[Uit: Reconstructies]
III. SISYPHUS VINDT EEN OVERKOEPELENDE STEM
Ze kiest voor de allegorie.
Ze kiest voor een caleidoscopische benadering.
Veelvlakkigheid, al zou je het ook fragmentarisch kunnen noemen.
Uit ieder fragment poetst ze zichzelf tevoorschijn.
IV. SISYPHUS LEERT METEEN DRIE BELANGRIJKE DINGEN OVER HET MOEDERSCHAP
Na de laatste perswee leggen ze de baby tegen haar borst. Heel even voelt het als iets waarop ze recht heeft. Een prijs, een prestatie. Ze bekijkt het hoofdje met geronnen bloed en snapt dat vanaf dit moment 1) de hele menselijke conditie zwaarder weegt, 2) haar dochter alleen bestaat omdat zij bestaat, 3) niks belangrijker zal zijn.
V. SISYPHUS ONDERZOEKT WAT HOOP IS
Haar dochter, nog maar een paar weken oud, ligt veilig op een gebreid boxkleed en kijkt gebiologeerd naar de schaduwen die over het plafond dansen.
Ergens las ze: alle ellende van mensen komt voort uit hoop.
Ergens anders las ze: hoop is dope.
VI. SISYPHUS DENKT TERUG AAN DIE EERSTE KEER NA DE BEVALLING
Louis neemt haar van achteren.
Ze laat hem begaan. Hij drukt haar voorover als ze de was staat te vouwen, bestijgt haar als een dier, komt klaar na een paar snelle, schokkerige bewegingen. Daarna veegt hij zich af met een hydrofiele doek.
Zie je wel, zegt hij, dat er weinig veranderd is.
Ze herinnert zich die doek, weet welke het was wanneer ze haar dochters mondhoeken ermee afveegt. Er staan kleine giraffen op.
VII. SISYPHUS GAAT LANGS
Neurologen.
Psychiaters.
Logopedisten.
Audiologen.
Orthoptisten.
Ze stellen allemaal dezelfde vragen. Gaat het om een gevolg van ongeval, letsel of iets anders? Is uw kind hiervoor geopereerd? Heeft uw kind er medicijnen voor gekregen? Heeft uw kind verder nog klachten? Volgt uw kind ook andere behandelingen? Heeft uw kind constante pijn die niet afneemt door rust of verandering van houding? Heeft uw kind koorts? Heeft uw kind de laatste tijd gewicht verloren? Heeft uw kind nachtelijke pijn of toevallen? Voelt uw kind zich algeheel onwel? Heeft uw kind bot- of gewrichtsproblemen? Last van duizeligheid? Verliest uw kind wel eens het evenwicht? Of het bewustzijn? Komen er ziektes voor in uw familie? Kanker? Psychische stoornissen? Heeft uw kind een hoge bloeddruk? Spanning op de borst? Diabetes?
Zo ja: wat, hoelang, hoeveel, welke?
Sisyphus kalibreert met het woord ‘uw’.
VIII. SISYPHUS KAMPT MET DE PARADOX
Dat ze zich zo onbeduidend voelt terwijl ze nooit harder nodig is geweest.
IX. SISYPHUS MOET KIEZEN
Nu of later opereren.
Meer of minder oefeningen.
Doorgaan of stoppen met de behandeling.
De vraag blijft of uw kind er genoeg baat bij heeft. Het is uitproberen en leren, zegt de fysiotherapeut. Ze blaast een haarlok uit haar gezicht, wangen rood van de inspanning.
Ze zegt: We hebben weinig referentie, geen idee hoe snel het voor-of achteruit zal gaan.
Pionnen netjes opgestapeld in de hoek. Dartbord van klittenband. Posters van spiergroepen met hun Latijnse namen: orbicularis oris, deltoideus, trapezius, pectoralis major, latissimus dorsi.
Sisyphus kijkt naar een net vol gekleurde ballen, probeert de gedachte vast te pakken die zich schuilhoudt achter de woorden die nog in de lucht hangen als rookkringen.
En dan ziet ze het: de kans dat haar dochter de paar vaardigheden die ze met zoveel moeite heeft weten te ontwikkelen ook weer zal verliezen.
Hoop is nu een leeglopende ballon die richtingloos door de kamer stuitert.
X. SISYPHUS STOPT (WEER EENS) MET ROKEN
Het kan gewoon niet meer, denkt ze als ze haar voorlopig laatste hijs uitblaast. Hoop is nu een concreet voornemen, iets waaraan ze zich zal moeten houden.
Haar dochter zit op de vloer in de woonkamer met een volle luier en heeft weinig last van de staalblauwe oktoberkou.
Sisyphus sluit het raam.
Kom, zegt ze, we gaan je verschonen.
Ze trekt een slinger natte doekjes uit de verpakking, neuriet het melodietje dat ooit zo mooi door een Duitse actrice gezongen werd en verlangt naar sigaretten.
[Uit: Verkenningen]
Voor de ingang staat hij een sjekkie te rollen. Zure lucht om hem heen. Reptielachtige tong die langs het vloeipapier likt. Infernale gloed in de ogen.
Lang geleden, denkt Sisyphus, dat ik iemand tegenkwam.
Groet, groet, goedenavond.
Goedenavond, antwoordt ze beleefd.
Je bent hier al een tijd niet meer geweest. Had je iets beters te doen?
Sisyphus schudt haar hoofd, vraagt: Bent u van achter de schermen?
Allicht, zegt hij. Maar neem me niks kwalijk. Ik volg alleen orders op.
Mag ik er eentje van u bietsen?
Mmm-nou-vooruit-dan. Hij haalt zijn tabaksbuidel tevoorschijn, onooglijk geval, waarschijnlijk gemaakt van kinderlong, de blaas van een zieke, zoiets.
Je hoeft niet zo kwaad te kijken, monkelt hij. Voor mij is het ook allemaal geen pretje, mocht je dat soms denken. Zal ik hem voor je draaien?
Graag, zegt ze. Het klinkt dankbaarder dan haar bedoeling is.
Even later inhaleert ze, blaast uit.
Toch minder lekker, hè, zo zonder de consequenties.
Ik ben op zoek naar iemand, zegt ze. Weet u iets over wie daarbinnen is?
Hangt ervan af, zegt hij schouderophalend.
Een beroemde dichtregel schiet door haar gedachten: Zoveel hangt af van een rode kruiwagen.
Hij zegt: Waar ik zeker van ben is dat we dit gesprek al meer dan eens gevoerd hebben.
O, zegt Sisyphus. Ja, sorry, dat ben ik dan waarschijnlijk vergeten.
Geeft niks, zegt hij.
Peuk uitdrukken, wegwezen nu. Sisyphus begint aan de aftocht. En dan draait ze zich nog even om, stelt de brandende vraag: Kent u Mia toevallig?
Tss, daar heb je me. Een naam, dat is nieuw, dat verandert de zaak moet ik toegeven. Hij krabt aan zijn schilferige schedel. Vingertoppen nicotinegeel, nagels puntig en zwart. Ben je er zeker van?
Ik geloof het wel, zegt Sisyphus.
Mia, ja, ja, ja zou kunnen, zou kunnen. Hoe ziet ze eruit?
Daar probeer ik achter te komen. Het gaat niet zo makkelijk. Ze is nog ver weg, begrijpt u?
Ik begrijp het.
Misschien komt u haar tegen, in de wandelgangen.
Als ik die Mia van jou zie, zal ik zeggen dat ze gezocht wordt.
Heel fijn, zegt Sisyphus. Dank u wel.
Niet de moed verliezen hoor, zegt hij, voordat hij door de schuifdeuren naar binnen gaat. Een naam is beter dan geen naam.
De dood is overal, komt uit de lucht vallen als grof geschut, bedelft iedereen die je liefhebt onder het puin, onder de brokstukken van wat net nog je leven was. De dood laat je struikelen over een stoeprand en breekt je schedel terwijl je je hond nog even snel uitlaat. De dood is een kras in een antiaanbaklaag. De dood heeft gevoel voor dramatiek. En soms zelfs voor humor. De dood sluipt geruisloos je slaapkamer binnen. De dood is een scheur in je buikslagader, een bloeding in je hersenen. De dood is kortsluiting, brand, verdrinking, een net te late reactie tijdens het rijden. De dood is abrupt. De dood is een uit de hand gelopen ruzie. De dood is een misverstand. De dood is een aanslag. De dood is ongrijpbare achterkamertjespolitiek. De dood is een grafiek. De dood is een massagraf. De dood is een giftige spin of een hongerig roofdier. De dood is een datum en een tijdstip. De dood tref je aan naast je in bed of op de keukenvloer. De dood kleurt het badwater rood. De dood versnelt je celdeling in een razend tempo. De dood is besmettelijk, dringt binnen als een griepje of een bacterie, nestelt zich vervolgens in je hart en maakt daar het werk af. De dood is een gedachte die je niet meer los kunt laten. De dood is een medische misser. De dood is je koffie te heet drinken. De dood maakt geen onderscheid, wel verschil. De dood is een lawine. De dood is een synthetisch doopkleed in een kerk vol kaarsen. De dood is een pandemie. De dood is een benauwd gevoel op de borst. De dood is een executie. De dood is een trapgat. De dood is een duwtje in de rug. De dood is een landing die wordt ingezet. De dood is een schroef die niet goed is aangedraaid. De dood is een hittegolf. De dood is een notenallergie. De dood is een muur van water. De dood is een langzaam en slepend proces. De dood ligt opgerold in een wit laken. De dood spoelt aan op het strand. De dood is een injectie. De dood wacht op een onbewaakt moment waarop je de gordel nog net niet vasthebt, waarop je te moe bent om de droger nog uit te zetten, waarop je ontspant, waarop je even, heel even maar, je ogen sluit. De dood is een kalasjnikov in een klaslokaal. De dood is stoppen met eten en drinken. De dood is een val uit het raam. De dood is metaalmoeheid. De dood is honger. De dood is droogte. De dood is een gebrek aan hygiëne. De dood is een zinkgat, een wak, drijfzand. De dood is geloven; in een god, in homeopathie, in complottheorieën, in propaganda. De dood is een beslissing, een grens die te hard verdedigd wordt De dood is een slechtnieuwsgesprek. De dood is een traptrede die net iets minder breed was dan je had beoordeeld. De dood is een harde, granieten vloer. De dood schiet je in het verkeerde keelgat. De dood is onvolledige verbranding in je cv-ketel. De dood is een gaslek. De dood is een propje. De dood is een beulsknoop. De dood is een hard voorwerp. De dood is een cirkelzaag. De dood is een slechte inschatting. De dood is een overdosis. De dood aarzelt nooit.
[ Uit: Ontdekkingen]
Je bent bijna twee en hebt nog geen woord gesproken. Louis en ik noemen je een kalme baby, een rustig kind. Stille wateren, zeggen we lachend tegen iedereen die ernaar vraagt. We zijn niet ongerust. Ook niet wanneer we een doorverwijzing krijgen.
*
We zitten aan de avondmaaltijd. Louis die vraagt: Denk je dat er iets mis is? Zijn toon bezorgt me kippenvel. Het idee dat hij met andere ogen naar je kijkt. Ik veeg wortel van je lippen, leg de plastic lepel weg, sla beschermend een arm om je heen.
We gaan het uitzoeken, zeg ik. Maar hoe dan ook is er niks mis met haar.
*
De eerste, voorzichtige diagnoses. Serie kennismakingsgesprekken. Het is meervoudig en het is beperkend. Louis wil weten welk syndroom, welke ziekte, welke aandoening. Het kan zich op allerlei manieren openbaren, zeggen de artsen. We zullen het moeten aankijken. Niks is zeker.
Behalve dat uw dochter hulpbehoevend zal blijven voor de rest van haar leven.
*
Ergens las ik dat licht uit deeltjes lijkt te bestaan wanneer we de deeltjesvraag stellen en uit golven wanneer we de golvenvraag stellen.
Hoop is nu een hypothese.
*
Louis die wil je laten dopen en eerst lach ik om het idee.
Dan zegt hij: We moeten bevestigen dat ze een ziel heeft.
Hij zegt ook: We moeten het onzekere boven het zekere stellen.
En met ‘we’ bedoelt hij ‘ik’. Maar dat begrijpen we.
*
Ergens las ik dat de ziel 21 gram weegt.
Dat is niet zwaarder dan een handje rozijnen.
*
Ergens las ik dat hoop de verwarring is tussen de wens van een gebeurtenis en de waarschijnlijkheid ervan.
*
Ergens las ik dat God, in den beginne, over de chaos vloog in de gedaante van een vogel.
*
Bestaat God dan uit God wanneer we de Godvraag stellen?
*
We proberen een schedelcorrigerende helm. Een aangepaste lepel. Een loopwagentje.
*
Zie haar niet als een kind met problemen, zeggen de hulpverleners. Zie haar als een kind met mogelijkheden.
*
We volgen cursussen, krijgen raadgevingen, leren woorden om jouw behoeften en stemmingswisselingen te omschrijven.
Het is niet voldoende.
*
Ik zie mezelf als cartograaf, draai je rond zoals de aarde ronddraait. Met mijn vingers ga ik langs de archipel van ruggenwervels, leg een raster over je heen, teken vectoren, denkbeeldige stippellijnen, breng in kaart wat ik in kaart kan brengen.
*
Je bent bijna vijf en ik vergelijk je met een mythisch wezen. Jij ziet schoonheid waar wij dit niet herkennen. Jij speelt met de zon die door het raam naar binnen glipt.
Het licht dat door je vingers valt doet je rillen van genot.
Kreetjes van blijdschap.
Mijn stralenvanger.
*
Maar als de zon verdwijnt, verdwijnen ook jouw brede lach en de kracht uit je lichaam. Het is alsof je uitdooft.
*
Ik benoem wat ik zie, maak aantekeningen om me bewust te worden van je gedrag, van de emoties die daarbij horen.
Mijn cartografie.
Val dat arme kind toch niet zo lastig, zegt Louis.
Ik noteer, vastbesloten beter te begrijpen waar je behoefte aan hebt.
*
We moeten naar de zon, zeg ik. We moeten op vakantie.
*
Wat ons tegenhoudt?
Louis, die het geen reëel plan vindt.
Ontstekingen, reflux, incontinentie, obstipatie, blaasretentie, kokhalzen, verslikken, stikgevaar, hypotonie, heupluxatie, scoliose, vergroeiing aan handen en voeten, een veranderend epilepsiebeeld, spierspasmen, verstoorde prikkelverwerking.
Ja, goed, dat ook.
Maar zou je het willen, vraag ik aan jou. Naar de zon?
Achter je auberginekleurige ogen schittert het antwoord.
*
Het moment waarop de aarde van een grotere afstand kon worden bekeken, met vliegtuigen en satellieten, werden onze kaarten steeds overzichtelijker.
*
Cartografie is in de basis een vorm van communicatie. Het gaat om de boodschap die je overbrengt aan de gebruiker van de kaart.
Ik ben op zoek naar een manier, waarop ik naar je kan kijken, waarop je een plek wordt, een gevoel, een geur, een gangenstelsel waar ik doorheen kan dwalen.