Alles maakt me pissig. Het maakt me pissig dat ik de wereld niet begrijp. Het woord ‘nee’ maakt me pissig. Het maakt me pissig dat de wereld mij niet begrijpt. Het maakt me pissig dat ik niet sociaal ben, dat ik niet buiten kom, dat ik het niet trek om naar buiten te gaan, dat ik niet naar binnen kan lopen, dat ik anderen nodig heb… dat ik anderen niet kan geven wat ze nodig hebben. Reclames maken me pissig. Het maakt me pissig dat reclames me pissig maken. Ik moet steeds naar stomme teksten, plaatjes en foto’s kijken die me niet interesseren. Het maakt me pissig dat ik er niet eens interesse voor begin te krijgen waardoor ik me steeds tussen twee werelden bevind. Het maakt me pissig dat het me na al die jaren nog steeds pissig maakt. Wie help ik hiermee? Niemand, dus… maar evengoed maakt het me pissig. Het maakt me pissig dat de herkomst van dingen niet te traceren is. Het maakt me pissig dat wanneer ik een T-shirt ga kopen dat het door iemand in Thailand is gemaakt. Het maakt me pissig dat kleine kinderen en vrouwen hier ‘help me’ berichtjes in naaien, het maakt me pissig dat iedereen hier pissig over is en dat het evengoed niet zal veranderen. Het maakt me pissig hoe makkelijk je het met iemand uit kunt maken. Het maakt me pissig dat je het met niemand echt kunt uitmaken. Dit alles maakt me pissig. Verdomme. Ze nam twee treden tegelijk terwijl ze het huis uitliep, echter zo licht gekleed, alsof ze de nacht niet tegemoet aan het rennen was.
En zelfs als er helemaal niets meer mogelijk was, bleef er één plek over waar je je kon verstoppen. De plek achter je ogen. Een plek die open en ruim is, als je met je volle gewicht tegen een paardennek leunt en je gezicht in zijn manen hebt verborgen, voel je hoe rustig het paard ademt, hoe zacht het is. De plek die golft als we met een hond door alle ruimtes en tijden heen wandelen, als hij me helpt kikkervisjes in een potje te vangen, als we in het geheime meertje in het midden van het veld gaan zwemmen. De plek die stil en tinkelend is, wanneer je de Melkweg achter je huis observeert en alles te zien is in die complete duisternis, de plek die onrustig en onverschrokken is, wanneer je in volle galop op de hindernis af rijdt en weet dat je gaat winnen. De plek die geschrokken en bevreesd is, wanneer je de hemel een vraag stelt en er als antwoord een ster valt, een plek die antwoordt en je lief heeft wanneer je met een gefronst voorhoofd over grote problemen nadenkt. En zelfs als er niets meer mogelijk is, blijft er nog één plek over waarin het mogelijk is je te verstoppen voor de stokslagen, wanneer je lichaam op de grond moest gaan liggen, voor de slagen van de zweep van venijnigheid, wanneer je moest zitten en luisteren, en wanneer het op zijn aller-, allerergst was, werd het een kamer met een magische deur van gewapend beton waarachter stroken van zachte pastelkleuren zich uitstrekten, waar je voor een tijdje in op kan gaan en zonder iets te voelen, te denken, te ademen, te zijn. Gewoonweg niet bestaan.
Welkom thuis…
En toen gebeurde het.
(***)
De haren op mijn hoofd zijn blond. Mijn ogen relatief groot en blauw. Mijn gezicht is volkomen symmetrisch. Mijn neus is aan de kleine kant, recht, met een onopvallend deukje op het puntje van mijn neus. Mijn jukbeenderen zijn nog niet goed zichtbaar, maar als ik ouder word komen ze er wel. Als ik glimlach verschijnt er op beide wangen een klein kuiltje; op mijn rechterwang een groter kuiltje dan op de linker. Mijn sproeten zitten overal, zelfs op mijn oorlel, nek en ribben. Mijn haar verandert van kleur door de zon.
Een spiegel is een glad genoeg oppervlak om licht te weerkaatsen.
In de Duitse idealistische filosofie kwam Fichte met een gedachte waarvan de kernzin luidt: ‘Ik is ik.’
Wie echter de eenheid tussen het een en het ander bevestigt, vertelde hij er niet bij. Misschien hoopte hij dat hij het zelf kon doen.
Een spiegel wordt ook gebruikt tegen onweer of een storm. Soms slaagt hij erin de stukken te redden (scherven, een stuk schaduw of een flikkerende kleurvlek). In sommige plattelandsgebieden worden er nog steeds kleine, beschermende spiegeltjes bij kinderen in de wieg gelegd en later worden deze spiegeltjes gebruikt voor waarzeggerij. De persoon in de spiegel wordt gewoonlijk beschouwd als een dubbelganger of als een wezen dat de wereld van achter de spiegel weerkaatst. Bij een sterfgeval is het ook gebruikelijk om alle spiegels in huis te bedekken zodat de ziel van de overledene, of een fractie ervan, er niet in treedt. Een waterspiegel is ook een glad genoeg oppervlak.
Ik zeg hardop: Er is niets interessants aan mij.
(***)
Weet je, toen ik vanmorgen melk in mijn zwarte thee schonk, realiseerde ik me dat het vermengen van de melk met de thee mij doet denken aan de beweging van een opdoemende paddenstoelwolk. En vervolgens natuurlijk de gewetensvraag van degene die deze bom afwerpt. Hoe kunnen de mensen daarmee leven? Tja, mijn oma stelt zichzelf dit soort vragen ‘Hoe konden die mensen hiermee leven?’ zegt ze. Ik heb haar stem opgenomen met mijn dictafoon. Tijdens het bezoek hadden we het over atoombommen. Toen ik de dictafoon aanzette, overstemde ik de klik met hard gehoest, zo’n persoon ben ik. We hadden het erover hoe de Amerikanen destijds in zesenvijftig Korea binnenvielen.
‘Ja, ik zat toen in de achtste dat was wanneer… vijftig… zesenvijftig. Toen werden ze aangevallen, zo’n bloedbad.’ Ze herinnert het zich aan de hand van haar eigen positie in de gebeurtenis en niet op basis van de datum. ‘Hoe dat kleine meisje wegvluchtte, verbrand door de napalm, die foto’s overal, toen… vandaag is ze al een oud wijf. Die foto’s werden zo lang getoond, de lappen loslatende huid wapperden achter haar aan en zij maar rennen…
Ja. Die arme spleetogen en ze gaan ze daar zomaar bombarderen. Ik weet zelfs niet meer wie destijds de president was die dat bevel had gegeven. Precies weet ik het niet meer, maar die slogan die ik had bedacht, weet ik nog wel en die was best treffend. Toen wachtte ik af of ik een klap op mijn bek zou krijgen van iemand die familie in Amerika heeft en mij in elkaar kwam rossen.’
En van school moesten jullie een slogan schrijven? Een vraag gesteld in een poging te geloven dat ze gemanipuleerd werd door de communisten.
‘Nee, iedereen moest zo zijn mening geven. We moesten een opstel schrijven over de oorlog, dat ze Korea binnen waren gevallen en dat kinderen daar bezwijken… dat ze worden verbrand… dus dat kwam in me op, hè. Het is verschrikkelijk.
Natuurrampen zijn al erg genoeg wanneer die mensen omkomen, laat staan als je ze opzettelijk... Net als dinger! Toen ze die atoombom erop lieten vallen. Ze hebben mensen vermoord, er bleef alleen as van ze over…. Toch snap ik niet hoe ze daarmee konden leven. Degene die hem ontgrendeld heeft zodat hij zou vallen. Of ze het moesten doen? Ik weet het niet. Ze hadden kunnen bedenken dat iedereen om zou komen, de hele stad. Ik weet al niet eens meer hoe die steden heetten.’
Ik ook niet.
En waarom wil je geen kippen? Als ik misselijk word, verander ik het gespreksonderwerp.
‘Nee, ik zou ze hier toch nergens kwijt kunnen. Toen opa er nog was, was het omheind. Waar we nu zitten, was een varkensstal. Hier had hij een konijnenhok en hier scharrelden de kippetjes, maar toen deed hij het weg. We plukten brandnetels, hij vermaalde de brandnetels, en we hadden zelfs kleine kuikentjes, dat was in het jaar 1990, toen kwamen we hier wonen. In 1993 was dat. Ik ging altijd gras afmaaien en nam het mee. En we hadden hier zelfs kleine kuikentjes, eerst thuis onder een lamp en toen hier in de moestuin… Hier hadden we alleen een paar rijen aardappelen.’
En waar waren die gemalen brandnetels dan voor?
‘Nou, voor de kuikens. Je vermaalt de brandnetels, doet er een eitje bij, zetmeel. Dat is voer voor die kleine kuikentjes, en ze groeiden. Kippen eten eieren. Opa kocht ze, soms waren ze tweedaags nodig. We hadden ze thuis en de lamp scheen ongeveer veertien dagen op ze… en je kon ze zien groeien… en wat een gepiep… een gekookt eitje en kruimelvoer… nou, en vervolgens toen ze groot waren en hij er een slachtte, was het geen kuiken meer, maar het leek wel een adelaar. Die was zo groot dat hij zelfs niet in de braadpan paste. Ze waren prachtig, ze smaakten lekker.’
HEB JE NIETS TE DOEN? GA DAN WERKEN.
EN NIET STEEDS BOMMEN OP KOREA GOOIEN.
(***)
Een jonge, listig uitziende man liep langzaam achter de begrafenisstoet aan. Hij liep bedachtzaam, alsof hij zijn eigen lichaam aan het begeleiden was, alsof hij naar zijn eigen laatste rustplaats ging. Soms neuriede hij in zichzelf de melodie van een begrafenislied, of deed hij minutenlang alsof hij een onzichtbare trombone bespeelde. Vanuit de verte zou het er wellicht vreemd uitzien, maar de echte aanwezigen op de begrafenis sloegen geen acht op hem, ze waren al gewend aan de zonderling, die in dit kleine Sudeten-dorp elke begrafenisstoet tot op de heuvel, naar de begraafplaats, begeleidde, voor het ijzeren hek stopte, en met een tred weer terug het dal inliep. Hij wilde nooit iets anders dan zwart dragen. Toen zijn jonge moeder hem als kind in de kinderwagen rondreed, kwam er regelmatig een begrafenisstoet voorbijlopen. De kleine richtte zich op in de kinderwagen en zijn kleine, dikke vuistjes begonnen de muzikanten te dirigeren, alsof hij het lied kende. Sindsdien lieten begrafenissen hem niet meer los.
Hij werd groot. Hij verhuisde. Hij ging naar een internaat waar hij een koksopleiding volgde. Hij werd beroemd dankzij zijn beroemde, pittige mengsel waar reizigers twintig kilometer voor zouden omrijden naar het wegrestaurant waar hij werkte. Na lange tijd was hij het weekend vrij en ging hij langs bij zijn oude tante in de flat onder aan de heuvel, waar hij als kind had gewoond. Het dorp was niet veranderd. En zelfs nu in augustus was het dorp als het ware ineengedoken, alsof de huisjes bang waren om ook maar een stap van elkaar te zetten, en de gouden roggevelden strekten zich eromheen uit, als ringen na een steenworp in het meer.
De jonge kok stond met zijn rug naar het raam in het kleine, zachtroze flatje, toen hij een bekende melodie opving. Hij draaide zich abrupt om en zette een stap naar voren, vervolgens deed hij zijn rechterarm heel langzaam omhoog en met twee vingers schoof hij voorzichtig het kanten gordijntje opzij, alsof het slechts een broos spinnenweb was. Zijn donkere, vrijwel zwarte ogen volgden onberoerd hoe er vanuit de bocht in de stoffige weg beneden bij de flat een begrafenisstoet was verschenen en de heuvel opging. Hij aarzelde maar een paar tellen. Zonder iets te zeggen liep hij het flatje uit, ging met een gestaag tempo de trap af en sloot zich op enkele tientallen meters voorzichtig aan bij de stoet.
Vandaag heeft hij echter een uitzondering gemaakt. Vandaag loopt hij door de poort, luistert hij naar de plechtigheid, en na afloop beklimt hij de heuvel boven het kerkhof en gaat aan de rand van het bos zitten.
De zon gaat onder. Hij slaat zijn ogen op naar de hemel
Niemand in de familie begreep het toen mijn oom destijds thuiskwam en zei dat hij naar Praag ging om theologie te studeren. Zijn vader, mijn opa, ranselde hem eerst enkele keren grondig af, en toen dat niet had geholpen, omdat mijn oom bleef volhouden dat hij de Almachtige had gezien en deze hem duidelijke instructies had gegeven, haalde hij zijn spaarboekje tevoorschijn, schreef bijna alles wat hij bezat aan hem over en zei: ‘Ga dan maar’.
(***)
En dus is mijn oom in theologie afgestudeerd en is hij degene geworden die aan het hoofd van de begrafenisstoet loopt.
(***)