5
De eerste auto verdween even na half zes ’s morgens, net voor de ochtendspits. Her en der sprongen lichten aan en kwamen mensen uit hun huizen gelopen. Trams en bussen sleepten zich door de straten. Metro’s denderden voort onder de woonwijken, ongehinderd door obstakels. Of toch zo goed als ongehinderd. Want ook ik woelde onder de oppervlakte.
Het begon met een scheur. Een zebrapad werd uit elkaar geritst, de grond zakte in en het wegdek klapte open. Enkele seconden geleden stond de Peugeot 206 nog netjes aan de kant van de weg geparkeerd; nu lag hij onder in het gat, op zijn zij, alsof hij sliep.
De straat werd afgespannen met linten. Later zou ik van je horen dat sommigen bij het gat waren neergeknield. Een beetje lacherig keken ze naar beneden. Camera’s zoomden in. De ramptoeristen werden aan de kant geroepen door druk gesticulerende gemeentewerkers. Met een kraan takelden ze de auto uit het gat. Omstaanders wezen. Kinderen kirden opgewonden. Anderen werden bang. Waarom keerde de grond zich tegen de stad?
Daarna ging het snel. De bodem opende zich overal. De details kreeg ik later van jou te horen. Een vrachtwagen was met zijn achterste wielen door het Kasteleinplein in Elsene gezakt en bleef daar onwrikbaar vastzitten, zijn besturingscabine in de lucht, zijn laadbak omhelsd door vette aarde. Op het laaggelegen gedeelte van de Chazallaan in Schaarbeek verzwolg een gebarsten rotonde een bestelbusje. Een korte maar erg krachtige beving had een stuk grond weggehapt uit de Kardinaal Mercierstraat in het centrum. Op het Schumanplein, bij het Europees Parlement, zakten twee auto’s door het wegdek. En ook in de Leuvensesteenweg in Sint-Joost-ten-Node was van de ene dag op de andere een rafelige kloof ontstaan. Meer dan honderd buurtbewoners moesten geëvacueerd worden. ‘Stabiliteitsproblemen. U moet uw huis verlaten. Ja, nu.’ Overal in de stad lagen asfaltplaten er verfomfaaid bij, gekreukeld als mijn huid.
Men zocht verwoed naar oorzaken. Rioolpijpen waren opengebarsten, dichtingen hadden het laten afweten, boomwortels waren te diep de bodem in gedrongen. Die gietijzeren negentiende-eeuwse waterleidingen hadden hun beste tijd gehad. Ze waren zo broos dat ze almaar sneller stuksprongen en overal voor lekken zorgden. Het water, dat onder een enorme druk stond, stortte zich in de bodem, die van zichzelf al erg drassig was. De grond onder de lanen spoelde weg, de funderingen verbrokkelden, straten stuikten in elkaar.
Later zou je me vertellen over de hetze die de gaten hadden veroorzaakt. Boze burgers kwamen op straat, sociale media vatten vlam. Het bestuur faalde! Waar bleef het beleid? Er moest dringend iets gebeuren aan die verouderde infrastructuur, zo zeiden experts in opiniestukken en talkshowpanels. ‘Die leidingen zitten diep onder de grond. Onze auto’s en bussen rijden daar elke dag overheen. Maar we kunnen onmogelijk zien wat daaronder allemaal aan de gang is. Er zijn zelfs geen kaarten van welke leidingen waar precies onder de grond lopen. Het is een zootje daarbeneden. In de toekomst zullen we steeds vaker met zulke zinkgaten te maken krijgen. Onze rioleringen zijn tikkende tijdbommen geworden.’
Natuurlijk weerklonken er ook andere stemmen. Zinkgaten, maak dat de kat wijs. Al die putten, zo snel na elkaar; waren die echt het gevolg van een paar lekkende rioolpijpen? Dat kon toch niet! Hier was kwaad opzet in het spel. Dit alles moest wel aangestuurd worden door een of andere strak gecoördineerde, internationaal vertakte organisatie. Brussel was een spionnennest. Altijd al geweest. Er viel heel wat informatie te rapen in de stad die naast honderden buitenlandse delegaties ook het navo-hoofdkwartier en de Europese instellingen huisvestte. Geheim agenten werden naar de Belgische hoofdstad getrokken als vliegen naar een afvalberg. Aktetassen met dubbele bodems, ingemetselde afluisterapparatuur: daar keken ze hier allang niet meer van op. Als je een steak bearnaise ging eten in de schaduw van het Berlaymontgebouw, praatte je best je mond niet voorbij. De microfoons zaten overal verstopt – onder tafel, in de lambrisering, tot in de wijnglazen toe. Dat in elke hoek van de stad spionnen krioelden, dat was ondertussen wel duidelijk. Dit was Brussel, weet je wel. Maar nu waren die gulzige gaten in de grond erbij gekomen.
Algauw stak de ene na de andere theorie de kop op. De gaten in het wegdek waren het eerste wapenfeit van een groots opgezette samenzwering. ’s Nachts belegden de samenzweerders vergaderingen in de kelder van een kebabzaak – of sushirestaurant! – in Molenbeek of de Europese wijk. Ze leunden over plakkerige tafeltjes, dipten frieten in mayonaise – of sashimi in sojasaus! – en beraamden ondertussen de vreselijkste plannen. Nu waren het nog auto’s, bestelwagens en vrachtwagens die ze in de diepte lieten verdwijnen. Maar wie zei dat ze het daarbij zouden laten? Voor je het wist viel de eerste inwoner van de stad in zo’n gat. En binnenkort zouden hun gaten misschien ook kinderen opslokken. Was die put in Sint-Joost-ten-Node niet op enkele meters van een crèche ontstaan? Maar het kon nog erger. Wat als alle Brusselse gemeenten op een nacht weg zouden zakken in een stadsbreed gat dat het hart van het land in één keer weghapte? Stel je voor: al haar bewoners tegelijkertijd door het donker verzwolgen. Dat kon elk moment gebeuren. Waarom kwam niemand in actie? Het was nog niet te laat. Als iedereen nú wakker werd, konden de samenzweerders misschien nog gestopt worden.
Ik piepte geamuseerd toen je vertelde met welke verklaringen je soortgenoten waren komen aanzetten. De ene theorie was nog meer van de pot gerukt dan de andere. Maar de kern van de verhalen raakte wel aan de waarheid: er borrelde iets onder de oppervlakte. Een donkere energie had zich van de bodem meester gemaakt. De echte reden van de verzakkingen kon men niet achterhalen. De wereld onder de grond bleef onbekend terrein voor de homo sapiens. Men tastte in het duister. Het duister waarin ik dag en nacht wroette.
Natuurlijk had jij wél iets in de smiezen. Of ik hier iets mee te maken had? Jij weet uiteindelijk altijd alles uit me los te krijgen – of toch bijna alles –, dus het heeft geen zin om te ontkennen. Ja, in afwachting van de briefing heb ik enkele acties op eigen initiatief ondernomen. Maar ik dook niet meteen de diepte in. Aanvankelijk beperkte ik me tot enkele bovengrondse verkenningen in de omgeving van het Vaderlandsplein.
Die eerste keer was ik erg bang om de perimeter die ik zo zorgvuldig rond mijn hol had uitgezet te overschrijden. Vooral omdat ik het alleen moest doen. Was zij hier maar bij me geweest. Maar ik wist dat het bestuur het noodzakelijk achtte om de oppervlakte in kaart te brengen – daar was jouw soort per slot van rekening het actiefst. Eerst doorgronden, dan ondergraven. Dus besloot ik om mijn wachtpost op het Vaderlandsplein voor het eerst in maanden te verlaten en de ruimere omgeving te verkennen.
Waar ik naartoe ging? Oké, luister goed. En schrijf alles precies op zoals ik het zeg.
Ik stak mijn neus uit het hol. Ik probeerde me ervan te vergewissen dat de gretige ogen van de camera’s me niet begluurden. Voor zover ik het kon inschatten, leek de kust veilig. Ik verliet het plein en volgde de laan in oostelijke richting, langs het tankstation en de buurtwinkel. Zo ver was ik nog nooit geweest. Ik deed mijn uiterste best om rustig te blijven ademen maar voelde de prikkel van paniek toch steeds weer als een krekel mijn keel in kruipen.
In het midden van de laan reden trams af en aan. Ik liep in de berm, ver genoeg van de rails, aan menselijke ogen onttrokken door opschietend gras en paardenbloemen. De wortels van de Japanse kerselaars duwden het asfalt omhoog. Boven me bloeide hun bladerdek nog niet, maar ik kon hun knoppen al ruiken; ik voelde ze knellen van de voorpret. Nog even en dan zouden ze uitbarsten en deze lanen en hun bewoners gedurende een tiental dagen bedwelmen met hun parfum.
Maar nu walmden me andere geuren tegemoet. De lucht van de vuilnisbakken, het vet van het wegdek en de cocktail aan uitlaatgassen die boven het plein zweefde. Ik verschool me in een grasperkje onder een reclamepaneel en bevoelde de bewegende luchtstromen.
Mijn hoofd sloeg op tilt toen ik het Meiserplein probeerde te omvatten. Ik wist niet waar eerst te snuffelen. De chaos was totaal. In de metalen cocons van hun auto’s schoten je soortgenoten heen en weer. Anderen slalomden op fietsen tussen bussen en bestelwagens die elkaar voortdurend de pas afsneden of waagden zich met ware doodsverachting op de zebrapaden. De ene na de andere tram denderde over de rotonde en dook verderop de tunnels in. Die lokten me met hun open monden, maar ik beheerste me en bleef bovengronds om de bewegingen om me heen te traceren. Langs me haastten hoge mensenbenen zich af en aan. Schoenen in alle vormen en maten, onderaan bedekt met een dikke laag geursporen. De stad plakt aan jullie zolen. En jullie dragen haar met jullie mee, waar jullie ook gaan.
Mijn expedities beperkten zich niet tot bezoekjes aan het Meiserplein. Ik wilde meer. Mijn angst voor de bovenwereld nam af en mijn honger naar informatie werd elke dag groter. Ook jouw soort is van die honger doordrongen. En jij al helemaal, met je verlangen om alles wat ik je vertel te noteren. Op een ochtend zette ik koers naar een plek waar geen auto’s raasden, waar mensen iets rustiger dan elders over de paden leken te lopen. Een tweehonderd jaar geleden aangelegde groenzone. Hier kwam jouw soort ontspannen, netjes binnen de begrenzingen die ze zelf had uitgetekend. Hier mocht de getemde wildernis gedijen, in perken waar aan laattijdig maaien werd gedaan, waar bodemkruipers, struikgewas en bomen netjes naast elkaar werden gedoogd en gemonitord.
Ik dook het Josafatpark in en flaneerde door plantsoenen vol boomsoorten die jullie elders hadden ontworteld om ze hier weer neer te poten. Ik passeerde standbeelden die moesten herinneren aan de glorie van jouw vaderland – en vooral van de vorst die het park ooit had laten aanleggen. De vijvers vermeed ik angstvallig. Op de oevers, bij de namaakrotsen, struinden nijdig sissende nijlganzen, op zoek naar zaden, wormen en ruzie. Op takken in het water lagen uit de kluiten gewassen roodwangsierschildpadden te zonnebaden, hun ogen gesloten. Ze leken niet meteen kwaad in de zin te hebben, maar je wist maar nooit: ik voelde ze al naar me happen met hun scherpe bekken. Voor je het wist werd ik onder water getrokken en in die zwellende keelzak gezogen – en was mijn missie afgelopen. Ik rilde en liep dieper het park in. In de kruinen van de bomen, hoog boven me, slingerden bendes halsbandparkieten verwensingen naar elkaar in hun schelle dialect. Ik liep snel verder, mijn gedachten bij alle invasieve exoten die ik was gepasseerd. Even uitheems als ik, maar lang niet zo eenzaam.
Terwijl ik door het kreupelhout liep proefde ik het bloedgeld dat de aanleg van dit park ooit mogelijk had gemaakt. Ik voelde hoe het zich een weg baande door mijn geest, traag en stroperig, samen met de stroom van grondstoffen, de lange weg over land en zee, van het uitgestrekte continent dat ik zelf ooit had verlaten, tot hier, in deze stad in het midden van jouw land. Hoe de fondsen de opbouw van jullie welvaartsstaat hadden gestut. Hoe schilfers kobalt en coltan uit de geprivatiseerde mijnen van dat andere, veel grotere land vandaag in jullie telefoons knisperden. Hoe de oude mineralen hun nieuwe gebruikers susten met onderkoelde stemmen die afleiding en bevestiging beloofden. De stemmen van jullie jonge soortgenoten die de mineralen hadden opgegraven hoorden jullie niet. Maar via jullie telefoons stonden jullie wel in contact met een veelvoud aan andere stemmen. Gepingel en gezoem, gebral en gefluister. Dopamineshots toegediend door appa- raten, conversaties tussen mens en machine. Ik hoorde die uitwisselingen voortdurend tussen de bomen brommen terwijl ik tegelijk de bewegingen opving van groepjes mensen die op de gazons zaten te picknicken. Een peuter lachte, stommelde in de richting van zijn ouders, struikelde, viel en werd getroost.
Was jij hier ook in het park? Zocht je me? Wie weet, als mijn tastharen beter stonden afgesteld, had ik jouw aanwezigheid toen al opgemerkt en had ik je kunnen schaduwen terwijl je de paadjes door het struikgewas volgde. Ik ontweek een groepje konijnen en liep een heuvel op, waakzaam voor camera’s die me misschien volgden terwijl ik van schaduw naar schaduw snelde. Ik stak de laan over en kroop onder een versleten hekwerk door. In de grond van een braakliggend veld groef ik een loopgraaf.
Zo’n wildgroei aan indrukken had ik nooit eerder op mijn tastharen voelen tintelen in deze stad. Over de grashalmen dansten vuurwantsen en lieveheersbeestjes, om me heen zoemden de donzige lijven van akkerhommels, appelzaagwespen en zwartbronzen zandbijen. En boven me: het gekwetter van winterkoninkjes, mussen en zandlijsters, het klokken van tortelduiven en de lach van overvliegende kokmeeuwen. Op gezette tijden zoefde een trein door het landschap of stuntelde een mens met rubberlaarzen en een verrekijker over de vlakte, maar verder waren er enkel het gras en de vogels, de insecten en ik.
In deze oase had ik wel nog wat langer willen blijven – of toch tot de homo sapiens er een nieuwbouwproject neerpootte. Maar ik kon niet op mijn lauweren blijven rusten. Het was tijd om tot actie over te gaan. Dus ik begon te graven.