‘Had ik je verhaal maar eerder gelezen, toen ik jong was,’ schreef iemand me. ‘Dan had ik kunnen zien dat ik niet de enige was.’
Ja, dat had ik ook wel gewild, dat er meer artikelen en boeken bestonden over ervaringen waar ik mezelf in had kunnen herkennen, waardoor ik zou leren me niet te schamen voor dat Chinese gedeelte van mezelf. En nu deze gedachten in me zijn opgekomen zijn ze niet meer tegen te houden. Alsof ik dozen heb uitgepakt en de spullen, wanneer ik ze er weer in wil stoppen, er niet meer in passen.
Het is tijd voor de volgende stap, bedenk ik wanneer ik nog één keer omkijk naar die Chinese man op oude sportschoenen. Door de aanstaande verhuizing van mijn ouders uit het huis waar ik ben opgegroeid in schaamte, besef ik dat het dringend tijd wordt om die schaamte af te leren. Het is tijd om te onderzoeken waar die schaamte vandaan komt, in de hoop dat anderen (het kind dat ik zelf ooit was) zich erin herkennen, kunnen voelen dat ze niet alleen zijn.
Ik merk als ‘banaan’, als migrantenkind, als mens maar ook als journalist steeds meer hoe groot de impact is van migratie en van het opgroeien binnen de dominante Hollandse cultuur op mensen is. Ik zie tegelijkertijd ook hoe weinig aandacht er is voor de tweede generatie Nederlanders van Chinese afkomst in de media en de landelijke politiek – zo weinig dat zelfs ik, een Chinese Nederlander, een clichébeeld heb van andere Chinese Nederlanders. Dat moet anders. Ik ken mijn eigen ouders niet zo goed, en weet wat voor gevolgen dat heeft op mijn beeld van andere Chinezen: dat is eendimensionaal. En nu mijn moeder en mijn vader ouder worden (en nu ikzelf ouder word) denk ik steeds vaker, zoals elk kind waarschijnlijk: ik moet bewaren wat ik nog kan bewaren, onthouden wat ik nog kan onthouden, beleven, vasthouden, ondergaan, nu zij en ik nog een leven delen.